Conclusie
1.Overzicht
BNB2019/161 (massaal bezwaar box 3 2013 en 2014) hebben zowel de rechtbank als het gerechtshof haar (hoger) beroep verworpen, oordelende dat zo box 3 2016 en 2017 al een schending van het EVRM zou zijn op stelselniveau, de rechter die schending niet kan repareren, en dat op individueel niveau niet gebleken is van een individuele en buitensporige last, gezien belanghebbendes hypotheekvrije huis, AOW-uitkering en (inkomsten uit) vermogen.
gemiddelderendement bij de
gemiddeldevermogenssamenstelling benaderbaar. Hij belast sinds 2017 alle box 3-plichtigen alsof hun risico, vermogenssamenstelling én rendement gelijk zijn aan het
gemiddelderisico, rendement en vermogenssamenstelling.
eigendomsgrondrechtop stelselniveau denkelijk weinig uit. Ik vertaal het door u in HR
BNB2019/161 gestelde criterium voor schending van het eigendomsrecht door box 3 op stelselniveau naar box 3
2017: die schending doet zich voor als het gemiddeld op vermogens, oplopend van nihil tot boven € 975.000, algemeen haalbare rendement op de wettelijk veronderstelde gemiddelde vermogensmix, in 2017 lager is dan (30% * 2,78% =) 0,83% oplopend naar (30% * 5,39% =) 1,62%. Aan dit criterium wordt nooit voldaan, omdat het gemiddelde
nooitlager is dan het gemiddelde. Hoe dan ook is niet waarschijnlijk dat u voor 2017 wél op basis van het eigendomsrecht op stelselniveau zou willen ingrijpen. U zou dan immers zelf moeten gaan sleutelen aan het systeem, hetgeen u aan de wetgever acht, terwijl stelselsleutelen niet nodig is voor individuele eigendomsrechts-bescherming, die immers geboden kan worden op basis van de vraag of de belastingplichtige concreet een
individual and excessive burdenis opgelegd.
individual and excessive burdenis opgelegd, lijkt te stroken met uw maatstaven daarvoor en is, gegeven de door het Hof vastgestelde feiten, op basis van die maatstaven niet onbegrijpelijk. Met de belanghebbende meen ik dat zij onredelijk en willekeurig overbelast wordt, maar dat leidt denkelijk niet tot cassatie op basis van schending van haar eigendomsgrondrecht omdat de lat daarvoor door u op een hoger ontnemingsniveau wordt gelegd.
2017aan het discriminatieverbod, waarvan volgens de wetsgeschiedenis onmiskenbaar de bedoeling is om
allebox 3-plichtigen naar een
gemiddeldvermogens-rendement over een
gemiddeldevermogenssamenstelling te belasten. Gegeven de definitie van ‘gemiddelde’, impliceert dat onontkoombaar de bedoeling om per vermogensomvangs-klasse de ondergemiddelden te laten betalen voor de bovengemiddelden. Als de standaarddeviatie van het gemiddelde groot is, en zeker als zij enorm is – en dat is zij; zie hieronder - streeft een
inkomsten-belastingheffer met een dergelijk stelsel mijns inziens geen
legitimate aimna. Het wezenlijke doel en effect van het stelsel is dan immers om enerzijds willekeurig vergaand te discrimineren en anderzijds willekeurig vergaand te privilegiëren om de ondergemiddelden de belasting te laten opbrengen die de bovengemiddelden te weinig betalen, nu voor iedereen een plat tarief van 30% zou moeten gelden; de individuele rendementen zijn bij een dergelijke enorme standaarddeviatie veel te gespreid om een gemiddelde als heffingsgrondslag voor iedereen te kunnen aanvaarden.
heterogeneityvan vermogensrendementen van alle Noorse inkomstenbelastingplichtigen over een 11-jaarsperiode periode 2004-2015, op basis van de gegevens van de Noorse belastingdienst, blijkt een ‘average real return on net worth’ van 3,8% van het vermogen, met een standaarddeviatie van 8,6%. Dat betekent dat de variantie in rendementen enorm is: het vermogensrendement van circa 95% van de Noorse belastingplichtigen lag tussen
negatief13,8% en positief 20,1% (34 punten uit elkaar: 2 x de standaarddeviatie aan beide zijden van het gemiddelde) en het vermogensrendement van circa 68% van de belastingplichtigen lag tussen
negatief5,2% en 12,4% (17,6 punten uit elkaar: 1 x de standaarddeviatie van het gemiddelde). 5% van de belastingplichtigen waren nog verdere
outlyers. Op de verticale assen van onderstaande grafiek staat het aantal belastingplichtigen dat het op de horizontale as genoemde rendement heeft behaald:
inkomstenbelasting neemt snel toe naar – al vrij snel – oneindig naarmate men links verder van het gemiddelde geraakt, en daalt snel naarmate men rechts verder van het gemiddelde geraakt, zoals hieronder te zien is (bron: berekeningen Koen Caminada, Universiteit Leiden):
heterogeneityook bestaat
binnenvermogenstitels, omdat het betekent dat (i) ook binnen de onderscheiden vermogenstitels (risico-arm, aandelen, onroerend goed, bedrijfsobligaties, etc.) het rendement sterk verschilt tussen huishoudens en dus ook
per vermogenstiteleen grote variantie in rendement bestaat, en (ii) dat ook als elke box 3-plichtige de gemiddelde vermogenssamenstelling zou nabootsen, er nog steeds een zeer grote spreiding in rendementen rond het gemiddelde zou blijven bestaan. Het stelsel zou dus ook in dat geval nog steeds de ondergemiddelden (veel) te veel laten betalen om het privilege van de bovengemiddelden te financieren; het zou nog steeds systemisch op individueel niveau onaanvaardbaar discrimineren en privilegiëren. De standaarddeviatie zou weliswaar kleiner zijn, maar voor een inkomstenbelasting nog steeds onverantwoord groot. Dat kan niet aanvaard worden op de grond dat het volgend jaar andersom zou kunnen zijn, want dat is niet zo: het Noorse onderzoek wijst uit dat er over de jaren heen weinig grensverkeer is tussen de ondergemiddelden en de bovengemiddelden, zodat de kansen dus niet per jaar keren: het zijn globaal juist steeds dezelfde huishoudens die een negatief of laag rendement halen en steeds dezelfde huishoudens die het bovengemiddeld doen: “(…) individual wealth returns exhibit substantial persistence over time.”
omhet discriminatieverbod te ontkennen:
omde ondergemiddelden te laten betalen voor de bovengemiddelden. Bij een standaarddeviatie van ruim meer dan twee keer het gemiddelde rendement, kan dat gemiddelde rendement mijns inziens onmogelijk als
relevantaangemerkt worden om individueel rendement te belasten, waardoor de gemiddeldenbox 3 vanaf 2017 als
inkomstenbelasting tot systeem verheven willekeur is.
2016? Box 3 had bij invoering in 2001 een principieel ander karakter als gematigde belasting op een voor iedereen - zelfs op Staatsobligaties (destijds 6% rente) –
risicolooshaalbaar
nettorendement van 4% van het nettovermogen. Niemand hoefde onder de 4% te zitten, behalve bij verliezen, maar die waren dan een gevolg van eigen keuzen voor risico’s. 4% was een reëel bodemforfait, ruim beneden het gemiddelde. Er waren toen vrijwel geen onder-de-vierprocenters, die dus ook niet voor de boven-de-vierporcenters betaalden. Na de kredietcrisis werd alles anders. Het gemiddelde rendement daalde en volgens de Staatssecretaris ‘benaderde’ het in 2016 de 4% nog slechts. Anders dan onder het nieuwe box 3 regime was het onder het oude regime geenszins de
bedoelingdat een even grote groep (50%) (veel) te veel betaalde als er een groep was (50%) die (veel) te weinig betaalde en vóór de kredietcrisis was dat ook feitelijk geenszins het geval. Maar in 2016 was dat
feitelijkinmiddels wél het geval en was de rendementsspreiding
tussende vermogenstitels significant toegenomen; op risicoloze vermogenstitels was (en is) geen enkele eer meer te halen, terwijl bijvoorbeeld koopwoningen moeilijk bij te benen waren (en zijn). Feitelijk
washet in 2016 dus eigenlijk ook al zover als het in 2017 principieel en formeelwettelijk
werd. Het voornaamste verschil met 2017 is dat de lijntjes in de bovenste figuur in 1.10 hierboven in 2016 niet geknikt, maar ononderbroken horizontaal liepen. Een wetgever die dat dan bewust zo laat, had dan mijns inziens ook in de jaren vóór 2017 al de
bedoelingom spaarders en risicomijders (vergaand) te overbelasten om het fiscale privilege van de bovengemiddelden te financieren.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2019/161 c.a. [3] en voor 2015 in HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1108 , [4] in al welke jaren het wettelijk veronderstelde voordeel uit sparen en beleggen eveneens 4% van het netto vermogen bedroeg, en dus ook niet om in te grijpen. De belanghebbende heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat zij door box 3 2016 individueel zwaarder is getroffen dan andere belastingplichtigen “in een vergelijkbare financiële situatie met vergelijkbaar samengestelde vermogens met eenzelfde omvang.”
