Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:14800

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
23/7227
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 WaboArt. 1.1 WmArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 10.23 WmArt. 8:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling handhavingsbesluit milieustraat binnen bestaande omgevingsvergunning

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen handhavend op te treden tegen de milieustraat van derde-partij, stellende dat deze geen geldige omgevingsvergunning heeft en dat de afvalstoffenverordening wordt overtreden.

De rechtbank beoordeelde dat sprake is van één inrichting, waarbij de milieustraat valt onder de bestaande omgevingsvergunning die sinds 1994 geldt en in 2014 is geactualiseerd. De verwevenheid van de recreatiewoningen met de gemeenschappelijke voorzieningen, waaronder de milieustraat, maakt dat zij samen één inrichting vormen. De eigendomssituatie van de woningen doet hier niet aan af.

Ten aanzien van de afvalstoffenverordening stelde de rechtbank zich onbevoegd, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State exclusief bevoegd is om hierover te oordelen. Het beroep wordt daarom doorgezonden.

Het beroep tegen het handhavingsbesluit wordt ongegrond verklaard, het college mocht afzien van handhaving. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter J. de Vries op 8 december 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het handhavingsbesluit wordt ongegrond verklaard en de rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het beroep op de afvalstoffenverordening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/7227

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen

(gemachtigden: mr. D. Brouwer en S.A. van Gerwen).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel:
[derde-partij] B.V.en
[derde-partij] B.V., uit [plaats 2] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: derde-partij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om niet handhavend op te treden tegen de milieustraat van derde-partij. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiser stelt dat geen sprake is van één inrichting, zodat de milieustraat niet valt onder de omgevingsvergunning die voor een inrichting op de betrokken locatie is verleend. Daarnaast stelt hij dat derde-partij zijn huisvuil niet mag inzamelen, omdat zij niet daartoe is aangewezen op grond van de Afvalstoffenverordening gemeente Schagen 2019. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het college om niet handhavend op te treden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college van handhavend optreden in verband met de omgevingsvergunning mocht afzien. De rechtbank oordeelt dat sprake is van één inrichting, die valt onder de bestaande omgevingsvergunning. In zoverre krijgt eiser dus geen gelijk en is het beroep is ongegrond. Ten aanzien van de afvalstoffenverordening oordeelt de rechtbank dat niet zij, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bevoegd is om op het beroep te beslissen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 30 november 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij het besluit om niet handhavend op te treden gebleven.
2.1.
Eiser heeft bij brief van 4 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
2.2.
Bij brief van 12 december 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.
2.3.
Bij besluit van 13 december 2023 heeft het college vastgesteld dat het geen dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend met betrekking tot het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
2.5.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft de zaak op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat de beroepszaak begon als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar door het college. Ter zitting heeft eiser desgevraagd aangegeven dat zijn beroepszaak uitsluitend nog is gericht tegen het bestreden besluit op bezwaar. Daarmee heeft eiser het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar ingetrokken. Eiser bestrijdt evenmin het besluit van 13 december 2023 over de verschuldigdheid van een dwangsom. De rechtbank zal daarom alleen de inhoudelijke beroepsgronden van eiser tegen het bestreden besluit op bezwaar bespreken.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser woont op Park [naam park] . Op 18 oktober 2022 heeft eiser het college gevraagd om handhavend op te treden tegen de daar aanwezige milieustraat van derde-partij wegens het volgens hem ontbreken van de benodigde omgevingsvergunning en overtreding van de afvalstoffenverordening.
4.1.
Op 30 november 2022 heeft het college aan eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn het verzoek om handhaving af te wijzen. Eiser heeft in reactie daarop een zienswijze naar voren gebracht.
4.2.
Bij besluit van 7 maart 2023 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen. Volgens het college was er geen milieuovertreding, zodat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingediend.
4.3.
Op 5 oktober 2023 heeft de commissie bezwaar van de gemeente Schagen advies uitgebracht. De commissie adviseert het college om het bestreden besluit te heroverwegen. Volgens de commissie is Park [naam park] een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (Wm) of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De commissie is ook van mening dat de propaantank, milieustraat en recreatiewoningen op Park [naam park] als één inrichting moeten worden beschouwd. Nu de milieustraat onderdeel is van de inrichting, is het de vraag of deze valt binnen de grenzen van de op 2 september 1994 verleende milieuvergunning, die op 16 januari 2014 als omgevingsvergunning is geactualiseerd in verband met de Wabo. Nu een motivering van het college hierover ontbreekt, meent de commissie dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat voor de realisatie van de milieustraat geen verandering van de inrichting vergund moet worden.
