ECLI:NL:RBNHO:2023:4945
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen naheffingsaanslag BPM afgewezen wegens onvoldoende bewijs CO2-uitstoot en waardevermindering
Eiser werd een naheffingsaanslag BPM opgelegd van €17.807 vanwege een hogere vastgestelde CO2-uitstoot en waardering van zijn ingevoerde personenauto, geproduceerd voor de Amerikaanse markt. Eiser voerde aan dat de CO2-uitstoot op basis van de Scandinavische rekenmethode leidt tot een schending van artikel 110 VWEU Pro en dat de auto als product van de Duitse markt moest worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende feiten en bewijs had geleverd om dit aannemelijk te maken.
Daarnaast stelde eiser dat het hertaxatierapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) niet betrouwbaar was wegens vermeende ondeskundigheid en vooringenomenheid, en dat de waardevermindering wegens schade onvoldoende was meegenomen. De rechtbank verwierp deze stellingen, oordeelde dat DRZ als deskundig en onafhankelijk kon worden beschouwd en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd voor de omvang van de schade of een extra waardevermindering.
Ook de door eiser voorgestelde hogere historische nieuwprijs werd door de rechtbank afgewezen, waarbij werd aangesloten bij jurisprudentie van de Hoge Raad dat zowel catalogusprijs als handelsinkoopwaarde betrekking moeten hebben op dezelfde referentieauto. De rechtbank volgde de door verweerder gehanteerde waardering en afschrijving. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs en onderbouwing.