Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
De personenauto was door Car2go bij Allianz verzekerd.
1.De procedure
- het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:212), waarbij na intrekking van het hoger beroep tegen het verstekvonnis van 5 januari 2022 door [gedaagde] , zijn vordering betreffende de proceskosten is afgewezen en [gedaagde] is veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep;
(C/15/351442/HA ZA 24-209);
- het tussenvonnis in verzet van 1 mei 2024, waarbij de rechtbank een nadere mondelinge behandeling heeft bevolen in de zittingsplaats Alkmaar en partijen heeft verzocht op de rol van 15 mei 2024 ontbrekende producties in het geding te brengen;
- de door Allianz overgelegde producties 1 tot en met 9 bij de dagvaarding;
2.De feiten
“Wanneer betalen we niet?
“Moeten wij volgens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen betalen voor een schade? (..) En voldoet u niet aan de wet of aan de voorwaarden van deze verzekering? Dan moet u de schade en de kosten daarvan aan ons terugbetalen.”
Daartoe heeft de rechtbank Amsterdam, voor zover van belang, het volgende overwogen:
3.Het geschil
I. voor recht verklaart dat [gedaagde] ten tijde van het ongeval op 10 september 2019 opzettelijk schade heeft veroorzaakt, althans ten minste roekeloos is geweest, en bijgevolg gehouden is alle schadevergoeding die Allianz als gevolg van het ongeval nog dient te betalen, aan Allianz dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente, een en ander zoals op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding.
4.De beoordeling
hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.”.
(“Het bepaalde in de vorige zin geldt niet ten aanzien van de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer, tenzij (…)”), een verhaalsrecht op grond van artikel 15 lid Pro 1, eerste volzin, WAM heeft op de derde-verzekerde. [1]
Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de toepassing van de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 15 lid Pro 1, tweede volzin, WAM.