Een werknemer is sinds 2008 in dienst bij een autodemontagebedrijf en werd op 11 januari 2024 op staande voet ontslagen wegens vermeend onrechtmatig wegnemen en verkopen van bedrijfseigendommen. Dit ontslag werd vernietigd en de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 oktober 2024 met toekenning van vergoedingen. Op 11 april 2024 volgde een nieuw voorwaardelijk ontslag op staande voet, gebaseerd op de verkoop van twee Opel-motorblokken zonder toestemming.
De werknemer betwist het ontslag en stelt dat één motorblok zijn eigendom was en het andere motorblok met toestemming was verkregen. De werkgever stelt dat beide motorblokken eigendom zijn van de vennootschap en dat de werknemer de opbrengst niet heeft afgedragen, wat een dringende reden vormt voor ontslag.
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever het ontslag onverwijld heeft gegeven en voldoende voortvarend heeft gehandeld. Echter, omdat de werknemer de dringende redenen gemotiveerd betwist, moet de werkgever deze bewijzen. De werkgever krijgt daarom de gelegenheid om bewijs te leveren over het eigendom van de motorblokken en de toestemming voor verkoop. De beslissing wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd.