In deze zaak verzocht de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, die sinds mei 2020 als titulair-directeur werkzaam was. De kantonrechter oordeelde dat er sprake was van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat voortzetting zinloos was, ondanks het opzegverbod wegens ziekte. De ontbinding werd gerechtvaardigd omdat het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst het herstel van de werknemer negatief beïnvloedde.
De werkgever had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de werknemer disfunctioneerde en had nagelaten een adequaat verbetertraject te doorlopen. Het handelen van de werkgever, waaronder het blokkeren van communicatiemiddelen en het innemen van een lease-auto, werd als ernstig verwijtbaar beoordeeld. Daarom werd aan de werknemer een billijke vergoeding van €75.000 bruto toegekend, naast een transitievergoeding van €8.855,11 bruto.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 december 2023. De proceskosten worden aan de werkgever opgelegd vanwege haar overwegend ongelijk en ernstig verwijtbaar handelen. Het verzoek van de werknemer om niet gebonden te zijn aan het relatiebeding werd ingetrokken na toezegging van de werkgever.