Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 februari 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 270.000
€ 60.720
Geschil7. In geschil is de hoogte van de in 2019 door eiseres verschuldigde belasting over de grondslag sparen en beleggen (box 3).
3.3.3 Bij de beantwoording van die vraag moet worden vooropgesteld dat in 2017 onveranderd is gebleven dat het forfaitaire stelsel van Hoofdstuk 5 Wet IB 2001 ertoe strekt belasting te heffen over het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen. Dit sluit aan bij de algemene strekking van de Wet IB 2001 om een heffing in het leven te roepen naar de, aan het daadwerkelijk genoten inkomen ontleende, draagkracht. Dit betekent dat naar de strekking van de wet buiten de heffing moeten blijven de voordelen die de belastingplichtige niet heeft genoten, maar had kunnen behalen als hij zijn bezittingen daaraan dienstbaar had gemaakt en/of als hij meer geluk had gehad.
3.5 Het voorgaande overziend oordeelt de Hoge Raad dat, ook met inachtneming van de ruime
(…)
Niettemin ziet de Hoge Raad zich thans genoodzaakt belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van zijn fundamentele rechten.
(…)
3.6.3 De hiervoor bedoelde rechtsbescherming vergt een op rechtsherstel gerichte compensatie, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen.”
Staatsbladwaarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2017.”
KamerstukkenII 2022/23, 36203, nr. 3, p. 7-8 is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
Kamerstukken II2023/23, 36203, nr. 6, p. 2-3, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2019 tot een naar een verzamelinkomen van € 16.563, bestaande uit een inkomen uit werk en woning van € 15.279 en een inkomen uit sparen en beleggen van € 1.384, en bepaalt dat de belastingrente dienovereenkomstig verminderd wordt:
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 837; en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden.