Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 april 2024 in de zaken tussen
[bedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,
de inspecteur van de Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.
Procesverloop
Feiten
“6 Geldigheidsduur van de vergunninga Ingangsdatum1 mei 2019b Vervaldatum1 mei 2020
GN-code2009 4199
2009 4199, 2007 9950, 2008 9948, 2009 8997, 2007 9997, 2009 1200, 2009 7919, 2009 8919, 2007 9939, 2007 9993, 2008 2059, 2008 9949, 2009 1199, 2009 3111, 2009 3119, 2009 3931, 2009 4930, 2009 6110, 2009 6919, 2009 8973, 2009 8979, 2009 8999 en 2308 0040. De einddatum van de vergunning is 1 november 2021.
AV-vergunning(onder 5) zijn opgenomen. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan utb 2 uitgereikt.
Geschil
In de zaken HAA 22/1358 en HAA 22/1359 is in geschil of de utb’s terecht aan eiseres zijn uitgereikt. Meer specifiek is daarbij in geschil:
- of er douaneschulden bij invoer zijn ontstaan omdat goederen onder de regeling AV zijn geplaatst terwijl de gehanteerde goederencodes niet in de op dat moment van toepassing zijnde vergunning waren opgenomen;
- indien er douaneschulden zijn ontstaan, of de douaneschulden zijn ontstaan op grond van artikel 77 of Pro artikel 79 van Pro het DWU;
- indien de douaneschulden zijn ontstaan op grond van artikel 79 van Pro het DWU, of de douaneschulden teniet zijn gegaan op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder h van het DWU dan wel op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k van het DWU.
Ten aanzien van de toepassing van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU stelt verweerder zich op het standpunt dat de douaneschulden niet teniet zijn gegaan, omdat de goederen niet vielen onder de reikwijdte van de geldende AV-vergunning en aldus niet rechtsgeldig onder de regeling zijn geplaatst.
Beoordeling van het geschil
Conclusie
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiseres van de immateriële schade vastgesteld op een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 219; en
- draagt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden tot een bedrag van € 730.