Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 oktober 2018 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Eiseres heeft in 2013 een bruto bedrag van € 27.611 van [A] ontvangen en van [B] een bruto bedrag van € 79.299. Deze inkomsten zien wat betreft de werkzaamheden van eiseres voor [B] op de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 en wat [A] betreft op de periode van 1 januari 2013 tot 15 oktober 2013. Deze inkomsten zijn in de aangifte ib/pvv 2013 door eiseres verantwoord als winst.
In geschil is de hoogte van de aanslag ib/pvv 2013. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de inkomsten van [A] en [B] van € 27.611 en € 79.299 moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking.
Niet in geschil is dat de werkzaamheden van eiseres een bron van inkomen vormen. Gelet op de rangorderegeling van artikel 2.14, eerste lid, van de Wet IB 2001 (hierna: de Wet) dient eerst beoordeeld te worden of eiseres winst uit onderneming geniet.