Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Den Haag, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 14
Rechtbank Noord-Holland
Eiser, een ongehuwde belastingplichtige, voerde beroep aan tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2021 waarin het saldo van zijn levenslooprekening per 1 november 2021 was vrijgevallen en als inkomen werd belast. Eiser stelde dat de storting van het saldo op een geblokkeerde rekening geen belastbaar moment kon zijn en dat hij erop mocht vertrouwen dat dit saldo niet tot het verzamelinkomen zou behoren. Tevens voerde hij aan dat het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel waren geschonden, omdat hij het saldo niet geruisloos kon omzetten in een pensioenregeling en de belastingheffing hem financieel benadeelde.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 de vrijval van het saldo op 1 november 2021 verplicht was en dat het moment van vrijval niet afhankelijk is van een wilsuiting van eiser. De storting op de geblokkeerde rekening leidde tot een genietingsmoment in 2021, waardoor het saldo terecht werd belast. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eiser verantwoordelijk was voor de juistheid van zijn aangifte en geen rechtens te honoreren vertrouwen kon ontlenen aan de voorlopige aangifte of communicatie van de beheerder van de levensloopregeling.
Verder oordeelde de rechtbank dat het evenredigheidsbeginsel niet werd geschonden omdat de wetgever voldoende overgangsrecht en mogelijkheden bood om het progressienadeel te beperken. De financiële gevolgen voor eiser, waaronder een terugbetaling van huurtoeslag, vormden geen individuele en buitensporige last. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat het niet aannemelijk was dat eiser ongelijk werd behandeld ten opzichte van anderen en omdat de wet slechts omzetting naar een pensioenregeling toestaat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het saldo van de levenslooprekening dat per 1 november 2021 is vrijgevallen, is terecht opgenomen in het verzamelinkomen 2021 en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.