BNB2019/161 over box 3 2013 en 2014 (zie 5.31 hieronder) en 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1108 over box 3 2015 dat een stelselmatige schending van het EVRM een rechtstekort produceert waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken die volgens HR
BNB2018/144, [5] r.o. 2.5.1, niet voldoende duidelijk uit het wettelijke stelsel zijn af te leiden. Dan past de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid bij het voorzien in zo’n rechtstekort op stelselniveau. De belanghebbende heeft volgens de Rechtbank tenslotte ook voor 2017 niet aannemelijk gemaakt dat zij door box 3 individueel zwaarder is getroffen dan andere belastingplichtigen in een vergelijkbare financiële situatie met vergelijkbaar samengestelde vermogens van vergelijkbare omvang.
BNB2019/161, [8] inhoudende dat voor 2013 en 2014 het door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% niet meer haalbaar was zonder (veel) risico te nemen. Het Hof ziet geen reden om te veronderstellen dat dit anders was in 2016. Maar ook als het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement zelfs lager zou zijn dan de effectieve nominale belasting ad 1,2% van het netto vermogen, kan de rechter het daardoor ontstane rechtstekort niet repareren op stelselniveau. Hij kan alleen ingrijpen op individueel niveau, als de belastingplichtige door de box 3 heffing wordt onderworpen aan een individuele en buitensporige last. Daarvan acht het Hof geen sprake, gelet op belanghebbendes box 1 inkomen, haar bezit van een eigen woning zonder hypotheekschuld en de opbrengst van haar vermogen. Het Hof heeft het beroep 2016 ongegrond verklaard.
NTFR2020/2189) becommentarieerde de Hofuitspraak als volgt.
3.Het geding in cassatie
unlawfulomdat alle belastingplichtigen worden aangeslagen naar dezelfde gemiddelde vermogensmix volgend uit aangiften van 5 jaar geleden, die veel te weinig
preciseis om een individuele heffingsgrondslag op te baseren; en
lawfulis omdat hij veel te onnauwkeurig is (onvoldoende
precise). Box 3 2017 koppelt aan een vermogen met omvang X een vaste vermogensmix Y, die een soort van gemiddelde is van belastinggegevens uit 2012. De spreiding rond dit gemiddelde is groot omdat individuele mixen sterk zullen afwijken van de forfaitaire mix. ’s Hofs suggestie dat empirische gegevens altijd een redelijke grondslag voor veronderstellingen zijn is onjuist. Empirisch is vast te stellen dat de gemiddelde leeftijd van de Nederlander rond de 40 ligt, maar dat zegt helemaal niets over de leeftijd van een willekeurige voorbijganger. De veronderstelde vermogensmix is een slag in de lucht, die voor de belanghebbende niets met haar realiteit te maken heeft. Het is evident onredelijk en onjuist te veronderstellen dat zij in 2017 een rendement van 3,79 procent zou hebben kunnen halen. Zij kon haar vermogensmix immers niet ingrijpend veranderen.
verweermerkt de Staatssecretaris ad klacht (i) op dat de belanghebbende ook in een procedure over de aanslag IB/PVV 2015 al heeft gesteld dat het forfaitair berekende box 3-inkomen niet door haar was ‘genoten’ in de zin van art. 2.3 Wet IB 2001 en dus niet zou kunnen worden belast. Het Hof heeft die stelling verworpen bij uitspraak van 9 november 2018 [14] en belanghebbendes daartegen ingestelde cassatieberoep is bij arrest van 5 juli 2019 [15] ongegrond verklaard met toepassing van art. 81 RO Pro en verwijzing naar de arresten van 14 juni 2019. [16]
4.De wet en diens parlementaire geschiedenis
2017, nu het ook mij niet waarschijnlijk lijkt dat u ter zake van box 3
2016, die qua stelsel gelijk was aan box 3 2013, 2014 en 2015, anders zou oordelen dan ter zake van box 3 2013, 2014 en 2015 voor wat betreft schending van het eigendomsrecht en de remedie daarvoor.
preciseis om aan het
lawfulness-vereiste te voldoen.
gemiddelddoor box 3-plichtigen behaalde rendement dan het tot die datum veronderstelde uniforme 4%-rendement, zulks zonder aan uitvoeringsgemak in te boeten en zonder het ontwijkingsrisico te vergroten. De MvT vermeldt daarover: [21]
gemiddeldin de markt behaalde rendementen, al werd de berekening van de box 3 belasting complexer. [25]
inkomsten.
aantrekkelijkkan zijn’ om belast te worden naar zijn inkomsten en dat dat niet de bedoeling is.
5.Box 3 2017 en het eigendomsgrondrecht (art. 1 Protocol Pro I EVRM) – middel (iii)
2016kan zien, nu ‘het ontwerpdomein’ van een risicoloos of risico-arm haalbaar bodemforfait in
2017juist principieel is verlaten en sindsdien alle box 3-plichtigen geacht worden hetzelfde, nl. het gemiddelde, risico te nemen bij dezelfde omvang van vermogen. Het gaat hieronder dus alleen nog over middel (iii) (eigendoms-grondrecht) en middel (iv) (discriminatieverbod). Dit onderdeel 5 toetst de verenigbaarheid van box 3 2017 met het eigendomsgrondrecht en in onderdeel 6 waag ik mij aan een statistische analyse van de gelijkheidsbeginselaspecten van box 3 na diens fundamentele wijziging in 2017, waarbij het uitgangspunt van een risicoloos haalbaar bodemforfait werd opgegeven en voor alle box 3-plichtigen als identieke heffingsmaatstaf werd ingevoerd het gemiddelde rendement over een gemiddelde vermogenssamenstelling.
Protection of property
fair balancetussen de (mate van) eigendomsaantasting en het doel van die aantasting. Die proportionaliteitsbeoordeling is de vierde en laatste stap in de toetsing van nationale eigendomsaantastende maatregelen aan art. 1 Protocol Pro I EVRM. De eerste drie stappen leveren mijns inziens geen gezichtspunten op:
possessionszoals bedoeld in art. 1 Protocol Pro I. Volgens het EHRM is een aantasting van eigendom overigens inherent aan elke belastingheffing. [33]
lawfulin de zin die het EHRM in dit verband aan die term geeft. De belanghebbende acht box 3 niet
lawfulomdat hij onvoldoende
preciseis, maar zij bedoelt daarmee, blijkens haar toelichting op middel (iv), dat de spreiding rond het gemiddelde veel te groot is om individuele heffing op te baseren, en dat is een andere discussie dan over
lawfulnessin deze context, namelijk over identieke behandeling van significant ongelijke gevallen, dus over het discriminatieverbod (daarover onderdeel 6 hieronder) of over gebrek aan
fair balance.
legitimate aim, namelijk financiering van collectieve uitgaven in het algemeen belang, zulks ten laste van personen met netto vermogen en naar een grondslag die het uitvoeringsgemak van de belastingadministratie en een stabiele (‘robuuste’) belastingopbrengst dient doordat die administratie zich niet hoeft te verdiepen in individuele inkomsten, maar kan heffen op basis van ‘macrogegevens’ van vijf respectievelijk twee jaar geleden. Die doelen zijn op zichzelf in het kader van het eigendomsrecht niet
devoid of reasonable foundationen de wetgever kon hen daarom in het algemeen belang achten.
fair balancetussen het
legitimate aimvan de regeling en de eigendomsaantasting die er het gevolg van is,
i.e.de gevolgen voor de belanghebbende. Voor zover de box 3-heffing, die door de wetgever expliciet en consequent als
inkomstenbelasting werd en wordt aangemerkt, betaald kan worden uit de inkomsten uit het vermogen, gaat het mijns inziens om een regulering van eigendom waarbij de Staat een
wide margin of appreciationheeft en het EHRM daarom in beginsel niet ingrijpt tenzij justitiabelen een
unreasonable and exccessive burdenkrijgen opgelegd. [34] Voor zover die belasting
nietkan worden betaald uit de inkomsten uit vermogen, wordt dat vermogen aangetast. Het is onduidelijk of het EHRM dat nog als regulering of als een ontneming van eigendom beschouwt. Bij ontnemingen is het EHRM strenger in zijn proportionaliteitstoets, maar in zijn belastingrechtspraak heb ik geen duidelijk criterium kunnen vinden omdat in het enige geval waarin zo’n fiscale ontneming van vermogen werd gesteld (
Imbert de Trémiolles; zie 5.34 hieronder), [35] die ontneming feitelijk niet kon worden vastgesteld (het vermogen was elk jaar betekenend gegroeid) en de gezamenlijke inkomstenbelasting plus vermogensbelasting gemaximeerd was op 85% van het netto-inkomen. Die zaak suggereert wel dat het EHRM een vermogensaantastende vermogensrendementsheffing aanvaard voor zover de totale inkomsten- en vermogens-belasting voldoende over laat van het netto inkomen.
BNB 2020/141 (http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D41C9C&cpid=WKNL-LTR-Nav2)(zie 5.32 hieronder) volgt dat de rechter belastingplichtigen in het kader van het eigendomsgrondrecht niet beschermt tegen systemische schending van de
fair balancedoor box 3 omdat die bescherming op stelselniveau politieke keuzes vergt die niet aan de rechter, maar aan de wetgever zijn. Daarmee is het eigendomsgrondrecht op stelselniveau betekenisloos voor de eigendomsgerechtigde, maar dat hoeft geen bezwaar te zijn als diens eigendomsgrondrecht door de rechter op individueel niveau wordt beschermd.
i.e.de feitenrechter – biedt volgens u die individuele rechtsbescherming, namelijk als de box 3 heffing in een concreet geval de belastingplichtige een
excessive burdenoplegt. Zoals uiteengezet in de conclusie van vandaag in de zaak met nr. 20/03092, meen ik dat de feitenrechter de vraag of box 3 2017 in concreto het eigendomsrecht van de hem adiërende justitiabele schendt ook en volledig kan beantwoorden zonder box 3 eerst systemisch op zijn grondrechtelijke aanvaardbaarheid te beoordelen. U vergelijke ook de uiteenzetting van Pauwels in 5.25 hieronder. Voor een onverbindendverklaring van box 3 2017 bestaat ook geen aanleiding jegens de vele box 3-plichtigen voor wie box 3 géén
excessive burdenbetekent, maar eerder een pretbox is, zoals de verhuurders in coronatijd van hun vakantiehuisjes met een in verhouding tot de verhuurinkomsten zeer lage WOZ-waarde. Anders dan spaarders, zullen die geenszins klagen over box 3. Er is geen enkele reden om dergelijke geprivilegieerden (de bovengemiddelden) nog verder te privilegiëren door de box 3 heffing ook bij hen achterwege te laten als die heffing de grondrechten van ondergemiddelden schendt. Voor een
onverbindendverklaringbestaat dus geen aanleiding, maar alleen voor
buiten toepassing latenof ander rechtsherstel bij de excessief belasten.
eigendomsgrondrechtop stelselniveau kan in een individuele procedure dus gemist worden, zowel indien op individueel niveau dat grondrecht
nietis geschonden (gemiddelden en geprivilegieerden), als wanneer het op individueel wél is geschonden (excessief getroffenen), want in het eerste geval bestaat uiteraard geen aanleiding tot ingrijpen en in het laatste geval kan en moet de rechter die schending op individueel niveau wegnemen door de wet in dat geval buiten toepassing te laten ex art. 93 en Pro 94 Grondwet. Anders gezegd: de individuele belastingplichtige wordt geen rechtsbescherming onthouden als hij voor wat betreft het eigendomsrecht de stelselvraag niet
free standing, dus los van zijn eigen geval, aan de orde kan stellen. Het EVRM eist geen
free standing actiontegen wetten, maar individuele rechtsbescherming. Die is er mijns inziens, althans
procedureel. U zie nader de onderdelen 8.29 e.v. van de conclusie van vandaag in de zaak 20/03092. Of u ook
materieelgenoeg rechtsbescherming biedt, is een andere vraag.
BNB2019/161 (massaal bezwaar box 3 2015; zie 5.31 hieronder) en HR
BNB2018/137 [36] (onteigening SNS-aandelen) leren (i) dat de feitenrechter op individueel niveau een met art. 1 Protocol Pro I onverenigbare
excessivelast niet mag aannemen - ook niet als het effectieve tarief hoger blijkt dan 100% en daarmee spaargeld afneemt - als de getroffene, zoals onze belanghebbende, naast haar spaargeld nog een bescheiden woonhuis en een - reeds in box 1 belaste - AOW-uitkering heeft, en (ii) dat u een dergelijke spaargeldontneming slechts dan ‘individueel’ en ‘buitensporig’ acht als de getroffene ‘sterker dan in het algemeen’ benadeeld wordt.
i.e.een effectief tarief van 861% van het nominale bruto-vermogensrendement, [37] zal immers meestal ook nog wel enig reeds in box 1 belast inkomen hebben, al is het maar AOW, zoals onze belanghebbende. U gaat er kennelijk van uit dat de rechter de formele wet pas buiten toepassing kan laten als het eigendomsrecht van de belastingplichtige zodanig wordt geschonden dat de belasting “fundamentally undermined his financial situation” [38] of de totale belasting in de boxen 1, 2 en 3 gezamenlijk een bepaald (excessief) percentage van het totale netto-inkomen overschrijdt, bijvoorbeeld meer dan de 85% die in de zaak
Imbert de Trémiolles(zie onderdeel 5.34 hieronder) aan de orde was, maar in die zaak niet overschreden bleek.
NJ2002/469 [39] van uw eerste kamer. In die zaak eisten varkenshouders schadevergoeding van de Staat na een formeel-wettelijke korting op hun varkensrechten. Het Hof had de vraag of daarbij een
fair balancewas gerespecteerd voor alle varkenshouders bevestigend beantwoord op basis van de abstracte overweging dat het niet onredelijk was dat de varkensbranche zelf - in plaats van de gemeenschap - de gevolgen droeg van de op haar toegesneden maatregelen tot beperking van de door haar veroorzaakte milieuschade, zonder naar de individuele gevolgen per varkenshouder te kijken. Uw eerste kamer casseerde, overwegende:
égalité devant les charges publics.
alleof zeer vele kansspelautomatenexploitanten (zie HR
BNB 2014/219 (http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C7D380&cpid=WKNL-LTR-Nav2) [40] en HR
BNB 2017/115 (http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00CE05E5&cpid=WKNL-LTR-Nav2) [41] ) excessief getroffen worden door de vervanging van de omzetbelasting door de kansspelbelasting, of als
alleof zeer vele varkenshouders excessief worden getroffen door de varkensrechtenkorting, of als
allespaarders excessief worden getroffen door box 3 (effectief tarief hoger dan 1,2%; zie HR BNB 2019/161 hieronder in 5.31), is de maatregel op stelselniveau niet aanvaardbaar. Maar in al de zaken waarin u de ‘sterker dan in het algemeen’-voorwaarde stelde, achtte u het stelsel wél aanvaardbaar, hetgeen impliceert dat er op individueel méér mis moest zijn dan op stelselniveau (dan ‘in het algemeen’). Een lastig puntje bij deze op zichzelf hout snijdende benadering in het kader van box 3 is dat u er tot nu toe voor heeft gekozen om
nietvast te stellen of de (oude) box 3 (tot en met 2016) op stelselniveau al dan niet deugde en om op dat niveau geen bescherming te bieden, al heeft u wel aangegeven dat een effectief tarief van 100% of meer van het
gemiddelde risico-armevermogensrendement onder dat oude box 3-regime een schending op stelselniveau zou inhouden.
risico-armrendement losgelaten, evenals zijn toepassing van een ‘bodemforfait’ op die basis. Hij heeft box 3 fundamenteel gewijzigd. Sinds 2017 acht hij niet langer een bodemforfait met weinig risico bereikbaar, maar acht hij voor alle box-3-plichtigen het
gemiddelderendement bij de
gemiddeldevermogenssamenstelling haalbaar, althans benaderbaar. Hij belast sinds 2017 immers alle box 3-plichtigen alsof hun risico, vermogenssamenstelling én rendement gelijk zijn aan het
gemiddelderisico, vermogenssamenstelling en rendement.
individual and excessive burdenhoeft niet
individualte zijn in de betekenis dat van een eigendomsrechtschending géén sprake zou zijn als (bijna) alle of zeer vele eigenaren getroffen zouden worden, bijvoorbeeld bij een formeel-wettelijke vermogensbelasting die ieders vermogen halveert. Volgens Gerards [42] is de ‘
individualand excessive burden’-toets van het EHRM dan ook een verschijningsvorm van de ruimere
fair balancetest en is geenszins vereist dat de
excessive burdensteeds
individualzou zijn. Raakt een maatregel slechts een individu of een kleine groep personen, dan is dat relevant voor de vraag naar mogelijke buitensporigheid, maar geenszins vereist is dat slechts een individu of kleine groep personen getroffen wordt om van een schending van de
fair balancete kunnen spreken. Ook als de eigendomsrechten van een zeer grote groep worden aangetast, kan art. 1 Protocol Pro I heel wel geschonden zijn. Zij noemt vijf EHRM-arresten, waarvan twee
Grand Chamberzaken, als voorbeelden van ‘many cases’ waarin ‘the actual ‘excessiveness’ of the disadvantage is decisive for the Court’s findings’ en zij constateert dat ‘the Court therefore often speaks of a ‘disproportionate and excessive burden’ test, leaving out the ‘individual burden’ aspect’:
excessiveals alle andere spaarders die
excessiveworden getroffen.
