Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2024

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
11945800
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:681 lid 1 BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; toekenning billijke vergoeding en transitievergoeding aan chauffeur

Een chauffeur werd kort na het verstrijken van zijn proeftijd op staande voet ontslagen door zijn werkgever, een klein transportbedrijf. Het ontslag was gebaseerd op een samengestelde dringende reden met acht verschillende gedragingen. De chauffeur betwistte alle redenen en stelde dat het ontslag niet rechtsgeldig was.

De kantonrechter oordeelde dat niet alle redenen die de werkgever aanvoerde voldoende waren bewezen. Met name meerdere gedragingen zoals het niet komen opdagen, het zelfstandig bepalen van werktijden en ongeoorloofde omwegen werden niet aannemelijk gemaakt. Ook was de communicatie tussen partijen gebrekkig, wat mogelijk tot misverstanden leidde. Hierdoor was het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.

De kantonrechter kende de chauffeur een billijke vergoeding toe van één maandsalaris (€ 2.924,00 bruto), een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van hetzelfde bedrag en een transitievergoeding van € 207,16 bruto. Daarnaast werden wettelijke rente en proceskosten aan de zijde van de werkgever opgelegd. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig; de werknemer krijgt een billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 11945800 \ AO VERZ 25-140
Beschikking van 27 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,
tegen
WE LOVE TRANSPORT B.V.,
te Schiphol-Rijk,
verwerende partij,
hierna te noemen: WLT,
gemachtigde: mr. O. Saaliti.
De zaak in het kort
Een chauffeur wordt - kort na het verstrijken van zijn proeftijd - op staande voet ontslagen wegens een samengestelde dringende reden. Hij verzoekt om toekenning van onder meer een billijke vergoeding. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat (lang) niet alle redenen die werkgever aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd zijn komen vast te staan. Het ontslag is daarom niet rechtsgeldig. De kantonrechter kent de chauffeur een billijke vergoeding toe ter hoogte van één maandsalaris en daarnaast een gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van [verzoeker] van 24 oktober 2025 met 6 producties;
  • het verweerschrift van WLT van 20 januari 2026 met 10 producties;
  • nadere stukken van [verzoeker], ingediend op 26 januari 2025, met producties 7 en 8.
  • de mondelinge behandeling op 30 januari 2026, waar door de gemachtigden van partijen pleitnotities zijn overlegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] (geboren op [geboortedatum] 1992) is sinds 21 juli 2025 in dienst bij WLT als chauffeur op basis van een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd.
2.2.
WLT is een klein transportbedrijf met nog vier andere werknemers. De heer [betrokkene] is de eigenaar/directeur van WLT en de leidinggevende van [verzoeker].
2.3.
In de arbeidsovereenkomst is een proeftijd van een maand overeengekomen. In de arbeidsovereenkomst staat tevens een tussentijds opzegbeding opgenomen.
2.4.
Op 25 augustus 2025 heeft WLT [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van 25 augustus 2025 staat, voor zover relevant:
‘Naar aanleiding van meerdere incidenten en eerdere waarschuwingen zijn wij tot de conclusie gekomen dat wij de samenwerking met u niet langer kunnen voortzetten. De incidenten betreffen onder meer:
1) Het wegrijden bij een klant met wagenwijd openstaande deuren, ondanks uw MLV-opleiding waarin nadrukkelijk is aangegeven dat deuren gesloten en vergrendeld moeten zijn (veiligheidsrisico in de luchtvracht);2) Het stilvallen met een lege brandstoftank en het vervolgens onjuist melden van defect voertuig;3) Het herhaaldelijk niet komen opdagen, ondanks eerdere waarschuwingen;
4) Het zelfstandig bepalen van werktijden in strijd met rooster;
5) Het niet bereikbaar zijn tijdens opdrachten in het buitenland;6) Ongeoorloofde omwegen en onderbrekingen tijdens ritten, zonder overleg;7) Het weigeren van een rit door het tweede adres niet uit te voeren, terwijl u wel terugreed naar de standplaats;8) Het weigeren om op zondag om 07:30 uur te beginnen, ondanks een duidelijke instructie.
(…)
Gezien de ernst en herhaling van deze gedragingen is er sprake van een dringende reden voor ontslag. Hierbij delen wij u dan ook mede dat uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang wordt beëindigd.’

