Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2020 in de zaken tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
Rechtbank Noord-Holland
Eiser en zijn fiscale partner zijn gezamenlijk eigenaar van twee woningen, waarvan één als hoofdverblijf en de andere bestemd voor verkoop. Verweerder legde navorderingsaanslagen IB/PVV op voor de jaren 2012 en 2013, waarbij correcties werden aangebracht op de aftrek van hypotheekrente en giftenaftrek. Eiser betwistte deze navorderingsaanslagen en stelde dat verweerder niet alle relevante stukken had ingebracht en dat sprake was van ambtelijk verzuim.
De rechtbank oordeelde dat verweerder alle relevante stukken had ingebracht en dat het onderzoek naar het kantoor van de gemachtigde van eiser niet direct betrekking had op deze zaak. De rechtbank stelde vast dat navordering mogelijk is bij een nieuw feit en dat verweerder terecht uitging van de juistheid van de aangiften, aangezien deze niet ongebruikelijk waren. Het vermeende ambtelijk verzuim kon niet worden vastgesteld omdat de definitieve aanslagen vóór het begin van het verscherpte onderzoek waren opgelegd.
Verder werd geoordeeld dat de woning bestemd voor verkoop niet als leegstaand kon worden aangemerkt vanwege het gebruik door een derde, en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een kraakwachtsituatie. De correcties op de aftrek van hypotheekrente en giftenaftrek werden daarom bevestigd.
De rechtbank kende een vergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de overschrijding van ongeveer negen maanden volledig aan de bezwaarfase werd toegerekend. Tevens werden proceskosten van € 786 aan eiser toegekend en het betaalde griffierecht van € 47 vergoed. De beroepen werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de navorderingsaanslagen worden ongegrond verklaard, met toekenning van een schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.