fair balancetest ’s Hofs uitgangspunt in fiscale zaken een individuele toetsing van het concrete geval is omdat het meestal gaat om discretionaire handelingen, zoals invorderingsmaatregelen of weigering van belastingteruggaven, maar dat als in wezen de wet zelf ter discussie staat, zoals in de belastingzaak
N.K.M. v. Hungaryen in
pilotprocedures, het EHRM de (algemene effecten van de) wet
de factoabstract toetst aan het eigendomsgrondrecht, waarbij de maatstaf is of de door de wet opgelegde last voor alle daaraan onderworpen personen
excessiveis:
P. Plaisier B.V. v. the Netherlands; PJW] maak ik op dat als een aantasting van eigendom het gevolg is van de toepassing van dwingende (geen beleidsvrijheid latende) generieke belastingwetgeving, het EHRM abstraheert van de omstandigheden van het geval en (impliciet) de regel toetst. De maatstaf blijft echter of de belastingwetgeving een “individual and excessive burden” legt op (al dan niet alle aan die wetgeving onderworpen) belastingplichtigen. Dat is alleen anders als het EHRM de zogenoemde pilot-judgement procedure toepast. [57] De pilot-judgement procedure kan worden toegepast bij “the existence of a structural or systemic problem or other similar dysfunction which has given rise or may give rise to similar applications.” [58] Het Hof zal dan arrest wijzen in één zaak (een proefprocedure als het ware), waarin hij de gesignaleerde structurele of systemische problemen beoordeelt en eventueel beslist dat er maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat grondrechten worden geschonden. Het is dan aan de lidstaat om te bepalen welke maatregelen genomen worden om het gesignaleerde probleem op te lossen. [59] De door de lidstaat ingevoerde reparatiewetgeving kan dan weer ter beoordeling aan het EHRM worden voorgelegd. [60]
fair balanceis gerespecteerd, de wetgeving zó zijn vormgegeven dat de
fair balancecollectief wordt geschonden doordat buitensporige lasten worden opgelegd aan alle wetsadressaten.
fair balancetoets eist dat zowel op regelgevingsniveau als op individueel niveau een redelijke verhouding tussen doel en middel bestaat, waarbij alleen op regelgevingsniveau een
wide margin of appreciationbestaat. Op individueel niveau mag de fiscale rechtsregel geen buitensporige last veroorzaken; op dat niveau kan de rechter de wetgever geen ruime beoordelingsmarge geven. Ook als op regelgevingsniveau een
fair balancebestaat, schendt een fiscale rechtsregel die
balanceals in de specifieke omstandigheden van het geval de individu een disproportionele last moet dragen. Maar een fiscale rechtsregel kan ook zo onevenwichtig zijn dat art. 1 Protocol Pro I op regelgevingsniveau is geschonden. De rechtsregel legt dan op collectief niveau een buitensporige last op, en daarmee bij elke individu die onder de regel valt.
fair balance-toets: [73]
FED2017/119. Volgens hem moet uw tweefasen-
fair balance-toets begrepen worden in het licht van uw grondwettelijke positie en uw rol als cassatierechter en leidt uw toets in het algemeen niet tot een andere uitkomst dan de enkelvoudige overkoepelende toets van het EHRM. Sterker nog: hij kan zich niet voorstellen dat het EHRM, gegeven diens
margin of appreciationdoctrine, niet evenzeer eerst de regelgeving
in abstractoen de daarbij gemaakte afweging beziet en pas daarna de eventuele bijzondere individuele aspecten van de zaak:
alleenomstandigheden die reeds bij de eerste fase – de toets op wetgevingsniveau – in aanmerking zijn genomen. Anders zou immers niet aan de tweede fase zijn toegekomen. Bij de individuele toets in het kader van de tweefasentoets kan dus als uitgangspunt alleen tot een ‘individual and excessive burden’ worden geconcludeerd indien er bijkomende (bijzondere) individuele omstandigheden zijn. Anders verwoord: om bij die individuele toets tot een ‘individual and excessive burden’ te kunnen concluderen zijn bijkomende (bijzondere) individuele omstandigheden een noodzakelijke maar niet zonder meer een voldoende voorwaarde.
alsbij de tweefasentoets aan de tweede fase wordt toegekomen, de tweefasentoets uiteindelijk niet principieel afwijkt van de wijze van toetsing door het EHRM. De verzameling in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden is als uitgangspunt niet anders. Dat neemt niet weg dat het zou kunnen dat het EHRM in een individueel geval tot een ander oordeel komt dan de nationale rechter is gekomen. Maar dat zou dan niet zozeer te maken hebben met een verschil in methodiek als wel met een verschil in waardering of selectie van de feiten en omstandigheden in dat geval.
art. 1 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/idf6f4070d01ae5d4b38352cef55fdc4d2)Eerste protocol EVRM wordt geoordeeld. [81] Dit betekent dus dat in dat geval
geenoverkoepelende toets plaatsvindt.”
BNB2016/177 betrof box 3 2011. U overwoog over dat van de inkomsten van de belastingplichtige abstraherende en op een risico-arm bodemforfait gebaseerde stelsel als volgt: [82]
geëistdat hij een forfaitaire
inkomstenbelasting zo vormgeeft dat daarmee de
inkomsten wordenbenaderd, niet slechts aldus dat zou
‘worden beoogd’die te benaderen. Als het verklaarde doel (inkomsten benaderen) structureel bij grote groepen niet wordt bereikt en daardoor structureel grote groepen belastingplichtigen overbelast, dus excessief belast worden, lijkt mij grondrechtelijk niet relevant de stelling van de belastingwetgever dat iets anders ‘wordt beoogd’, dus kennelijk iets hypothetisch’. De Staat kan zich mijns inziens bij een
de factoontneming van spaargelden van een omvangrijke groep spaarders niet aan zijn verplichtingen ex art. 1 Protocol Pro I EVRM onttrekken met de stelling dat die
de factoonteigening niet zou zijn beoogd. Heel relevant voor box 3 2017 e.v. is dit overigens niet meer, nu de wetgever sinds 2017 beoogt om een individuele inkomstenbelasting te heffen op basis van een heffingsmaatstaf die voor ieder het
gemiddelderendement op
allevermogenstitels benadert, hetgeen per definitie (van de term ‘gemiddelde’) betekent dat hij sindsdien beoogt ondergemiddelden te laten betalen voor bovengemiddelden. U zie onderdeel 6 hieronder.
BNB2015/174 [83] (leegwaarderatio) achtte u in de context van box 3 een waarderings-forfait voor huurbeschermde huurwoningen zonder tegenbewijsmogelijkheid onverbindend als het meer dan 10% van de werkelijke waarde afweek:
artikel 5.20, lid3, Wet IB 2001 niet voor ogen kan hebben gehad, moet die uitwerking buiten toepassing blijven omdat dan de door de wetgever gedelegeerde bevoegdheid is overschreden.
WEV (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id71f37b3b215d37c0ddc3fc72ee60db38)als uitgangspunt dient voor de bepaling van een forfaitair rendement van vier percent en ook (ii) dat de WOZ-waarde naar de daarvoor geldende WOZ-waardepeildatum wordt berekend. Ter correctie van deze WOZ-waarde wordt voor de bepaling van de waarde van verhuurde woningen vervolgens nogmaals een forfait toegepast. Aldus is sprake van een stapeling van forfaits. In een geval waarin vast komt te staan dat de uit die stapeling voortvloeiende waardering van verhuurde woningen in betekenende mate, dat wil zeggen voor 10 percent of meer, hoger is dan de werkelijke waarde daarvan, wordt niet voldaan aan de doelstelling van de wetgever, te weten: correctie van de WOZ-waarde opdat rekening wordt gehouden met de waardedrukkende werking van de verhuur. Voor een zodanig geval voldoet de regeling van
artikel 17a (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id0a9e89d1affcf8c6d39ddf7a5a3681d8)UBIB 2001 niet aan de opdracht die de wetgever met de delegatiebepaling van
artikel 5.20, lid3, Wet IB 2001 heeft verstrekt aan de besluitgever. Het genoemde artikel 17a moet dan wegens overschrijding van de aan de besluitgever gedelegeerde bevoegdheid buiten toepassing blijven. Dit heeft tot gevolg dat voor de toepassing van artikel 5.20, lid 3, Wet IB 2001 met de waardedruk als gevolg van verhuur van een woning rekening wordt gehouden volgens de hoofdregels van box 3, namelijk door uit te gaan van de werkelijke WEV van de verhuurde woning op de WOZ-waardepeildatum.
artikel 17a (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id0a9e89d1affcf8c6d39ddf7a5a3681d8)UBIB 2001 in zijn geval beroept, mag worden verlangd dat hij stelt en in geval van gemotiveerde betwisting door de Inspecteur ook aannemelijk maakt dat de waarde die voortvloeit uit de toepassing van artikel 17a UBIB 2001 in betekenende mate hoger is dan de werkelijke
WEV (https://www.navigator.nl/document/openCitation/id71f37b3b215d37c0ddc3fc72ee60db38)van de woning in verhuurde staat op de WOZ-waardepeildatum.”
