Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2023:13787

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 december 2023
Publicatiedatum
12 januari 2024
Zaaknummer
22-5788
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PWArt. 16 PWArt. 35 PWArt. 2.7 Besluit zorgverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wegens voorliggende voorziening

Eiseres verzocht bijzondere bijstand voor de orthodontiekosten van haar minderjarige zoon, waarbij het verschil tussen de totale kosten en de vergoeding van haar aanvullende zorgverzekering werd gevraagd. Verweerder wees de aanvraag af op grond van de Participatiewet (PW), omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als passende en toereikende voorliggende voorziening geldt.

De rechtbank bevestigde dat de Zvw inderdaad een passende voorliggende voorziening is, ook als niet alle kosten worden vergoed. Hierdoor staat artikel 15 van Pro de PW toekenning van bijzondere bijstand in de weg. Eiseres stelde dat de kosten op grond van artikel 35 PW Pro vergoed moesten worden, maar dit werd niet getoetst omdat artikel 15 reeds Pro uitsluit.

Eiseres voerde verder aan dat eerdere bijstand in 2017 voor haar dochter een recht op bijstand zou scheppen, maar de rechtbank verwierp dit beroep op het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel vanwege beleidswijzigingen.

Ten slotte stelde eiseres dat er dringende redenen waren wegens medische klachten van haar zoon, maar de rechtbank vond dit niet aannemelijk op basis van medisch rapport en concludeerde dat geen acute noodsituatie bestond.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep op bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wordt ongegrond verklaard wegens een passende voorliggende voorziening en ontbreken van dringende redenen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/5788

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.H.W. van der Lee),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen,

