Eiseres, een groothandel in voedingsmiddelen, had een vergunning bijzondere bestemming voor het plaatsen van een bepaalde hoeveelheid kabeljauw onder de douaneregeling. Verweerder legde een uitnodiging tot betaling (utb) op wegens vermeende overschrijding van de vergunde hoeveelheid, wat eiseres betwistte.
De rechtbank oordeelde dat de vergunning een maximale hoeveelheid voor de gehele looptijd van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 bevatte, maar dat eiseres deze hoeveelheid per jaar niet had overschreden. Verweerder had geen andere gronden voor de douaneschuld aangevoerd, waardoor de utb en de rente op achterstallen niet in stand konden blijven.
Daarnaast werd een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn toegekend, waarbij verweerder en de Minister van Justitie en Veiligheid gezamenlijk aansprakelijk werden gesteld. De proceskosten werden deels aan verweerder opgelegd. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar en de utb, en droeg verweerder op het griffierecht te vergoeden.