BNB2021/34 [84] (fooienforfait casino’s Sint-Maarten) stond een op fictieve boekingen betrapte werkgever een tegenbewijsmogelijkheid ter beschikking om een fooienforfait te ontkrachten. U achtte echter zelfs die tegenbewijsmogelijkheid niet voldoende om het forfait (10% van de omzet van een casino met Amerikaanse bezoekers) overeind te houden omdat onvoldoende gewaarborgd, althans onderzocht zou zijn dat het forfait het werkelijke fooienbedrag dicht benaderde, hoewel de belanghebbende wettelijk verplicht was om de fooien te administreren maar dat bleef verzuimen, ook na eerdere betrapping en een beterschapstoezegging aan de inspecteur, en fictieve bedragen in haar boekhouding had opgenomen. U keurde het – mijns inziens onder die omstandigheden alleszins redelijke fooienforfait - af omdat meer onderzoek naar de werkelijkheidsbenaderende kwaliteit van het forfait had moeten worden gedaan:
Fierensmarge-arrest HR
BNB2010/335 [85] heeft u een - bij box 3 2017 vergeleken - nauwelijks van de werkelijkheid afwijkende regel op het niveau van de formele wetgever onverenigbaar verklaard met het EVRM:
rechtsmiddelentegen een fictie en het uitsluiten van
tegenbewijstegen een fictie. De WOZ-waardering werd binnen een kleine marge geacht juist te zijn, ongeacht de werkelijkheid. In box 3 2017 wordt het gemiddelde rendement zonder tegenbewijsmogelijkheid én zonder beperkende marge geacht vermogensinkomsten van burgers te belasten ongeacht een volstrekt andere werkelijkheid. Als de formeel-wettelijke onmogelijkheid van effectieve bestrijding van een bewuste WOZ-waarderingsonjuistheid van € 4.000 (slechts 4% van de waarde) al een “onrechtmatige aantasting van het recht op ongestoord genot van eigendom [is, die] niet [kan] worden aanvaard op grond van het (…) streven van de wetgever om de werklast voor de gemeenten en de rechter in belastingzaken te verminderen”, lijkt het mij lastig uitleggen aan box 3-plichtigen hoe het ontbreken van elke mogelijkheid tot effectief verweer tegen een formeelwettelijke stapeling van twee ficties (elke belastingplichtige heeft de gemiddelde vermogenssamenstelling en behaalt daarmee het gemiddelde rendement), die tot honderden procenten afwijking van de werkelijke inkomsten ten nadele van de belastingplichtige kan leiden, géén “onrechtmatige aantasting van het recht op ongestoord genot van eigendom [is, die] niet [kan] worden aanvaard op grond van het (…) streven van de wetgever om de werklast voor de [belastingdienst] en de rechter in belastingzaken te verminderen.”
BNB2019/161 [86] betrof de massaal-bezwaarprocedure tegen de oude box 3 in de jaren 2013 en 2014. U achtte die regeling op stelselniveau in strijd met het eigendomsgrondrecht (zie r.o. 2.10.2) voor zover zij
gemiddeldmeer dan 100% van het risico-arme vermogensrendement zou wegbelasten (dus
gemiddeldhet spaargeld zou aantasten), waarbij u zowel de inflatie als het heffingsvrije vermogen buiten beschouwing liet, maar u greep niet in omdat u
nietvaststelde
ofde oude box 3 inderdaad aan het door u gestelde schendingscriterium (100%-tarief) voldeed en omdat u hoe dan ook ingrijpen op stelselniveau niet aan de rechter maar aan de politiek achtte:
N.K.M. v. Hungary, [87] of ook box 1 moet meetellen als daar alleen maar een mager pensioentje in zit waarvan de belastingplichtige nauwelijks kan leven, zoals in de zaak van onze belanghebbende.
risico-armhaalbaar minimumrendement (bodemforfait) is verlaten. De heffingsmaatstaf is nu voor alle belastingplichtigen het
overall, op
allevermogenstitels in een wisselende periode in het verleden door
allebelastingplichtigen
gemiddeld(niet haal
bare, maar) behaalde rendement op een
gemiddeldsamengesteld vermogen, dus iedereen met
gemiddeldhetzelfde risico. In box 3 worden sinds 2017 alle box 3-plichtigen belast alsof hun risico, vermogenssamenstelling en rendement identiek zijn aan het gemiddelde risico, vermogenssamenstelling en rendement.
BNB 2020/141 (http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00D41C9C&cpid=WKNL-LTR-Nav2), [88] de opvolgende massaal-bezwaarprocedure over box 3 2015. Ook in die procedure werd als rechtsvraag alleen de verenigbaarheid met het eigendomsgrondrecht (en van het recht op effectieve rechtsbescherming door de rechter) aan de orde gesteld. Nader werd daarbij aangevoerd dat u in de eerdere massaal-bezwaarprocedure had moeten vaststellen of het zonder (veel) risico’s nominaal haalbare rendement in 2013 en 2014 daadwerkelijk lager lag dan 1,2 procent en dat door dat na te laten, u ten onrechte geen rechtsbescherming bood tegen de schending van het eigendomsrecht die daarvan het gevolg zou zijn. Ook werd aangevoerd dat u ten onrechte bij de beoordeling van de
individuelelast van belastingplichtigen ook buiten box 3 keek, dus een buitensporige box 3-last compensabel achtte met reeds belast box 1 inkomen. U bleef echter bij HR
BNB2019/161:
Imbert de Trémiolles [91] aanvaardde het EHRM een Franse vermogensbelasting die – tezamen met de inkomstenbelasting - was gemaximeerd op 85% van het netto belastbaar inkomen als liggend binnen de
marge d’appréciationvan Frankrijk. De klagers wilden ook de Franse woon- en grondbelastingen meetellen voor de vraag of 85% van het belastbare inkomen was overschreden, maar met de Franse autoriteiten meende het EHRM dat die niet meetelden omdat die niet naar het inkomen werden geheven, en dan was het heffingsmaximum niet overschreden. Bovendien waren de klagers, anders dan zij stelden, niet armer geworden, maar elk jaar juist betekenend vermogender, zodat het om een non-zaak ging, maar er valt uit op te maken dat het EHRM een vermogensaantastende vermogensbelasting aanvaardbaar acht mits er ná inkomsten- en vermogensbelasting tezamen voldoende van het jaarlijkse inkomen overblijft om als echtpaar van te leven en daarmee in dit geval een 85%-regel aanvaardde. Liechtenstein, dat als enige andere land dan Nederland een box 3 heeft (met een fictief rendement van 4%), heeft een 28%-regeling. Nederland had onder het oude regime, van vóór 2001, een 68%-regel. Het EHRM overwoog:
BNB2019/161 (zie 5.32) gestelde criterium voor constatering dat box 3 het eigendomsrecht op stelselniveau schendt (“het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 is lager dan 1,2 procent”) naar box 3 2017 en naar belanghebbendes vermogensomvang: “het gemiddeld op een vermogen van de omvang van belanghebbendes vermogen haalbare rendement is, uitgaande van de wettelijk veronderstelde vermogenssamenstelling, in 2017 lager dan (30% * 3,79% =) 1,14%.”
gehelevermogen belast (niet slechts, zoals vóór 2017, geacht wordt het gemiddelde
risicolozerendement te belasten), wordt aan dit
gemiddelden-criterium per definitie niet voldaan: het gemiddelde
overallrendement benadert immers de 4% en overigens is het gemiddelde
nooitlager dan het gemiddelde. Het CPB zal met de vraag om dit na te gaan denkelijk bepaald minder moeite hebben dan met de vraag om uw HR
BNB2019/161-criterium voor de jaren
tot2017 na te gaan. [92] Anders gezegd: dit criterium is onder box 3 2017 volmaakt zinloos om de verenigbaarheid ervan met het eigendomsgrondrecht op stelselniveau te beoordelen.
Imbert de Trémiolles(zie onderdeel 5.34 hieronder) aan de orde was. Ik merk op dat
fundamentallyiemands financiële situatie ondermijnen kennelijk niet hetzelfde is als haar een
unreasonable burdenopleggen, nu het EHRM dat onderscheid in onder meer de belastingzaak N
.K.M. v. Hungaryimmers expliciet maakt.
individual and excessive burdenis opgelegd, lijkt te stroken met deze maatstaven en is, gegeven de door het Hof vastgestelde feiten, op basis van die maatstaven niet onbegrijpelijk.
eigendomsgrondrechtomdat de lat daarvoor door u op een hoger ontnemingsniveau wordt gelegd.
discriminatieverboddoet echter niet ter zake of al dan niet sprake is van een buitensporige last of van ontneming, maar alleen of er gediscrimineerd en/of geprivilegieerd wordt zonder (voldoende) rechtvaardiging.
6.Box 3 2017 en het discriminatieverbod – middel (iv)
De een ieder verbindende discriminatieverboden
General prohibition of discrimination
Interdiction générale de la discrimination
Thlimonis v. Greece [96] (
Grand Chamber) betrof een accountant die niet tot het Griekse register werd toegelaten omdat hij strafrechtelijk was veroordeeld. Die veroordeling betrof het feit dat hij, Jehova-getuige, op godsdienstige gronden een militair uniform had geweigerd. Hij had daarvoor zijn strafrechtelijke straf uitgezeten. Het EHRM achtte de registeruitsluiting een schending van het discriminatieverbod in art. 14 EVRM Pro omdat ‘gewone’ strafrechtelijk veroordeelden en deze religieuze overtuigingsdader ondanks hun onvergelijkbaarheid qua
dishonesty or moral turpitudeongerechtvaardigd over één kam werden geschoren. Aan een evenredigheidsbeoordeling kwam de
Grand Chamberniet eens toe, nu deze discriminatie geen
legitimate aimhad en er geen
objective and reasonable justificationvoor bestond (en dus
eo ipsoook
disproportionatewas):
(…) Thlimmenos v. Greece[GC], no.
34369/97 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 44, ECHR 2000-IV).”
individual and excessive burdenvoordoet. Ik citeer één voorbeeld uit vele. In de belastingzaak
Burden v. UKoverwoog de
Grand Chambervan het EHRM: [98]
Guberina v. Croatia [99] betrof een Kroatische vrijstelling van overdrachtsbelasting als een gezin verhuisde van een huis dat niet voldeed aan wettelijk omschreven ‘basic infrastructure and technical accommodation requirements’ naar een huis dat daaraan wél voldeed. Drie jaar nadat zij op een derde verdieping van een appartementengebouw zonder lift waren gaan wonen kreeg het belanghebbende echtpaar een gehandicapt kind dat niet kon traplopen, “making it increasingly difficult, as his son grew, for the applicant and his family to take him out of the flat to see a doctor, or to take him for physiotherapy and to kindergarten or school, and to meet his other social needs.” Zij verhuisden daarom naar een beganegrondhuis. De vrijstelling van overdrachtsbelasting werd echter geweigerd omdat, volgens de fiscus, ‘given the surface area of the flat which the applicant had owned in Zagreb and the existence of infrastructure, such as electricity, water and access to other public utilities, it could not be said that the applicant had not had accommodation meeting the housing needs of his family.’ Het EHRM achtte de weigering van de fiscale vrijstelling echter een discriminatie door ‘a failure to treat differently persons in relevantly different situations’ c.q. door een ‘failure to correct the factual inequality inherent in the applicant’s case’. Hij gaf een uitgebreide uiteenzetting over de toepassing van het discriminatieverbod als verbod op het ongerechtvaardigd over één kam scheren van ongelijke gevallen en paste die – nogal wijdlopig – toe op het concrete geval:
Stec a.o. v. UK [100] gaf de
Grand Chamberde volgende uitgangspunten voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel van art. 14 EVRM Pro (in een geval van ongelijke behandeling van gelijke gevallen):
margin of appreciation“will vary according to the circumstances, the subject matter and the background.”
per definitiestructureel in dezelfde mate (veel) teveel belasting als de bovengemiddelden structureel (veel) te weinig betalen.
procentueelrendement oplevert;
BNB2019/161 op dat “wat een belanghebbende ook zal aandragen, een inspecteur zal daartegenover altijd cijfers kunnen zetten die precies de andere kant op wijzen.” U zie ook het rapport van de Commissie Van Dijkhuizen, [108] die vaststelde dat de benodigde data ontbreken en die dan ook iets anders adviseerde dan hetgeen de wetgever in 2017 heeft ingevoerd.
Fiscaal up to dateconcludeert op basis van de door haar via een WOB-verzoek van Financiën verkregen documenten dat de aan de Tweede Kamer beloofde evaluaties op representativiteit van de gemiddelde rendementen voor jongere jaren “een grote farce is”, dat “het ministerie van Financiën blijkt weg te duiken voor ongunstige uitkomsten van hun eigen rekenmodellen” en dat “het ministerie van Financiën bij deze evaluatie, geheel buiten het parlement om in het najaar 2020, eigenhandig de regels tijdens het spel heeft veranderd.” [110]
in totaal30% werd geheven over
het totalerendement van alle box 3-plichtigen, zoals de medewetgever tot uitgangspunt nam voor box 3 2017 (zie de MvT in 4.5 hierboven: “(…) voor het totale box 3-vermogen (wordt) het tot nu toe gehanteerde forfaitaire rendement van 4% nog dicht benaderd”). Of het gemiddelde integer is berekend of niet, maakt overigens weinig uit voor de onontkoombare conclusie dat belasten naar een verondersteld gemiddelde de ondergemiddelden doet betalen voor de bovengemiddelden. De wetgever heeft gepoogd dat wezen van het stelsel enigszins te verbloemen door – terecht, gezien het hieronder te citeren onderzoek – bij grotere vermogens gemiddeld een hoger rendement te veronderstellen, maar ook al wordt het gemiddelde enigszins gedifferentieerd naar vermogensomvang, het blijft een gemiddelde per vermogensomvangsklasse, en de ondergemiddelden blijven per vermogensklasse voor de bovengemiddelden betalen. Ik merk op dat de ondergemiddelden - per definitie - het gemiddelde nooit kunnen inhalen. Als alle spaarders en andere risicomijders, die de grootste populatie binnen de ondergemiddelden zijn, véél meer risico zouden gaan nemen én daarin succesvol zouden zijn, zou het gemiddelde rendement immers omhoog kruipen en zijn er per definitie toch weer evenveel ondergemiddelden. Bij heffing naar een gemiddeld rendement is overbelasting van de ondergemiddelden en onderbelasting van de bovengemiddelden per definitie onontkoombaar; het is het systeem.
outlyerszouden zijn. U beschouwe de onderstaande voorbeelden van een ‘steile’ en een ‘platte’ (symmetrische) normaalverdeling rond het gemiddelde en stelle u voor dat ‘nul’ op de x-as het gemiddelde is. Zou de wetgever onderzoek gedaan hebben naar de variantie in individuele vermogensrendementen en zou daar uitgekomen zijn dat het om een zeer steile symmetrische normaalverdeling gaat, dus om een (zeer) kleine waarde van tweemaal de standaarddeviatie (95% van de belastingplichtigen zit dan dicht tegen het gemiddelde aan), dus als daar een standaarddeviatie kleiner dan bijvoorbeeld 0,5 uitgekomen zou zijn, dan zou het belasten van iedereen naar het gemiddelde rendement wellicht verdedigbaar zijn. Ook degenen die tweemaal de standaarddeviatie beneden het gemiddelde zitten, zouden nog steeds een positief rendement hebben en na belasting nog steeds iets over kunnen houden (althans nominaal; gezien de inflatie niet steeds ook reëel). Alleen de echte
outlyers(2,5% van de ondergemiddelde gevallen en 2,5% van de bovengemiddelde gevallen) zijn dan een echt probleem uit rechtvaardigheidsoogpunt. Ook dan betalen overigens nog steeds de ondergemiddelden voor de bovengemiddelden, maar het gaat dan om een per belastingplichtige bescheiden bedrag en dat kan wellicht verdedigbaar zijn als het volgend jaar andersom kan zijn.
skewed(scheve) verdeling. Het plaatje hieronder laat zien wat
skewnessdoet met de modus, de mediaan en het gemiddelde:
skewnessen een grotere of kleinere standaarddeviatie van het gemiddelde: alleen de mediaan blijft onveranderd; de modussen en gemiddelden lopen ver uiteen.
skewedverdeling met standaarddeviatie 1.
