Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 4 mei 2022 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Breda, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
“Er zijn geen wijzigingen op onze activiteiten ten opzichte van de huidige vergunning.”
6. Geldigheidsduur van de vergunning
7. Goederen die onder de douaneregeling mogen worden geplaatst
10. Economische voorwaarden
De regeling AV/T (AV) is een economische douaneregeling en op grond van artikel 85 van Pro het CDW (artikel 211, lid 1, aanhef en onder a van het DWU) is voor het gebruik van een economische douaneregeling een vergunning vereist. Op grond van artikel 502 van Pro het CDW (artikel 211, lid 1, laatste volzin van het DWU) worden de voorwaarden waaronder de betrokken regeling wordt gebruikt in de vergunning vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze bewoordingen dat de voorwaarden worden vermeld in de vergunning. Steun voor deze opvatting vindt de rechtbank in de Engelse, Duitse en Franse tekst van artikel 87, lid 1, van het CDW waarin respectievelijk staat: “The conditions under which the procedure in question is used shall be set out in the authorization.” “In der Bewilligung werden die Voraussetzungen festgelegt, unter denen das betreffende Zollverfahren in Anspruch genommen werden kann.” En “Les conditions dans lesquelles le régime en question est utilisé sont fixées dans l’autorisation.”
Eiseres is middels de vergunning op de hoogte van de geldende voorwaarden.
Voor deze overschrijdingen is naar het oordeel van de rechtbank een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 204, lid 1, onder a, van het CDW onderscheidenlijk artikel 79, lid 1, aanhef en onder c, van het DWU, omdat de verplichtingen onderscheidenlijk voorwaarden voor de plaatsing van niet-Uniegoederen onder de douaneregeling actieve veredeling niet zijn nageleefd. Eiseres heeft een te grote hoeveelheid niet-Uniegoederen onder deze douaneregeling gebracht. Verweerder heeft de utb van 16 mei 2018 terecht op grond van voormelde artikelen uitgereikt. Het standpunt van eiseres dat de douaneschuld op grond van artikel 77 van Pro het DWU is ontstaan wordt door de rechtbank niet gevolgd.
In artikel 204 van Pro het CDW staat omschreven in welke gevallen een douaneschuld bij invoer ontstaat. Op grond van het lid 1, aanhef en onder a, van dat artikel ontstaat een douaneschuld bij invoer indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleken voor de juiste werking van deze regeling. De rechtbank neemt in overweging dat bij de afgifte van een vergunning actieve veredeling de toetsing van de economische voorwaarden een belangrijk element is. Deze is bedoeld om te bepalen of wezenlijke belangen van Europese producenten van soortgelijke producten niet worden geschaad. De door de aanvrager van de vergunning opgegeven hoeveelheid of waarde kan hierin een prominente rol spelen. Als deze hoeveelheid of waarde wordt overschreden, kan niet automatisch worden gesteld dat de aanvrager nog steeds aan de economische voorwaarden voldoet. Voor zover het gaat om aangiften gedaan na 1 mei 2016, overweegt de rechtbank dat er op grond van artikel art. 124 lid 1 onderdeel Pro h van het DWU in samenhang met artikel 103 van Pro de Gvo vijf situaties zijn die beschouwd worden als een verzuim zonder werkelijke gevolgen voor het juiste functioneren van de douaneregeling. De door eiseres aangevoerde situatie valt daar niet onder.
De rechtbank volgt dan ook niet het standpunt van eiseres dat het verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven.
Griffierechten
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, uitsluitend voor wat betreft het onderdeel rente op achterstallen over de douaneschuld die is ontstaan vóór 1 mei 2016;
- bepaalt dat verweerder de utb vermindert met het bedrag aan rente op achterstallen dat is berekend over douaneschulden die zijn ontstaan vóór 1 mei 2016 en draagt verweerder op het bedrag te herrekenen;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 333;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 667;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.056;
- gelast verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 345 te vergoeden.