Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het verweer
5.De beoordeling
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. E, pag. 17).
Rechtbank Noord-Holland
De werknemer verzocht de rechtbank om de arbeidsovereenkomst te herstellen nadat het UWV toestemming had gegeven voor ontslag op bedrijfseconomische gronden. De werkgever stelde dat de functie van de werknemer verviel door organisatorische en technologische veranderingen, waaronder automatisering en een afname van schades en polissen.
De werknemer betwistte dat de werkzaamheden structureel waren afgenomen en voerde aan dat de werkgever onvoldoende bewijs had geleverd, zoals jaarrekeningen of concrete bedrijfsresultaten. Ook stelde zij dat het afspiegelingsbeginsel niet juist was toegepast en dat herplaatsing niet was geprobeerd.
De rechtbank overwoog dat de werkgever bij ontslag op bedrijfseconomische gronden aannemelijk moet maken dat er structureel arbeidsplaatsen vervallen, de juiste ontslagvolgorde is gevolgd en herplaatsing niet mogelijk is. Hoewel het UWV toestemming had gegeven, beoordeelde de rechtbank de zaak opnieuw waarbij ook de verweren van de werknemer werden meegewogen.
De rechtbank concludeerde dat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de functie van de werknemer verviel. De prognose van Marketscan was onvoldoende onderbouwd en er ontbraken gecontroleerde bedrijfsgegevens. De opzegging was daarom in strijd met de wet en de arbeidsovereenkomst werd met terugwerkende kracht hersteld. Het subsidiaire verzoek om een billijke vergoeding werd niet meer behandeld. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld de arbeidsovereenkomst met de werknemer te herstellen met ingang van 1 februari 2016.