paper Heterogeneity and persistence in returns to wealth: [111]
Abstractvan het onderzoek van Fagereng e.a. in de belastinggegevens van Noorse belastingplichtigen in de periode 2004-2015 luidt als volgt:
negatief13,8% en positief 20,1% lag (34 punten uit elkaar: 2 x de standaarddeviatie aan beide zijden van het gemiddelde) en dat het vermogensrendement van circa 68% van de belastingplichtigen tussen
negatief5,2% en 12,4% lag (17,6 punten uit elkaar: 1 x de standaarddeviatie van het gemiddelde). 5% van de belastingplichtigen waren nog verdere
outlyers. [113] De bevindingen van Fagereng e.a. wijzen verder uit dat er over de jaren heen weinig grensverkeer is tussen de ondergemiddelden en de bovengemiddelden, zodat de kansen dus niet per jaar keren – integendeel – en dat grotere vermogens – zoals de Nederlandse wetgever terecht veronderstelt – gemiddeld hogere rendementen kunnen halen. Gerritsen en Zoutman (zie voetnoot 123) schrijven daarover:
inkomsten-belasting neemt snel toe naar – al snel – oneindig naarmate men links verder van het gemiddelde raakt, en daalt snel naarmate men rechts verder van het gemiddelde raakt. Zie de grafieken in 6.28 hieronder.
inkomstenbelastingheffing mijns inziens een systemische schending van het discriminatieverbod, dat ook het over één kam scheren verbiedt van gevallen die bezien vanuit het doel van de maatregel (belasten van het vermogensrendement van vermogensbezitters) niet slechts ‘significantly’, maar extreem van elkaar verschillen. Het lijkt mij evident dat dit stelsel als
inkomstenbelasting “fails to treat differently persons whose situations are significantly different.”
inkomstenbelasting naar een gemiddeld inkomen zoals box 3 2017 e.v., is verder cruciaal de bevinding van Faregeng e.a. dat
binnende onderscheiden vermogenstitels (risico-arm, aandelen, onroerend goed, bedrijfsobligaties, etc.) het rendement sterk verschilt tussen huishoudens: ook per vermogenstitel bestaat een grote variantie in rendement. (ii) Het betekent dat ook als elke box 3-plichtige de gemiddelde vermogensmix zou nabootsen (wat feitelijk onmogelijk is), er nog steeds een zeer grote spreiding in rendementen rond het gemiddelde zou bestaan. Het stelsel zou dus ook dan nog de ondergemiddelden (veel) te veel laten betalen om het privilege van de bovengemiddelden te financieren; het zou nog steeds systemisch op individueel niveau onaanvaardbaar discrimineren en privilegiëren. De standaarddeviatie zou weliswaar kleiner zijn, maar voor een
inkomstenbelasting nog steeds onverantwoord groot. Ik herhaal dat dat niet aanvaard zou kunnen worden op de grond dat het volgend jaar andersom zou kunnen zijn, immers:
Professor of Empirical Analysis of Tax and Social Policyaan de Universiteit Leiden, is zo vriendelijk geweest om de Noorse spreidingscijfers toe te passen op het Nederlandse box 3 2017 regime, onder de volgende aannames: (i) de individuele rendementen zijn normaal (symmetrisch) gespreid rond het gemiddelde (geen
skewness); (ii) de Nederlandse spreiding is niet beduidend anders dan de Noorse; en (iii) het gemiddelde Noorse rendement (3,8%) is vergelijkbaar met het Nederlandse, dat volgens de medewetgever immers ook in 2016/2017 nog steeds 4% dicht benaderde (zie 4.5 hierboven). Het desbetreffende reken
fileis als bijlage aan deze conclusie gehecht. Hij heeft die toepassing gevisualiseerd in de onderstaande twee grafieken. De eerste brengt in beeld eenmaal en tweemaal de standaarddeviatie van het gemiddelde rendement en laat dus de bandbreedte van de rendementen zien: van alle box 3-belastingplichtigen (100%) heeft een subgroep van 14% groot geluk door een (veel) hoger dan het gemiddelde rendement, nl. tussen 1 en 2 keer de standaarddeviatie hoger. De subgroep geluksvogels is 34% groot met een rendement dat maximaal 1 x de standaarddeviatie hoger ligt dan het gemiddelde. Van de pechvogels, samen eveneens 50% van alle box 3-plichtigen, heeft een subgroep van 34% pechhebbers een rendement gehaald dat maximaal 1 x de standaarddeviatie lager is dan het gemiddelde rendement. Grote pech is er voor 14% van de belastingplichtigen (28% van het totaal van de pechhebbers) vanwege hun zeer aanzienlijk lager dan gemiddeld rendement, nl. tussen 1 en 2 x de standaarddeviatie lager dan het gemiddelde. De tweede grafiek laat zien voor welke bedragen deze groepen worden over- respectievelijk onderbelast om hen in totaal de gewenste belastingopbrengst over het gemiddelde te laten opbrengen:
inkomstenbelastingheffer met een dergelijk stelsel mijns inziens geen
legitimate aimna. Het wezenlijke doel en effect van het stelsel is dan immers om enerzijds willekeurig vergaand te discrimineren en anderzijds willekeurig vergaand te privilegiëren om de totale populatie de gewenste opbrengst te doen genereren; de individuele rendementen zijn (veel) te gespreid. Zoals bleek uit het Noorse onderzoek: de standaarddeviatie is - vermoedelijk ook in Nederland 2017 – circa 2,26 keer het gemiddelde rendement. Bij een dergelijke enorme standaarddeviatie is een stelsel dat het gemiddelde tot heffingsmaatstaf verheft mijns inziens een volledige ontkenning en daarmee een systemische schending van het discriminatieverbod. Het heeft immers als doel én als effect om zéér significant verschillende
inkomstensituaties dezelfde
inkomstenbelasting op te leggen en daarmee
omhet discriminatieverbod te schenden. Bij een standaarddeviatie van ruim meer dan twee keer het gemiddelde kan dat gemiddelde rendement mijns inziens hoe dan ook niet meer als
relevantaangemerkt worden om individueel rendement te belasten, waardoor box 3 vanaf 2017 als
inkomstenbelasting tot systeem verheven willekeur is.
Thlimonis v. Greece, moet de conclusie dan zijn dat de wetgever
did not pursue a legitimate aim. Zou u daar aan twijfelen, dan ware deze vraag mijns inziens voor te leggen aan het EHRM voor een
advisory opinion.
devoid of meaningmaken.
risicolooshaalbaar
nettorendement van 4% van het nettovermogen. Uitgangspunt was dat er
niemandonder de 4% hoefde te zitten, behalve bij verliezen, maar die waren dan een gevolg van eigen keuzen voor risico’s. 4% was een reëel bodemforfait, ruim beneden het gemiddelde. De wetgever fingeerde evenmin dat iedereen steeds één van drie dezelfde vermogenssamenstellingen zou hebben. Er waren toen vrijwel geen onder-de-vier-procent-risicomijders, die dus ook niet voor de boven-de-vier-prcenters betaalden, al waren de bovengemiddelden ook toen uiteraard beter af. Men kan zeggen dat
iedereentoen te weinig betaalde, sommigen meer te weinig dan anderen, om met George Orwell te spreken. Na de kredietcrisis werd alles anders. Rente op Staatsobligaties en op significante spaarrekeningen bij banken werd uiteindelijk zelfs negatief en inmiddels maakt zelfs de Nederlandsche Bank geen winst meer als gevolg van het ECB-beleid. Het gemiddelde rendement daalde en volgens de Staatssecretaris ‘benaderde’ het in 2016 de 4% nog slechts (zie 4.5 hierboven). In 2017 werd principieel het idee van risicoloze haalbaarheid en van een bodemforfait verlaten en werd expliciet de bedoeling dat iedereen naar het gemiddelde rendement van een gemiddelde vermogensmix werd belast. Iedereen moest hetzelfde risico nemen. Dat gemiddelde, dat toen toen kennelijk iets onder de 4% nominaal lag - wat strookt met de bevindingen van Fagereng e.a. - werd in 2017 iets gedifferentieerd afhankelijk van vermogensomvang, maar het gemiddelde de gemiddelden bleef circa 4% en er is nu dus steeds, per definitie, een grote groep (50%) die (veel) te veel betaalt en een even grote groep (50%) die (veel) te weinig betaalt. Anders dan onder het nieuwe box 3 regime was dat onder het oude regime echter geenszins de
bedoelingen vóór de kredietcrisis was het ook feitelijk geenszins het geval. Maar in 2016 was dat
feitelijkinmiddels wél het geval. Volgens de Staatssecrtaris (zie 4.5 hierboven) én volgens de bevindingen van Fagereng e.a. was het gemiddelde rendement gezakt naar iets onder 4%. De rendementsspreiding
tussende vermogenstitels was verder toegenomen: op risicoloze vermogenstitels was (en is) geen enkele eer te halen, terwijl bijvoorbeeld koopwoningen moeilijk bij te benen waren (en zijn). Een wetgever die dat dan bewust zo laat, had dan mijns inziens ook in de jaren vóór 2017 al de
bedoelingom spaarders en risicomijders (vergaand) te overbelasten om het fiscale privilege van de bovengemiddelden te financieren.
