Uitspraak
[verweerder] B.V.,
1.De procedure
- de pleitnota van [verweerder] met producties;
- de e-mail van 8 oktober 2025 waaruit de bevoegdheid van [betrokkene] blijkt.
Rechtbank Noord-Holland
Een werknemer werd op 29 juli 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeende gedragingen en financiële problemen. De werkgever trok het ontslag op staande voet in tijdens de procedure. De werknemer vorderde loonbetaling vanaf 1 juli 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst op 16 oktober 2025, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente.
De kantonrechter oordeelde dat door de intrekking van het ontslag de arbeidsovereenkomst voortduurt en de werknemer recht heeft op loonbetaling tot de overeengekomen einddatum. De wettelijke verhoging werd toegekend omdat de loonbetaling te laat was, en matiging daarvan werd afgewezen wegens evident onrechtmatig ontslag. De werkgever mocht een openstaande geldlening van €1.300 verrekenen met het loon over juli 2025.
Daarnaast werd de wettelijke rente over het achterstallige loon en de verhoging toegewezen. Het verzoek tot wedertewerkstelling werd afgewezen vanwege het einde van de arbeidsovereenkomst. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd wegens overwegend ongelijk en ernstig verwijtbaar handelen.
Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van loon met wettelijke verhoging en rente na intrekking van het ontslag op staande voet.