Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 mei 2022 in de zaak tussen
[eiseres 1] B.V., te [plaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Hoorn, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil3.In geschil is of de naheffingsaanslag, de beschikkingen inzake belastingrente en de verzuimboeten naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.
- Over de feiten die eiseres ten grondslag heeft gelegd aan de door haar bepleite vermindering ten aanzien van [naam 1] bestaat tussen partijen geen verschil van inzicht, zodat eiseres in ieder geval in zoverre een pleitbaar standpunt heeft. De door eiseres bepleite vermindering heeft voor € 5.351 betrekking op 2016 en voor € 5.924 op 2017.
- Ten aanzien van [naam 2] en [naam 3] maakt de rechtbank uit de door verweerder overgelegde grootboekkaarten op dat voor hen in de perioden onmiddellijk voorafgaand aan de door eiseres bepleite ingangsdata voor de premiekortingsperiode reeds is gebruikgemaakt van een premiekorting. Voor [naam 2] gaat het daarbij om de jaren 2015-2017 en voor [naam 3] om periode 11 van 2014 tot en met periode 10 van 2017. Voor zover deze premiekorting betrekking heeft op perioden voorafgaand aan de door eiseres bepleite aanvangsdata, heeft verweerder ter zake daarvan ook niet nageheven. Alsdan kunnen de premiekortingsperioden voor de desbetreffende werknemers ook volgens de door eiseres gehuldigde rechtsopvatting niet aanvangen op de door eiseres bepleite ingangsdata.
- Voor [naam 4] blijkt uit de grootboekkaarten dat is gebruikgemaakt van een premiekorting in periode 11 van 2014 tot en met periode 13 van 2015. Verweerder heeft over deze tijdvakken niet nageheven voor deze werknemer. Ook volgens de door eiseres voorgestane rechtsopvatting kan de premiekortingsperiode dan niet aanvangen op 15 mei 2017.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de voor de jaren 2016 en 2017 opgelegde verzuimboeten en ongegrond voor het overige;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, doch uitsluitend voor zover die betrekking heeft op de voor de jaren 2016 en 2017 opgelegde verzuimboeten;
- vermindert de voor de jaren 2016 en 2017 opgelegde verzuimboeten tot respectievelijk € 1.017 en € 423;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 703,75; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden.