ECLI:NL:RBNHO:2025:12954

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
HAA 25/3920
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening inzake de sluiting van een woning op grond van de Opiumwet

Op 23 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker, een huurder van een woning in Zaanstad, een voorlopige voorziening vroeg tegen de sluiting van zijn woning door de burgemeester. De burgemeester had op 29 augustus 2025 besloten de woning voor drie maanden te sluiten op basis van artikel 13b van de Opiumwet, nadat er bij een doorzoeking aanzienlijke hoeveelheden cocaïne en wapens waren aangetroffen. Verzoeker voerde aan dat er geen sprake was van een ernstig geval en dat de sluiting disproportionele gevolgen had. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten, gezien de aangetroffen hoeveelheid drugs en wapens, en dat er voldoende gronden waren voor de sluiting. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, met de conclusie dat de sluiting van de woning gerechtvaardigd was en geen onevenredig besluit vormde. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de griffier en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3920

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoeker] uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en

de burgemeester van de gemeente Zaanstad

(gemachtigde: mr. S.E.H. van Thoor).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende de beslissing van de burgemeester om de woning van verzoeker aan [adres] in [plaats] te sluiten.
1.1.
Met het besluit van 29 augustus 2025, op schrift gesteld op 12 september 2025, heeft de burgemeester besloten de woning van verzoeker met ingang van 29 augustus 2025 voor drie maanden (tot 29 november 2025) te sluiten en gesloten te houden.
1.2.
Verzoeker heeft op 5 september 2025, aangevuld op 21 september 2025, hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om in verband met dat besluit een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De burgemeester heeft op 22 september 2025 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, [naam] (collega van de gemachtigde van verzoeker) en de gemachtigde van de burgemeester.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Totstandkoming van het besluit

2.1.
Verzoeker woont sinds september 2021 aan de [adres] in [plaats] . Verzoeker is de huurder en enige bewoner van de woning en Parteon is eigenaar van de woning. De ex-partner en kinderen van verzoeker staan sinds 2022 ingeschreven op een adres in Weesp.
2.2.
De burgemeester heeft besloten tot sluiting van de woning van verzoeker voor de duur van drie maanden (van 29 augustus 2025 tot 29 november 2025) op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet. Aanleiding hiervoor is geweest de inhoud van de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van de Politie Eenheid Noord-Holland, basisteam Zaanstad van 31 augustus 2025. Uit deze rapportage komt – kort samengevat en voor zover hier relevant – naar voren dat door de officier van justitie toestemming is gegeven om verzoeker buiten heterdaad aan te houden. Daarbij is de woning van verzoeker door de politie betreden in het kader van een doorzoeking voor de Wet Wapens en Munitie. Bij zijn aanhouding werden er zeven wikkels met wit poeder bij verzoeker aangetroffen van in totaal 8,30 gram. Uit de indicatieve test volgde het vermoeden dat het hier ging om cocaïne. Vervolgens heeft de politie op 29 augustus 2025 een doorzoeking van de woning van verzoeker uitgevoerd en zijn de volgende goederen aangetroffen en in beslag genomen:
  • 1x boterhamzakje met een grote brok wit poeder met een gewicht van 91,19 gram;
  • 1x boterhamzakje losse brokken wit poeder met een gewicht van 11,97 gram;
  • 1x boterhamzakje los wit poeder met een gewicht van 21,06 gram;
  • Inositol met een gewicht van 236,06 gram. (Inositol is een middel waarvan in de rechtspraak en op Drugsinfo.nl wordt aangenomen dat dit als versnijdingsmiddel voor cocaïne wordt gebruikt);
  • attributen waarmee de productie van en de handel in verdovende middelen die op Lijst I van de Opiumwet staan, wordt voorbereid dan wel bevorderd, bestaande uit een grammenweegschaal en een voorraad lege ponypacks en lege gripzakjes; en
  • een contant geldbedrag van € 3000,-.
In de woning zijn ook meerdere wapens aangetroffen bestaande uit:
  • 1x slagwapen - Gummiknuppel;
  • 1x bijl;
  • 1x machete/kapmes;
  • 1x alarmpistool;
  • 1x boksbeugel, en
  • 1x een voorwerp gelijkend op een vuurwapen.
De in de woning van verzoeker aangetroffen witte substanties (in totaal 124,22 gram) zijn onderzocht en getest op de aanwezigheid van verboden middelen. De uitslag van dit indicatieve onderzoek was positief op de aanwezigheid van verboden stoffen, namelijk cocaïne.
2.3.
Naar aanleiding van de informatie van de politie heeft de loco burgemeester besloten dat de woning van verzoeker per direct gesloten dient te worden voor de duur van drie maanden (tot 29 november 2025) en is op 30 augustus 2025 een mondelinge machtiging tot binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner afgegeven voor het adres van verzoeker teneinde de woning te sluiten.