4.4.
Bij besluit van 30 november 2023 heeft het college geen aanleiding gezien om het besluit van 7 maart 2023 te herroepen. Voor de motivering verwijst het college naar het advies van de commissie. Ter aanvulling en in reactie op het verzoek van de commissie inzake het motiveringsgebrek, merkt het college op dat de milieustraat sinds 2009 binnen de inrichting is gesitueerd en dat de omgevingsvergunning uit 2014 dekkend is voor alle activiteiten binnen de inrichting. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat afvalstromen die onder huisvuil en grofvuil vallen, zijn vergund. Bij controle door een toezichthouder is geconstateerd dat op locatie daadwerkelijk bakken staan voor deze afvalstromen. Volgens het college is er daarom geen verandering van de inrichting die vergund moet worden.
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 zijn - ter vervanging van de Wabo - de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Eiser heeft op 18 oktober 2022 het college gevraagd handhavend op te treden tegen de milieustraat van derde-partij, onder meer omdat volgens hem de op grond van de Wabo vereiste omgevingsvergunning ontbrak. Dit betekent dat in zoverre op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing blijft tot het bestreden besluit onherroepelijk wordt. Dit betekent dat in zoverre op deze procedure de Wabo en bijbehorende regelingen van toepassing blijven.
Is sprake van één inrichting?
6. Eiser betwist niet dat de milieustraat feitelijk valt binnen de reikwijdte van de vergunning die is verleend op 2 september 1994 en is geactualiseerd op 16 januari 2014. Wel betwist hij dat sprake is van één inrichting, waartoe ook zijn woning zou behoren. In dat kader voert hij aan dat tussen de verlening van de omgevingsvergunning en de actualisatie daarvan in 2014 het voormalige bungalowpark Park [naam park] volledig is uitgepond. Sindsdien zijn alle woningen op het park in privé-eigendom van circa 340 verschillende eigenaren. Eiser heeft een eigen perceel, met eigen aansluitingen voor elektra en aardgas en sinds 2006 heeft dit perceel al een eigen adres. Als gevolg van het uitponden van het park in 2003 heeft de toenmalige Vereniging van Eigenaren ook geen bungalowpark gekocht, maar slechts een paar losse percelen grond en een loods. Die zijn weer verkocht aan een privépersoon, die het weer heeft doorverkocht aan [derde-partij] B.V. Eiser stelt dat [derde-partij] B.V. dus geen park heeft gekocht en dat daarom ook geen sprake kan zijn van een inrichting die Park [naam park] heet. Het college baseert zich verder in het bestreden besluit op onjuiste informatie. Ten aanzien van de informatie afkomstig van de website van Park [naam park] stelt eiser dat er geen park meer bestaat en dat derde-partij geen park bezit, en dat de website daarom een verzinsel is. Ten aanzien van de beheerovereenkomst die tussen [derde-partij] B.V. en private eigenaren van recreatiewoningen zou zijn gesloten stelt eiser dat geen van de woningeigenaren verplicht is om die overeenkomst aan te gaan. Ook de informatie uit het register van de Kamer van Koophandel (KvK) klopt niet, omdat derde-partij geen huisjes of vakantiepark bezit en die dus ook niet kan verhuren of beheren. Met betrekking tot de informatie uit het Kadaster stelt eiser dat er geen algemene voorzieningen aanwezig zijn, behoudens een oude container met twee wasmachines. Weliswaar is de weg Park [naam park] in eigendom van [derde-partij] B.V., maar dat is geen algemene voorziening, omdat het een openbare weg is. Hier rusten ook erfdienstbaarheden op ten behoeve van alle privé-eigenaren van de woningen.
6.1.
Uit artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo volgt dat onder ‘inrichting’ wordt verstaan: “
inrichting, behorende tot een categorie die is aangewezen krachtens het derde lid”. Op grond van artikel 1.1, derde lid, van de Wabo worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur categorieën inrichtingen aangewezen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wm. Ten tijde van het bestreden besluit werd in artikel 1.1, eerste lid, van de Wm ‘inrichting’ gedefinieerd als
: “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht”. Of sprake is van een inrichting moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie ter plaatse. [1] Ten tijde van het bestreden besluit luidde artikel 1.1, vierde lid, van de Wm als volgt: “
Elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan.”
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt het college erin dat sprake is van één inrichting. Daarbij heeft het college zich terecht gebaseerd op de feitelijke situatie ter plaatse, zoals die blijkt uit het controlerapport van de toezichthouder. Daarin staat dat er nog verschillende gezamenlijke voorzieningen zijn, waaronder de milieustraat en een klein kantoor/receptie van de beheerder. Het college heeft op zitting toegelicht dat de gemeenschappelijke voorzieningen worden onderhouden door derde-partij en het huisvuil dat vrijkomt ook ter plekke wordt opgeslagen voordat het wordt afgevoerd. Veel diensten, zoals de afvoer van huisvuil en het onderhoud van de algemene infrastructuur, zijn ook contractueel vastgelegd middels een beheerovereenkomst tussen [derde-partij] B.V. en eigenaren van huisjes op Park [naam park] , zoals gepubliceerd op de website van Park [naam park] . Daarin is ook bepaald dat eigenaren