washet in 2016 dus eigenlijk ook al zoals het in 2017 principieel en formeelwettelijk
werd. Het voornaamste verschil met 2017 is dat de lijntjes in de bovenste figuur in 6.28 hierboven in 2016 niet geknikt, maar ongeknikt horizontaal liepen.
heterogeneityin rendement gerechtvaardigd kan worden door de daarvoor door de medewetgever aangevoerde gronden. Die gronden zijn (zie 4.5 hierboven) dat een belasting naar de inkomsten uit vermogen in plaats van naar een gemiddelde:
inkomstenbelasting aanvaard worden op de aangevoerde ambtelijke capaciteitsgronden, dan zou het discriminatieverbod betekenisloos zijn. Bureaucratische problemen zouden een systemische discriminerend en privilegiërend belastingstelsel rechtvaardigen.
anderenationale belastingdiensten dan weer niet. Maar: niet valt in te zien hoe een door de overheid gewenste ‘verdere uitrol’ van een weliswaar héél fijne aangifte-
appsystemisch privilegiërende en discriminerende, zelfs ontnemende inkomstenbelastingheffing zou kunnen rechtvaardigen. Dat lijkt mij een paard veel te ver achter de wagen of het kind met het badwater, etc.. De belasting
diensten de VIA zijn er voor de belastingplichtige; niet andersom. De spaarders en de verlieslijders gaan denkelijk graag even zonder VIA voor hun aangiften zitten als zij daarmee kunnen bewerkstelligen dat zij niet meer aangeslagen worden voor de belasting die de bovengemiddelden te weinig betalen.
ishet gemiddelde. Box 3 is een schoolvoorbeeld van een overheid die de werkelijkheid beschouwt als een hinderlijk complexe weergave van haar model.
elkebelastingheffing noopt tot beheersing van ontwijkingsmogelijkheden. Dat we dáárom niet zouden kunnen beginnen aan een inkomstenbelasting op basis van de inkomsten van de belastingplichtige is een opmerkelijke rechtvaardiging voor box 3 2017, die immers voor de bovengemiddelden in feite een wettelijk geregelde belastingontwijking
is. Uiteráárd wordt er boven het rendementsgemiddelde nauwelijks of niet ontweken. De aldaar vigerende privilegiëring maakt het voor de geprivilegieerden immers overbodig om te ontwijken: dat heeft de wetgever al voor hen geregeld, die de ondergemiddelden voor hen laat betalen. Zoals Albert in 2016 opmerkte: box 3 laat in wezen inkomsten uit vermogen onbelast, want het is een vermogensbelasting (zie 6.44 hieronder). Dit ontwijkingsbeheersingsargument is ook moeilijk te volgen in het licht van de kinderlijke eenvoud waarmee box 3 ontweken kan worden door belastingplichtigen met enig vermogen die geen beleggingsrisico willen of kunnen nemen, bijvoorbeeld omdat zij naast hun AOW geen ander pensioen maar alleen vermogen hebben en hun beleggingshorizon al bereikt of gepasseerd hebben, waardoor zij van hun vermogen moeten leven. Reeds bij enige tonnen spaargeld is de Spaar-BV, dus box 2, de uitkomst. Oprichting van een Spaar-BV wordt op internet door diverse aanbieders aangeboden voor minder dan € 300 en het regelen van de administratieve verplichtingen, inclusief Vpb-aangifte, wordt voor € 400 per jaar aangeboden. De spaarders die daarvan gebruik maken, kan men niet – wat de overheid wel doet - ontwijkers noemen; zij beschermen slechts hun spaargeld tegen ontneming.
alleen maarprivilegieert en discrimineert, moet de Staat
very,veryweightyreasons kunnen aanvoeren.
inkomstenbelasting rechtvaardigen. Box 3 2017 is mijns inziens een systemische schending van het discriminatieverbod, waarvoor ook bij de ruimst denkbare
margin of appreciationgeen rechtvaardiging bestaat in de uitvoeringstechnische moeilijkheden van de belasting die de Staat zegt
eigenlijkte hebben willen heffen: een
inkomstenbelasting. Zou u daar aan twijfelen, dan ware deze vraag mijns inziens voor te leggen aan het EHRM voor een
advisory opinion.
BNB1999/271 [116] betrof een discriminatoire verhoging van het arbeidskostenforfait. U constateerde de discriminatie, maar greep na een uitgebreide afweging van principiële en praktische voors en tegens niet in, maar nodigde de regering wel uit om er voor te zorgen dat Nederland aan zijn Verdragsverplichtingen zou voldoen. Ook in HR
BNB1998/293 [117] constateerde u een discriminatie bij formele wet, dit keer in verband met de ‘aftopping’ van het autokostenforfait. Ook dit keer greep u na constatering van de discriminatie niet zelf in, omdat de mogelijkheden van de rechter om dat te doen slechts tot nieuwe ongelijkheden of een disproportioneel gevolg zouden leiden. Rechtsherstel door de rechter bleek wel mogelijk in HR
BNB1999/122 (grootwagenpark), [118] over een privilegiërende uitzondering voor houders van omvangrijke wagenparken bij de verhoging van de BPM voor bestelwagens naar het tarief voor personenauto’s. Die uitzondering was volgens u een willekeurige bevoordeling van deze groep, in strijd met art. 26 IVBPR Pro en art. 14 EVRM Pro. U paste het lagere tarief ook toe op de gediscrimineerde belanghebbende en daarmee effectief op alle niet-grootwagenparkhouders. HR
BNB2018/144 [119] betrof de verhuurderheffing, die mede-eigenaren willekeurig en onredelijk belastte; u achtte u niet in staat om op stelselniveau in te grijpen, maar u gaf de belanghebbende wel individueel rechtsherstel. In HR
BNB2018/90 [120] oordeelde u dat het verschil in bijstand tussen ongehuwd samenwonenden met zorgbehoefte en samenwonende bloedverwanten met zorgbehoefte het discriminatieverbod schond, maar u liet rechtsherstel weer over aan de wetgever, al stelde u hem wel peremptoir:
BNB2000/306, [121] over een privilegiërende vrijstelling van
goodwillbij de vererving van een eenmanszaak die wél belast werd bij vererving van aandelen in een identieke onderneming, constateerde u een schending van het discriminatieverbod, maar liet u rechtsherstel vooralsnog over aan de wetgever.
inkomstenbelasting op stelselniveau onverenigbaar te verklaren met het discriminatieverbod en het vooralsnog aan de wetgever over te laten om de discriminatie en privilegiëring op te heffen, nu dat op veel manieren kan, bijvoorbeeld door de inkomsten te belasten in plaats van een gemiddelde.
inkomstenbelasting is box 3 2017 een systemische en ongerechtvaardigde ontkenning en schending van het discriminatieverbod, maar
ishij wel een inkomstenbelasting? Er is immers maar één grootheid die de individuele belastinggrondslag volledig bepaalt: de omvang van het netto vermogen. De inkomsten en de individuele omstandigheden zijn expliciet irrelevant verklaard en die worden inderdaad ook duidelijk
nietbelast. Of en zo ja, hoeveel inkomsten en kosten er zijn, is volmaakt irrelevant. Ik meen dat het EHRM daaruit slechts één conclusie kan trekken: box 3 2017 is een (progressieve) vermogensbelasting.
vermogensbelasting is box 3 grondrechtelijk veel beter verdedigbaar, want voor een vermogensbelasting is het individuele netto vermogen hét relevante, objectieve en nondiscriminatoire criterium. Als vermogensbelasting is box 3 2017, anders dan als inkomstenbelasting, niet intrinsiek discriminerend en privilegiërend omdat de doelstelling van een inkomstenbelasting en een vermogensbelasting verschillend zijn en de vraag of een belastingmaatregel discrimineert, beoordeeld moet worden in het licht van doel, strekking en effect van de maatregel. Als box 3 beschouwd wordt als wat het wezenlijk is - een (progressieve) vermogensbelasting - dan is het discriminatieverbod niet meer in geding, maar alleen nog het eigendomsgrondrecht.
Imbert de Trémiolles(zie 5.34 hierboven)?
individual and excessive burdenvoordoet, verraadt immers geen strijd met uw maatstaf daarvoor en is op basis van die maatstaven niet onbegrijpelijk, gezien de door het Hof vastgestelde feiten,.