Gronden van het verzoek/bezwaar

3.1.
Verzoeker voert in het verzoek aan dat geen sprake is van een ernstig geval en daarom had volstaan moeten worden met een waarschuwing. Er is geen sprake van een dringende maatschappelijke noodzaak, omdat geen sprake is van georganiseerde criminaliteit of acute bedreiging van de openbare orde die een sluiting zou kunnen rechtvaardigen. Volgens verzoeker is bij het binnentreden van de woning niet voldaan aan de informed consent vereisten. Bovendien heeft de sluiting disproportionele gevolgen, omdat verzoeker zijn onderdak verliest en zijn leven ernstig wordt verstoord met verstrekkende maatschappelijke gevolgen. De sluiting is voorts in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker leeft momenteel op bijstandsniveau (Wajong-uitkering) en heeft geen andere bron van inkomsten. Er is geen sprake van een situatie waarbij ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen en goederen dreigt.
3.2.
Verzoeker voert in bezwaar aan dat de doorzoeking onrechtmatig is geweest en het resultaat van de doorzoeking – de inbeslagname van verdovende middelen en wapens – als onrechtmatig verkregen bewijs dient te worden uitgesloten. De sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan geen standhouden, omdat het bestuursrecht niet mag steunen op onrechtmatig verkregen bewijs.

Wettelijk kader

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij dit proces-verbaal.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Tussen partijen staat niet ter discussie dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de verzochte voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
6.
De voorzieningenrechter wijst het verzoekaf. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker de aanwezigheid in zijn woning van de door de politie aangetroffen goederen – zoals hierboven onder 2.2 opgenomen – niet heeft ontkend. Verzoeker is van mening dat de aangetroffen wapens legaal zijn. Ten aanzien van de andere goederen heeft hij ervoor gekozen te zwijgen in verband met de nog lopende strafzaak.
6.2.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de burgemeester mag afgaan op de bevindingen neergelegd in een op ambtseed opgemaakte rapportage c.q. proces-verbaal. [1] De in algemene termen aangevoerde stelling dat de doorzoeking niet rechtmatig is geschied, is onvoldoende om te oordelen dat het besluit is gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs. Daarbij komt dat het vaste rechtspraak van de Afdeling is, dat de bestuurlijke bevoegdheid tot sluiting los staat van een eventuele strafrechtelijke procedure. [2] Het gebruik van mogelijk onrechtmatig verkregen bewijs is slechts dan niet toegestaan als het bewijs is verkregen op een wijze die zodanig indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar wordt geacht. Van zo’n situatie is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
6.3.
De burgemeester is, gelet op de vaste rechtspraak van de Afdeling, op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet bevoegd om een woning te sluiten, als in die woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen. [3] Van een handelshoeveelheid drugs wordt gesproken als de aangetroffen hoeveelheid het door het Openbaar Ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik van harddrugs van 0,5 gram overstijgt. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat 124,22 gram cocaïne is aangetroffen in de woning van verzoeker. Dat is een ruime overschrijding van het gehanteerde criterium. De burgemeester mocht er dan ook van uitgaan dat sprake is van een handelshoeveelheid drugs in de woning van verzoeker. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was de burgemeester bevoegd de woning van verzoeker op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet te sluiten.
6.4.
Ten aanzien van de duur van de sluiting stelt de voorzieningenrechter vast dat de burgemeester heeft gehandeld conform hetgeen is neergelegd in het Beleid artikel 13b Opiumwet gemeente Zaanstad 2021 (hierna: het Beleid), meer in het bijzonder onder paragraaf 3.2.2. en paragraaf 3.6. van dit Beleid. In het onderhavige geval is sprake van een ruime overschrijding van de in het beleid opgenomen hoeveelheid van 5 gram harddrugs of meer. De burgemeester heeft bij zijn beoordeling betrokken dat naast de hoeveelheid cocaïne ook versnijdingsmiddelen, ponypacks en gripzakjes alsmede een weegschaal is aangetroffen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in het besluit voldoende toegelicht dat hier sprake is van een ‘ernstig geval’ en/of ‘verzwarende omstandigheden’. Voorts is rekening gehouden met het feit dat sprake is van een eerste constatering. Conform het Beleid wordt onder deze omstandigheden een sluiting voor de duur van 3 maanden opgelegd.
6.5.
De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat de burgemeester een noodzaak tot sluiting van de woning kon aannemen en dat in het onderhavige geval ook sprake is van een geschikt middel. Gelet op de omstandigheid dat er bij verzoeker 7 wikkels cocaïne zijn aangetroffen en in de woning van verzoeker 124,22 gram cocaïne, 236,06 gram Inositol, andere attributen waarmee de productie van en de handel in cocaïne wordt voorbereid dan wel bevorderd, contant geld en wapens zijn aangetroffen, heeft de burgemeester naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de sluiting van de woning ook in redelijkheid noodzakelijk kunnen achten. De hoeveelheid verdovende middelen in combinatie met de overige aangetroffen goederen en wapens zijn, volgens vaste rechtspraak [4] , te relateren aan de handel in drugs en daarmee het vermoeden dat de woning deel uitmaakt van het drugscircuit. Aldus heeft de burgemeester naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat de aangetroffen goederen een ernstige inbreuk op de openbare orde, de veiligheid en de kwaliteit van het woon- en leefmilieu maken. De burgemeester heeft voorts voldoende toegelicht dat de woning is gelegen in een kwetsbare wijk en dat met de sluiting beoogd wordt om de gang naar de woning en de bekendheid van de woning in kringen van handelaren en gebruikers van verdovende middelen definitief te doorbreken, de overlast van de omgeving te stoppen en de omstandigheden ter plaatse te normaliseren (signaalfunctie). De tijdelijke sluiting draagt aldus bij aan de vermindering van drugscriminaliteit en daarmee aan de vergroting van de veiligheid en leefbaarheid in de omgeving en de samenleving. Dit kan worden gevolgd.
6.6.
Verder komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat geen sprake is van een onevenredig besluit. De burgemeester heeft in het besluit betrokken – naast voornoemde omstandigheden, waaronder het belang om tot sluiting over te gaan – ook het belang van verzoeker betrokken. Daarbij is de burgemeester ingegaan op zowel de verwijtbaarheid, alsook dat verzoeker de woning alleen bewoont, er niet is gebleken van een bijzondere binding met de woning en voorts de kans dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Verzoeker heeft in dit kader uitsluitend, maar niet onderbouwd aangevoerd dat hij geen familie en/of vrienden heeft waar hij terecht kan en mogelijk zijn woning kwijt zal raken. Dit leidt niet tot het oordeel dat de sluiting onevenwichtig is. Inherent aan de sluiting van de woning is dat verzoeker de woning tijdelijk moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzonder omstandigheid. Bovendien staan er geen andere personen ingeschreven op het adres, waardoor de sluiting van de woning enkel nadelige gevolgen voor verzoeker zelf heeft. Ten aanzien van de huurovereenkomst heeft te gelden dat daarover geen duidelijkheid bestaat, nog daargelaten dat de verhuurder los van het al dan niet sluiten van een woning in hetgeen daar is aangetroffen door de politie mogelijk een ontbindingsgrond heeft.
Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat onvoldoende duidelijk is geworden welk (motiverings)gebrek aan het besluit kleeft.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en ziet in de belangen van verzoeker geen aanleiding om de sluiting uit te stellen in afwachting van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat burgemeester naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de woning van verzoeker voor 3 maanden heeft mogen sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2025 door
mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