aan deze B.V. voor de door haar verleende diensten een jaarlijkse beheervergoeding moeten betalen. Op grond van een kettingbeding moet een eigenaar bij verkoop van zijn huisje deze afspraken opleggen aan zijn rechtsopvolger. Dit alles maakt dat op Park [naam park] sprake is van bedrijvigheid als bedoeld in het inrichtingenbegrip, waarbij de afzonderlijke huisjes zodanig met de gemeenschappelijke voorzieningen verweven zijn dat zij samen één inrichting vormen. Dat derde-partij geen eigenaar is van de woning maakt dit niet anders, nu uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat de eigendomssituatie niet bepalend is voor de vraag of sprake is van één inrichting. [2] Ook de woning van eiser kan, ondanks dat deze in privé-eigendom is, deel uitmaken van de inrichting. [3] Bepalend is de verwevenheid met gemeenschappelijke voorzieningen, waarmee deze zaak verschilt met de situatie in de uitspraak van de Afdeling [4] waarop eiser een beroep doet. Eiser heeft weliswaar terecht aangegeven dat de toelichting op het bestemmingsplan Recreatieterreinen Harenkarspel geen zin meer bevat over de bedrijfsmatige exploitatie van het bungalowpark, maar dit baat hem niet. Eerder is namelijk al vastgesteld dat gekeken moet worden naar de feitelijke situatie ter plaatse. Het is ook niet van belang dat in het handelsregister van de KvK geen inschrijving bestaat van Bungalowpark [naam bungalowpark] B.V., waaraan de omgevingsvergunning is verleend. Een omgevingsvergunning geldt namelijk voor eenieder die het project uitvoert waarop de vergunning betrekking heeft en is dus zaaksgebonden. [5] Dit betekent dat het niet uitmaakt dat de omgevingsvergunning destijds aan een ander is verleend. Het is namelijk [derde-partij] B.V. en/of [derde-partij] B.V. die de inrichting drijft en daarvoor verantwoordelijk is en dus als vergunninghouder moet worden aangemerkt. [6]
6.2.1.
De hiervoor beschreven verwevenheid tussen de huisjes en gemeenschappelijke voorzieningen op Park [naam park] wordt bevestigd door de leveringsakte tussen de toenmalige verkoper van de woning en eiser. Deze akte bevat een bepaling over de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde voorzieningen in het park, tegen betaling van een jaarlijkse parkbijdrage aan de beheerder, met daarbij een kettingbeding zoals hiervoor beschreven. Dit volgt uit het op zitting door de gemachtigden van het college overgelegde arrest van het gerechtshof Amsterdam. [7] Het gerechtshof heeft in dat kader vastgesteld dat het kettingbeding nu geldt tussen [derde-partij] B.V. en eiser. [8] Alleen al daarom is er geen aanleiding om bij derde-partij of haar directeur eigendomsbewijzen op te vragen, zoals eiser heeft verzocht. Op zitting gaf eiser aan het niet eens te zijn met het kettingbeding, maar dat neemt niet weg dat het bestaat en geldend is tussen partijen. Verder is van belang dat het gerechtshof heeft overwogen dat Park [naam park] bestaat uit een groep bungalows die voorzieningen delen en dat het dus nog steeds een bungalowpark vormt.
6.3.
Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat aan de vereisten van artikel 1.1, eerste lid en vierde lid, van de Wm is voldaan. Geconcludeerd moet daarom worden dat sprake is van één inrichting die onder de bestaande omgevingsvergunning valt.
Afvalstoffenverordening
7. Eiser betoogt dat derde-partij geen huisvuil van derden mag inzamelen. Alleen N.V. HVC heeft hiervoor een vergunning en die heeft hiermee een alleenrecht. Dit volgt uit de afvalstoffenverordening.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgrond zijn grondslag vindt in de afvalstoffenverordening. De afvalstoffenverordening is gebaseerd op artikel 10.23 van de Wm. Uit artikel 8:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2 van Pro bijlage 2 van de Awb volgt dat tegen besluiten, genomen op grond van de Wm, beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling, met uitzondering van enkele gevallen die hier niet aan de orde zijn. Dit betekent dat de rechtbank in zoverre niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of derde-partij de afvalstoffenverordening overtreedt door huisvuil in te zamelen op Park [naam park] .
7.2.
Het beroepschrift zal op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorgezonden worden naar de Afdeling, zodat die over dit onderdeel van eisers beroep kan beslissen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond voor zover het de omgevingsvergunning betreft. Dat betekent dat eiser in zoverre geen gelijk krijgt. Het college mocht van handhavend optreden in verband met de omgevingsvergunning afzien. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep de afvalstoffenverordening betreft. Het is aan de Afdeling om in zoverre over het beroep te beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover het de omgevingsvergunning betreft ongegrond;
  • verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep ziet op de afvalstoffenverordening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling van 24 november 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR6303, r.o. 2.4, en 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:42, r.o. 6.1.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AU9817, r.o. 2.4.4.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO6107, r.o. 2.3-2.3.2.
4.Uitspraak van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:42.
5.Op grond van artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1667, r.o. 4.1, en 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1374, r.o. 1.1.
7.Arrest van 19 december 2023, zaak-/rolnummer 200.309.177/01 (niet gepubliceerd).
8.Zie ook het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.