Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2022 in de zaak tussen
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder
[naam VOF], te [plaats] , hierna: vergunninghouder,
Procesverloop
mr. C. van Duijvenbode. Vergunninghouder is vertegenwoordigd door haar vennoot [naam vennoot] , bijgestaan door haar gemachtigde.
Overwegingen
18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2760, voorop dat bij het verlenen van een Wnb-vergunning voor de uitbreiding of exploitatie van een veehouderij alle gevolgen van dat project voor N2000-gebieden moeten worden beoordeeld. Dat geldt ook voor transportbewegingen die inherent zijn aan de exploitatie van een veehouderij. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan verkeersbewegingen van tractoren en het aan- en afvoerverkeer van vee. Het uitvoeren van die verkeersbewegingen is noodzakelijk voor een veehouderij en is een gevolg van dat project. Hieruit volgt dat een Wnb-vergunning voor een veehouderij moet worden geacht tevens te zijn verleend voor de daarmee gepaard gaande verkeersbewegingen. Dat geldt in dit geval dus ook voor de vergunning die in 2018 is verleend. De rechtbank volgt eiseressen dus niet in hun stelling dat voor de transportbewegingen niet eerder vergunning is verleend.
Beslissing
31 juli 2019 te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
mr. D.M. de Feijter, leden, in aanwezigheid van mr.W.I.K. Baart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2022.