Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juli 2020 in de zaken tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Voornemen opleggen vergrijpboete inkomstenbelasting correcties box III
Geschil13. In geschil is of en in hoeverre de navorderingsaanslagen en de boeten terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de verlengde navorderingstermijn kan worden toegepast, of sprake is van een rechtsgeldige inkeer, of de boeten in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel en of de boeten in een goede verhouding staan tot de beboete feiten.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de navorderingsaanslag voor het jaar 2003, de bijbehorende rentebeschikking, alsmede de boetebeschikkingen;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die betrekking hebben op de navorderingsaanslag voor het jaar 2003, de bijbehorende rentebeschikking, alsmede de boetebeschikkingen;
- vernietigt de navorderingsaanslag voor het jaar 2003 en de daarbij gegeven rentebeschikking;
- vermindert de boeten opgelegd bij de navorderingsaanslagen voor de jaren 2004 tot en met 2014 tot respectievelijk € 224, € 202, € 31.127, € 15.678, € 32.357, € 30.015, € 8.338, € 8.181, € 6.611, € 5.436 en € 5.764;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar als hiervoor genoemd;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (Minister van Rechtsbescherming) aan eiser een vergoeding van immateriële schade betaalt van € 417;
- veroordeelt verweerder tot het vergoeden van immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 83;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.967;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.