BIJLAGE

Opiumwet
Artikel 2
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.
Artikel 13b, eerste lid
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Lijst I
Cocaïne is een middel dat vermeld staat op Lijst I behorende bij de Opiumwet.
Het Beleid artikel 13b Opiumwet gemeente Zaanstad 2021
Uit paragraaf 3.2.2. van dit beleid volgt dat de aangetroffen situatie soms dusdanig is dat er sprake is van een ‘ernstig geval’. Wanneer er sprake is van een ‘ernstig geval’ wordt de woning in beginsel gesloten conform de in de matrix opgenomen sluitingstermijnen, tenzij er sprake is van ‘verzwarende omstandigheden’. In dat geval kan een langere sluitingsduur noodzakelijk zijn. Uit de matrix volgt dat bij de aanwezigheid van meer dan 5 gram harddrugs, meer dan 5 pillen/tabletten of meer dan 50 ml consumptie-eenheid vloeibare harddrugs in een woning sprake is van een ‘ernstig geval’ en dat bij een eerste constatering de sluitingstermijn drie maanden is.
Uit paragraaf 3.6. volgt dat het mogelijk is dat zich ‘verzwarende omstandigheden’ voordoen waardoor een afwijking van voormelde uitgangspunten en sluitingstermijnen noodzakelijk is. In dat geval is een langere sluitingsduur, vanwege de ernst van de situatie en grotere schending van de openbare orde, noodzakelijk om de in deze beleidsregel genoemde doelen te bereiken. De burgemeester hanteert in die gevallen in ieder geval een sluitingstermijn die bij de eerstvolgende overtreding toegepast zou worden. In het geval van een waarschuwing geldt dat in ieder geval de maatregel bij een eerste constatering bij een ernstig geval wordt gehanteerd. Hieronder staan de belangrijkste feiten en omstandigheden die kunnen worden aangemerkt als verzwarend. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld.
Signalen die duiden op beroeps- of bedrijfsmatigheid, zoals de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal, weegschalen, grote geld sommen, assimilatielampen, capaciteit van de kwekerij, vermoeden van eerdere oogsten etc.;
Er is sprake van gewelds- of andere openbare orde delicten gelieerd aan de locatie;
Er zijn op de betreffende locatie verboden wapens aangetroffen als bedoeld in de Wet wapens en munitie;
De gebruikers c.q. eigenaren van het pand hebben antecedenten t.a.v. de Opiumwet en/of de Wet wapens en munitie en/of antecedenten op het gebied van geweld tegen personen of zaken, bedreiging of diefstal en dergelijke;
Er is sprake van recidive daaronder in ieder geval begrepen eerdere overtredingen door de gebruikers of eigenaren van het pand van de Opiumwet en/of eerdere sluiting van eigendommen van één of meerdere pandeigenaren op grond van artikel 13b Opiumwet;
Er is sprake van een combinatie van middelen als bedoeld op Lijst I en II Opiumwet;
De mate van gevaarzetting en de risico’s voor de omgeving;
De mate van overlast rondom de locatie;
De aannemelijkheid dat er ook andere locaties betrokken zijn bij de drugshandel;
Overige feiten en/of omstandigheden die duiden op georganiseerde drugshandel en/of ernstig ondermijnende criminaliteit in (georganiseerd) verband.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021, r.o. 7 (ECLI:NL:RVS:2021:2704).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, r.o. 6-6.2 (ECLI:NL:RVS:2025:3265).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, r.o. 7-7.2 (ECLI:NL:RVS:2025:2922).
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, r.o. 10-10.2 (ECLI:NL:RVS:2025:2922).