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] berust in het ontslag en verzoekt de kantonrechter een billijke vergoeding ter hoogte van drie maandsalarissen toe te kennen. Daarnaast verzoekt hij om WLT te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Werkgever heeft het ontslag gebaseerd op acht redenen die samen een dringende reden zouden vormen. Dat betekent dat al die redenen in rechte moeten komen vast te staan. Alle genoemde redenen worden door [verzoeker] evenwel betwist.
3.2.
Als bovendien de verweten gedragingen al vast zouden staan, dan had WLT eerst een plan van aanpak moeten opstellen om het functioneren van [verzoeker] te verbeteren alvorens tot een ontslag op staande voet over te mogen gaan. Daarnaast is het ontslag volgens [verzoeker] niet onverwijld verleend en ook niet onverwijld medegedeeld en ook daarom niet rechtsgeldig. Tot slot voert [verzoeker] aan dat WLT geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Hij had deze baan hard nodig voor zijn levensonderhoud en zat middenin het proces van gezinshereniging.
3.3.
WLT voert verweer en stelt dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen. WLT voert samengevat aan dat het ontslag op staande voet wel degelijk rechtsgeldig is. [verzoeker] vervulde een veiligheidskritische functie, maar negeerde structureel instructies, bracht klanten en de reputatie van WLT in gevaar. Hij kreeg kansen en waarschuwingen, maar verbeterde niet.
3.4.
Na zijn indiensttreding heeft [verzoeker] direct de opleiding ‘Basis Medewerker Luchtvracht en Post’ gevolgd. In de opleiding is veiligheid en gedrag uitvoerig aan de orde geweest. Op 29 juli 2025 is [verzoeker] echter bij een klant weggereden, terwijl de deur van zijn voertuig nog openstond. Op 3 augustus 2025 heeft [verzoeker] niet tijdig getankt waardoor hij zonder brandstof langs de snelweg kwam te staan. Op 16 augustus 2025 was [verzoeker] te laat en dit was niet de eerste keer. Op 24 augustus 2025 moest [verzoeker] twee orders in Frankrijk afleveren. Hij heeft alleen de eerste order afgeleverd en heeft daarna de tweede order geweigerd. Dat was de druppel voor WLT. [verzoeker] heeft met zijn gedrag de bedrijfsvoering en de reputatie van WLT in gevaar gebracht. Daarom is besloten over te gaan tot het ontslag op staande voet.
3.5.
WLT heeft [verzoeker] de dag na het laatste incident tijdens een gesprek ontslagen; dat is wel degelijk onverwijld. [verzoeker] heeft de ontslagbrief waarin de gronden zijn opgenomen begrepen en ondertekend en zich op dat moment niet tegen het ontslag verzet. Zelfs indien de kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, dan wordt verzocht geen billijke vergoeding toe te wijzen, nu WLT niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld; [verzoeker] heeft het ontslag over zichzelf afgeroepen.

