ECLI:NL:RBNHO:2023:335
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het jaar 2020, vastgesteld op €141.000. De kern van het geschil betrof de juiste objectafbakening van de woning en de onderbouwing van de waarde, waarbij eiser meer inzicht eiste in gebruikte indexcijfers en objectkenmerken. Na taxatie en inspectie is de objectafbakening aangepast, waarbij de inhoud en kaveloppervlakte werden vastgesteld, maar zonder de berging/schuur.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende inzicht heeft gegeven in de waardebepaling via een matrix met vergelijkingsobjecten en dat de gehanteerde waarde in redelijke verhouding staat tot de verkoopprijzen van vergelijkbare woningen. Het verzoek van eiser om aanvullende iWOZ-kaarten en bouwtekeningen werd afgewezen omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de gegevens onjuist waren.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden met circa tien maanden, waardoor eiser recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000. Deze vergoeding wordt verdeeld tussen verweerder (€600) en de Minister van Justitie en Veiligheid (€400). Tevens worden proceskosten en griffierecht aan eiser toegekend, eveneens verdeeld over verweerder en de minister.
De rechtbank wijzigt de objectafbakening in de beschikking van 29 februari 2020, verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt verweerder en de minister tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter T.N. van Rijn op 10 januari 2023 te Haarlem.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, objectafbakening aangepast en immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.