verweerder
(gemachtigde: E. Schaper).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van orthodontie.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 maart 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 september 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Op de zitting hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt. Die afspraken zijn neergelegd in een proces-verbaal. Ter uitvoering daarvan heeft de gemachtigde van eiseres nadere stukken overlegd, waarop verweerder heeft gereageerd.
1.5.
Daarna heeft geen van partijen gevraagd om een nadere behandeling ter zitting. De rechtbank heeft besloten verdere behandeling op zitting achterwege te laten. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de afwijzing in stand kan blijven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is er gebeurd?
4.1.
Eiseres heeft op 7 maart 2023 op grond van de Participatiewet (PW) bijzondere bijstand gevraagd voor de orthodontiekosten van haar zoon [zoon] . Haar zoon is nog geen 18 jaar. Bij deze aanvraag heeft zij een begroting van 21 december 2021 gevoegd, die is gemaakt door Top Ortho. Uit die begroting blijkt dat de orthodontiebehandeling ongeveer € 3.141,99 gaat kosten.
4.2.
Eiseres heeft een zorgverzekering afgesloten bij Univé. Haar zoon valt ook onder die verzekering. Haar zorgverzekering is een collectieve zorgverzekering, die zij heeft afgesloten via het gemeentepakket Enkhuizen. Eiseres heeft niet alleen een basisverzekering, maar ook een aanvullende verzekering genaamd ‘Gemeentepakket Compleet’. Via deze aanvullende verzekering worden orthodontiekosten vergoed tot een bedrag van € 2.500,-.
4.3.
Eiseres wil bijzondere bijstand voor het verschil tussen de begroting van de orthodontist en het bedrag dat de zorgverzekering vergoedt. Het gaat om een bedrag van
€ 641,99.
4.4.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat er een passende en toereikende voorliggende voorziening [1] is, namelijk de Zorgverzekeringswet (Zvw). Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand rechtvaardigen.
4.5.
Eiseres heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Verweerder is bij de afwijzing van haar aanvraag gebleven.
Is er een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van Pro de PW?
5. Eiseres stelt dat haar (aanvullende) zorgverzekering niet toereikend en passend is. Eiseres moet zelf ruim € 600,- betalen. Dit bedrag is niet op te brengen met haar Wajong-uitkering.
5.1.
Verweerder zegt dat de Zvw in beginsel een toereikende en passende voorliggende voorziening is voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. Daaronder valt ook een orthodontiebehandeling. Dit volgt uit artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering. Het geldt ook als de gemaakte kosten niet of niet helemaal door de voorliggende voorziening worden vergoed. Volgens verweerder staat daarom artikel 15, eerste lid, van de PW in de weg aan bijstandverlening
.
5.2.
De rechtbank overweegt dat de Zvw inderdaad in beginsel een toereikende en passende voorliggende voorziening is, mede gelet op artikel 2.7 van de Zvw. Dat is vaste rechtspraak [2] . Dit is ook zo als de gemaakte kosten ‒ zoals ook in het geval van eiseres ‒ niet of niet volledig door de voorliggende voorziening worden vergoed [3] . Dit betekent dat artikel 15, eerste lid, van de PW in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand voor de orthodontiekosten.
Moeten de kosten vergoed worden op grond van artikel 35 PW Pro?
6. Eiseres stelt dat de kosten op grond van artikel 35 van Pro de PW vergoed moeten worden. Verweerder heeft hier niet naar gekeken en dit niet getoetst. Het besluit is daarom onzorgvuldig genomen en onvoldoende gemotiveerd.
6.1.
In dit geval staat een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW, aan toekenning van bijstand in de weg. Aangezien artikel 15, eerste lid, van de PW al aan toekenning van de verzochte bijzondere bijstand in de weg staat, wordt aan toetsing aan artikel 35 van Pro de PW in dit geval niet toegekomen. [4] De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Geeft toekenning bijzondere bijstand in 2017 nu ook aanspraak op bijstand?
7. Verweerder heeft op 1 juni 2017 bijzondere bijstand verleend voor orthodontiekosten voor de dochter van eiseres. Het ging om een bedrag van € 822,51. Het besluit is gebaseerd op artikel 35 van Pro de PW en de toen geldende beleidsregels bijzondere bijstand van de gemeente Enkhuizen.
7.1.
Eiseres stelt dat de situatie van haar zoon en de ingediende aanvraag identiek is aan die voor haar dochter. Eiseres stelt dat artikel 35 van Pro de PW in dit geval ook van toepassing is.
7.2.
Verweerder vat dit op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens verweerder betekent de bijstandsverlening in 2017 niet dat hij bij een nieuwe aanvraag weer bijzondere bijstand moet toekennen. Uit de beleidsregels volgt dat er in beginsel geen bijstand wordt verleend voor kosten die gedeeltelijk vergoed worden door een aanvullende zorgverzekering. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder een toezegging heeft gedaan [5] . Op de zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat destijds sprake was van buitenwettelijk begunstigend beleid waarmee bijzondere bijstand kon worden verleend voor de eigen bijdrage voor de kosten voor orthodontie. Van gelijke gevallen is geen sprake omdat dit beleid nu niet meer geldt, aldus verweerder.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat de afwijzing nu is gebaseerd op artikel 15 van Pro de PW. Alleen al daarom verschilt de situatie uit 2017 met de onderhavige situatie. Daar komt bij dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het beleid uit 2017 ten tijde van het bestreden besluit niet meer gold. Vanwege deze verschillen slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. De rechtbank volgt eiseres ook niet in het betoog dat zij erop mocht vertrouwen dat de aanvraag voor haar zoon zou worden toegewezen. Zoals gezegd, was het beleid in 2017 anders. Bovendien is niet gebleken dat door of namens verweerder op de één of andere manier het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de aanvraag ook deze keer zou worden toegewezen.
Is er sprake van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van Pro de PW?
8. In artikel 16, eerste lid, van de PW staat: “Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.”
Een dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW doet zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Van een acute noodsituatie is in ieder geval sprake als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van een acute noodsituatie. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet zal moeten worden meegewogen of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. Daarbij moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. [6]
8.1
Eiseres stelt dat er bijzondere omstandigheden zijn, omdat de kosten niet voorzienbaar waren, niet op andere wijze worden vergoed en zij niet zelf de middelen heeft om de kosten te betalen. Eiseres stelt dat haar zoon een afwijking aan zijn kaak heeft. Hij zal ernstige klachten ontwikkelen en zijn spraak zal achteruitgaan als hij de beugel niet op korte termijn krijgt, aldus eiseres. Eiseres had haar standpunt aanvankelijk niet onderbouwd, maar heeft na de zitting alsnog een bericht van Top Ortho van 21 juni 2023 overgelegd.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een situatie die zo schrijnend is dat weigering van bijzondere bijstand onaanvaardbaar zou zijn. In de mail van 21 juni 2023 schrijft Top Ortho namelijk dat er geen sprake is van een ernstige kaakaandoening, spraakproblematiek of stoornis in de groei/ontwikkeling. De beroepsgrond van eiseres slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 15 PW Pro.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 februari 2021 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2021:288.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 oktober 2020 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2020:2317.
4.Zie de uitspraak van 5 oktober 2020 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2020:2317.
5.Verweerder wijst op de uitspraak van 29 mei 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
6.Zie de uitspraak van 13 juni 2023 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2023:985.