4.De beoordeling

4.1.
Allereerst moet worden beoordeeld of het ontslag rechtsgeldig is gegeven.
Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval. Zij legt uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
Samengestelde dringende reden
4.3.
WLT heeft het ontslag gebaseerd op een samengestelde dringende reden. Dat blijkt allereerst uit de ontslagbrief, waarin zij heeft vermeld dat er “
gezien de ernst en de herhaling van deze gedragingen sprake is van een dringende reden voor ontslag.” WLT heeft in haar verweer en ter zitting bovendien toegelicht dat de gebeurtenis op 24 augustus 2025 de zogenaamde druppel was die de emmer deed overlopen. Dat betekent dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden, alle aan [verzoeker] verweten gedragingen moeten worden betrokken en deze ook alle moeten vaststaan. Daarbij rust de bewijslast op WLT. Mocht een gedeelte van de feiten die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd
nietkomen vast te staan, dan houdt het ontslag op staande voet geen stand.
4.4.
Met [verzoeker] is de kantonrechter van oordeel dat in ieder geval een aantal van de verweten en aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen niet is komen vast te staan. Zo heeft WLT tegenover de gemotiveerde betwisting door [verzoeker] niet of onvoldoende onderbouwd dat en wanneer [verzoeker] - ondanks eerdere waarschuwingen - niet is komen opdagen (reden drie), dat hij zelfstandig zijn werktijden bepaalde in strijd met het rooster (reden vier), dat hij niet bereikbaar was tijdens opdrachten in het buitenland (reden vijf) of dat hij ongeoorloofde omwegen en onderbrekingen tijdens ritten hield (reden zes). Uit de overgelegde whatsappberichten die (naar de kantonrechter begrijpt) [betrokkene] en [verzoeker] elkaar hebben gestuurd, kan dat ook niet worden afgeleid. Wel blijkt daaruit dat er juist veelvuldig contact was tussen [betrokkene] en [verzoeker], maar niet dat [verzoeker] op één van de verweten gedragingen is aangesproken. Overigens hanteerde WLT volgens [verzoeker] geen rooster, dus kon daar ook niet van worden afgeweken.
4.5.
Ter zitting heeft WLT nog aangevoerd dat in het kleine transportbedrijf geen HR-afdeling bestaat. Zaken worden mondeling besproken en er is geen sprake van dossieropbouw. Enkel voor reden nummer één bestaat een schriftelijke waarschuwing, welk document is gedateerd op 26 augustus 2025, derhalve ná het ontslag op staande voet. Nu de bewijslast bij een ontslag op staande voet bij WLT ligt, komt de bewijsnood waarin WLT verkeert, echter voor diens rekening en risico.
4.6.
Verder is nog maar de vraag of sprake is geweest van werkweigering (reden nummer zeven, ‘de druppel’) of dat van [verzoeker] in redelijkheid niet kon worden gevergd de hem opgedragen (“urgente”) tweede rit in Frankrijk uit te voeren, gegeven de uren die hij er al op had zitten. Ook kan worden betwijfeld of [verzoeker] een rit op zondag heeft geweigerd (reden acht) toen hij appte ‘
ik ben bang dat ik niet op tijd wakker word. Gezien de reactie van WLT - ‘
is goed, beter niet, morgen vrij’ -lijkt het er veeleer op dat [verzoeker] toestemming heeft verleend om die zondag niet te rijden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft WLT ook déze gedragingen, tegenover de uitgebreide betwisting door [verzoeker], onvoldoende aannemelijk gemaakt.
4.7.
Daarbij verdient opmerking dat [verzoeker] en [betrokkene] elkaars taal niet beheersen en zij communiceerden via google translate. Gezien de vaak gebrekkige/onduidelijke communicatie tussen beiden, is zeer wel denkbaar dat (ten dele) sprake is geweest van misverstanden in plaats van tekortschieten door [verzoeker].
4.8.
De conclusie is dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is verleend
Billijke vergoeding
4.9.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [1] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag reeds als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever kan worden aangemerkt. [2]
4.10.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [3] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.11.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen ter hoogte van € 2.924,00 bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. Er was sprake van een zeer kort dienstverband; ten tijde van het ontslag op staande voet was de proeftijd van een maand nog maar net verlopen. Hoewel de gronden van het ontslag lang niet allemaal zijn komen vast te staan, was al snel tijdens de proeftijd het één en ander aan te merken op het functioneren van [verzoeker]; zo heeft WLT wel voldoende aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] met een open deur bij een klant is weggereden, waarover de klant zich bij WLT heeft beklaagd. Ook heeft WLT voldoende aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] met een lege brandstof tank aan de kant van de weg is komen te staan, als gevolg waarvan WLT diens voertuig heeft moeten (laten) wegslepen. Niet gebleken is dat [verzoeker] daar verantwoordelijkheid voor heeft genomen. Daarbij was [verzoeker] wegens slaapproblematiek beperkt beschikbaar voor het werk en liet de communicatie tussen beiden (ernstig) te wensen over. Bovenal, zo is ter zitting gebleken, waren de onderlinge verhoudingen tussen hen slecht. Een en ander maakt aannemelijk dat het dienstverband met gebruikmaking van de tussentijdse opzegmogelijkheid niet langer dan nog maximaal één maand zou hebben geduurd. Daarnaast betrekt de kantonrechter bij haar overwegingen dat [verzoeker] ter zitting heeft bevestigd dat hij inmiddels weer een nieuwe baan heeft gevonden.
4.12.
WLT zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.924,00 bruto. De wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
4.13.
De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt ook toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [4] WLT heeft niet betwist dat de CAO Beroepsgoederenvervoer en het daaruit volgende uurloon van toepassing is. Ook is de door [verzoeker] berekende urenomvang niet door WLT weersproken. Om die reden sluit de kantonrechter daarbij aan. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, zoals berekend door [verzoeker] op € 2.924,00 bruto. De wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 25 augustus 2025.
Transitievergoeding
4.14.
Het verzoek om WLT te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Daarbuiten heeft WLT ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verzoeker]. De kantonrechter verwijst naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen; voor zover verweten gedragingen wél vast zijn komen te staan, vormen deze nog geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker]. Deze hoge lat wordt niet gehaald. Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [5]
4.15.
WLT wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die door [verzoeker] is berekend op € 207,16 en niet door WLT is weersproken. De wettelijke rente over de transitievergoeding, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 25 september 2025, wordt toegewezen.
4.16.
De proceskosten komen voor rekening van WLT, omdat WLT in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 978,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt WLT om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 2.924,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.2.
veroordeelt WLT om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 2.924,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt WLT om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 207,16 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt WLT in de proceskosten van € 978,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
veroordeelt WLT tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, [6]
5.7.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gewezen door mr. E.L. Grosheide, kantonrechter, en op 27 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. J.J. Dijk, kantonrechter, in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
4.Artikel 7:672 lid 11 BW Pro.
5.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro.
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.