ECLI:NL:CRVB:2021:288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor orthodontiekosten dochter wegens passende voorliggende voorziening
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van een orthodontiebehandeling van haar dochter. Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht wees deze aanvraag af, stellende dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een passende en toereikende voorliggende voorziening is voor deze kosten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de vergoeding vanuit haar zorgverzekeringspakket niet toereikend was en dat zij financieel benadeeld was doordat zij op advies van het college overstapte naar een ander zorgverzekeringspakket met een lagere vergoeding. Tevens stelde zij dat er sprake was van dringende redenen om toch bijzondere bijstand te verlenen.
De Raad oordeelde dat de Zvw, ook indien niet alle kosten worden vergoed, als passende voorliggende voorziening geldt en dat dringende redenen niet aannemelijk waren gemaakt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het advies van het college niet kon worden opgevat als een toezegging tot bijzondere bijstand en appellante onvoldoende bewijs leverde van financiële benadeling.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Limburg, wees het hoger beroep af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wordt bevestigd omdat de Zorgverzekeringswet een passende voorliggende voorziening is en het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.