Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil8. Allereerst is in geschil of eiser en [naam 1] in 2016 als fiscale partners kunnen worden aangemerkt. Eiser stelt dat dit niet het geval is, al dan niet met een beroep op dwaling wat betreft het aangaan van het geregistreerd partnerschap. Eiser stelt dat op die grond de woning [adres 1] als zijn eigen woning dient te worden aangemerkt (box 1). Op die grond zou het box 3 vermogen met € 371.500 verlaagd moeten worden. Daarnaast bepleit eiser een lagere waarde per 1 januari 2016 voor de volgende bezittingen bij het vaststellen van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen:
- een lagere waardering van de verhuurde woning [adres 2] op grond van het daadwerkelijke rendement;
- een lagere waarde voor de investering in [bedrijf 1] en een lagere waarde voor de investering in [bedrijf 2] N.V. vanwege het incourant en niet of moeilijk verhandelbaar zijn van deze investeringen waardoor 20% respectievelijk 10% afslag zou moeten worden toegepast;
- een € 185.947 lagere waarde voor de investering in [bedrijf 3] N.V. vanwege het incourant en niet of moeilijk verhandelbaar zijn van deze investeringen waardoor 30% afslag zou moeten worden toegepast;
- het buiten aanmerking laten van een bedrag van € 4.000 op een bankrekening van eiser bij [bank] -bank omdat dit saldo tot het ondernemingsvermogen van zijn eenmanszaak gerekend zou zijn en moeten worden.
Beslissing
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag ib/pvv 2016 naar een met een verzamelinkomen van
- bepaalt dat de belastingrente dienovereenkomstig verminderd wordt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar:
- wijst het verzoek van eiser tot het toekennen van een schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 134,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden tot een bedrag van € 48.