ECLI:NL:RBNHO:2020:2659
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2014 en toekenning immateriële schadevergoeding
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2014, opgelegd door verweerder. De navordering is gebaseerd op een nieuw feit, namelijk een uitgebreid onderzoek naar door het kantoor van eisers gemachtigde ingediende aangiften. De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd was tot navordering omdat het nieuwe feit aan de wettelijke voorwaarden voldoet en geen sprake is van ambtelijk verzuim.
Eiser betwist daarnaast de hoogte van de navorderingsaanslag, met name de afwijzing van specifieke zorgkosten (fysiotherapie). De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de voorwaarden voor aftrek voldoet, mede vanwege het ontbreken van concrete en gedateerde bewijsstukken en twijfel over de medische noodzaak.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar is overschreden met ongeveer zes maanden, waarvoor verweerder een immateriële schadevergoeding van € 500 moet betalen. Tevens worden proceskosten van € 525 aan eiser toegewezen. Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Beroep tegen navorderingsaanslag 2014 ongegrond verklaard; immateriële schadevergoeding en proceskosten toegekend.