Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd wegens het handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2 RVV 1990) in de Zuiderstraat te Haarlem. Betrokkene stelde zich op het standpunt dat de gedraging niet bewezen was, dat de verklaring van de verbalisant te summier was en dat de exacte locatie onvoldoende was aangegeven, waardoor verweer niet mogelijk was. Ook werd aangevoerd dat betrokkene ten onrechte niet staande was gehouden.
De kantonrechter oordeelde dat uit het dossier, inclusief een aanvullend proces-verbaal, voldoende blijkt dat betrokkene de geslotenverklaring heeft overtreden. De vermelding van de straatnaam in combinatie met de plaats was voldoende nauwkeurig, aangezien de gehele straat eenrichtingsverkeer kent. De kantonrechter sloot aan bij een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat het niet staande houden onder de gegeven omstandigheden aannemelijk maakte.
De kantonrechter vond geen reden om aan de juistheid van de verbalisant te twijfelen en zag geen grond om de boete te matigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen, omdat het pas ter zitting overleggen van een aanvullend proces-verbaal geen grond voor vergoeding gaf.