Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2022 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
.
Overwegingen
Peter d’Ambrumenil, ECLI:EU:C:2003:627, punt 52 ev.) is geoordeeld dat vrijstellingen autonome begrippen van gemeenschapsrecht zijn die strikt moeten worden uitgelegd. Voorts is overwogen dat niet alle diensten in het kader van de uitoefening van (para)medische beroepen zijn vrijgesteld, maar uitsluitend die inzake de gezondheidskundige verzorging van de mens. Het moet dan gaan om handelingen die met geen ander doel zijn verricht dan diagnose, (preventieve) behandeling en, voor zoveel mogelijk, genezing van ziekten of gezondheidsproblemen. Het therapeutisch doel hoeft niet bijzonder strikt te worden opgevat. Ook als degene die wordt onderzocht een preventieve medische ingreep ondergaat en verder geen ziekte of gezondheidsprobleem blijkt te hebben, is het conform het doel, kostenvermindering van de gezondheidszorg, de dienst als gezondheidskundige verzorging van de mens aan te merken. Het doel van een medische dienst is bepalend voor de toepassing van de vrijstelling. Indien het voornaamste doel niet is de bescherming, met inbegrip van instandhouding of herstel, van de gezondheid, valt die dienst niet onder de (medische) vrijstelling.
PFC Clinic, ECLI:EU:C:2013:198). Ook verweerder beroept zich op dat arrest, maar leidt daaruit af dat de hele context van de behandeling van belang is, en daarbij speelt ook het motief van de afnemer een rol. In
PFC Clinicoordeelde het HvJ over esthetische chirurgie als volgt:
Peter d’Ambrumenil). Ook is de louter subjectieve opvatting van de patiënt niet doorslaggevend (zie punt 34 van
PFC Clinic). Hoewel bij de beoordeling of een behandeling een therapeutisch doel heeft moet worden uitgegaan van de opvatting van medisch gekwalificeerd personeel en het door een medicus bepaalde doel een rol kan spelen, kan niet uit de jurisprudentie worden afgeleid dat de behandelend arts de enige is die het (voornaamste) doel van een behandeling bepaalt (zie punt 34-36
van PFC Clinic). Dit sluit ook aan bij de bewoording gekozen door het HvJ, dat moet worden uitgegaan van “
medische vaststellingen door daartoe gekwalificeerd personeel”. Of voor een type behandeling in een bepaalde situatie een therapeutisch doel is, kan dus worden beoordeeld door daartoe gekwalificeerd personeel. Dit veronderstelt dat deze doelgroep breder is dan enkel de behandelend arts. Het enkel betekenis toekennen aan de opvatting van de behandeld arts, verdraagt zich verder niet met de betekenis die het HvJ ook toekent aan de context waarin de dienst verricht wordt en het niet buiten beschouwing laten van het doel van de afnemer van de dienst. Ook acht de rechtbank van belang dat het bij deze vrijstelling gaat om een Unierechtelijk autonoom begrip dat ter voorkoming van een ongelijk speelveld voor medici uniform en beperkt moet worden uitgelegd, met inachtneming van het doel van de vrijstelling. Een zekere objectivering is daarom noodzakelijk, zodat niet enkel van subjectieve opvattingen van betrokkenen uitgegaan kan worden. Een andere opvatting zou kunnen leiden tot strijd met het neutraliteitsbeginsel, omdat dan in op zich gelijke situaties al dan niet de vrijstelling van toepassing zou zijn.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat in de EU of in Nederland een de breed gedragen medische opvatting bestaat dat besnijdenissen altijd een therapeutisch doel hebben. Volgens eiser is het al dan niet bestaan van medische consensus niet van belang bij de beoordeling of eiser recht heeft op de medische vrijstelling. Maar zoals uit het voorgaande blijkt, vindt de rechtbank dat de gehele context waarin de dienst wordt verricht daarbij in aanmerking moet worden genomen en kan de heersende opvatting binnen de medische beroepsgroep daarbij dus wel een rol spelen.
CopyGene, ECLI:EU:C:2010:328).
25 januari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:812, en zoals inmiddels door gerechtshof Amsterdam is bevestigd en zoals ook zal gaan gebeuren in gevallen die verweerder nu bekend worden.
Anders dan belanghebbenden betogen, is het bestreden oordeel niet onverenigbaar met deze vaste rechtspraak, die immers inhoudt dat indien hetgeen de belastingplichtige in eerste instantie naar voren brengt het vermoeden rechtvaardigt dat begunstigend beleid is gevoerd, het vervolgens aan de inspecteur is dat vermoeden te ontzenuwen. Bij de uiteindelijke afweging van de bewijskracht van enerzijds dat wat het vermoeden rechtvaardigde, anderzijds hetgeen de inspecteur ter ontzenuwing daarvan aannemelijk heeft gemaakt, blijft echter het bewijsrisico berusten bij de belastingplichtige (vgl. HR 25 oktober 2002, nr. 36 898, BNB 2003/14).”
De vier genoemde omstandigheden acht de rechtbank zowel afzonderlijk bezien als tezamen beschouwd onvoldoende om het vermoeden te rechtvaardigen dat begunstigend beleid is gevoerd. Dat in de markt bij de prijzen op websites niet is te zien of dat belast is met btw is niet zo een omstandigheid, omdat dit voor particuliere cliënten geen relevante factor is. Dat geldt ook voor de omstandigheden dat bij aanbieders niet verschillende tarieven gelden voor eventueel wel therapeutische/ vrijgestelde diensten en niet vrijgestelde diensten en dat hiertussen bij aanbieders geen prijsverschillen te zien zijn. Het kan immers zo zijn dat aanbieders daar vanuit commerciële overwegingen één prijs voor rekenen, maar in hun administratie wel verschil maken. Daarnaast kan de berekening van het prijsverschil complex zijn, doordat met btw-heffing ook een recht op aftrek ontstaat.
Hiermee faalt eisers beroep op het begunstigende beleid.
Beslissing
mr. J. Zutt, leden, in aanwezigheid van mr. H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2022.