Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4004

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
HAA 25/1880
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Bbz 2004Art. 54 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetArt. 3:4 Algemene wet bestuursrechtArt. 21 Beleidsregels herziening, intrekking, terug- en invordering gemeente Haarlemmermeer 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering bijstand op grond van Bbz 2004 en afwijzing kwijtschelding

Eiser ontving een renteloze lening op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor de jaren 2020 tot en met 2022. Na onderzoek stelde het college vast dat over 2022 het inkomen van eiser hoger was dan de verstrekte bijstand, waardoor het meerdere teruggevorderd moest worden. Het college vorderde €6.293,01 terug en stelde een betalingsregeling van €20 per maand vast.

Eiser voerde aan dat hij onder de bijstandsnorm leeft en dat de berekening van het college onjuist is. Ook stelde hij dat hem was toegezegd dat de lening omgezet zou worden in een gift indien hij niet kon betalen. De rechtbank oordeelde dat het college de juiste regeling toepaste en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan.

De rechtbank toetste de belangenafweging van het college en concludeerde dat de terugvordering proportioneel is en dat de financiële situatie van eiser geen dringende reden vormt om van terugvordering af te zien. Het verzoek om kwijtschelding werd daarom afgewezen. Het beroep is ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van €6.293,01 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1880

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Hoofddorp, eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
(gemachtigde: L.J.A. Edelaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het bedrag van € 6.293,01 dat van eiser wordt teruggevorderd en de afwijzing van het verzoek van eiser om volledige kwijtschelding. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit in stand kan blijven.

Procesverloop

2. Bij besluit van 18 januari 2024 heeft het college - na aftrek van de bijstand ‘om niet’- het restant van eisers lening van € 7.854,59 die hij op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ontving van hem teruggevorderd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Na aanleiding hiervan heeft het college bij besluit van 14 augustus 2024 het besluit van 18 januari 2024 ingetrokken. In het nieuwe besluit van 18 januari 2024 heeft het college besloten van het bedrag van € 7.854,59 aan bijstand dat eiser in de vorm van een lening heeft ontvangen € 6.293,01 terug te vorderen. In hetzelfde besluit heeft het college eiser bericht dat met hem eiser ter invordering van voormeld bedrag, een betalingsregeling is afgesproken inhoudende dat eiser met ingang van 1 september 2024 € 20,00 per maand aflost. Eiser heeft tegen het besluit van 18 januari 2024 bezwaar gemaakt.
3. Bij brief van 16 oktober 2024 is namens eiser, door [naam 1] , verzocht om kwijtschelding van de schuld dan wel omzetting in een gift voor bedrijfskapitaal.
Op 18 november 2024 heeft, op verzoek van eiser, een gesprek plaatsgevonden, gevolgd door een voorstel van [naam 1] op 22 november 2024. Dat voorstel is dat eiser gedurende de periode januari 2025 tot en met november 2025 € 20,-- per maand betaalt voor de aflossing van de vordering en in december 2025 de resterende vordering afkoopt door betaling van 50% ineens van het dan openstaande bedrag van de vordering.
Het college heeft bij besluit van 14 januari 2025 besloten akkoord te gaan met het betalingsvoorstel. Dit voorstel betekent, zo staat in het besluit, dat eiser vanaf januari 2025 tot en met november 2025 € 20,-- per maand betaalt voor de aflossing van de vordering uit 2022, in totaal € 220,-- (11 maandelijkse termijnen). Dat hierna het openstaande bedrag nog € 6.073,01 is en dat eiser in december 2025 tenminste 50% van de openstaande vordering betaalt, te weten € 3.036,51. In dit besluit is verder verwezen naar het telefoongesprek met eiser op 9 januari 2025 waarin eiser heeft aangegeven het niet eens te zijn met het voorstel van de heer [naam 1] en dit niet met hem te hebben besproken. Eiser verzoekt opnieuw om kwijtschelding van de vordering of afkoop door betaling van een veel lager bedrag. Het college heeft het verzoek om kwijtschelding afgewezen en handhaaft het voorstel. Eiser heeft ook tegen het besluit van 14 januari 2025 bewaar gemaakt.
4. Bij het bestreden besluit van 5 november 2024 heeft het college de bezwaren van eiser gericht tegen de besluiten van 14 augustus 2024 en 14 januari 2025 - onder verwijzing naar het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van 20 maart 2025 - ongegrond verklaard.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd door te verwijzen naar het bestreden besluit en het verweerschrift in de bezwaarfase, gedateerd 3 maart 2025.
6. De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van het onderzoek ter zitting gesloten. Eiser daarna op 4 en 5 februari 2026 en 26 maart 2026 stukken ingediend. De rechtbank heeft hiervan kennis genomen en hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Deze stukken blijven in het dossier opgenomen. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging aan het bestreden besluit vooraf.
7. Aan eiser is door het college over de periode 23 januari 2020 tot en met 31 december 2020, 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 en van 1 januari 2022 tot 30 juni 2022 een uitkering voor levensonderhoud en een woonkostentoeslag toegekend op grond van het Bbz in de vorm van een renteloze lening. De bijstand is op 30 april 2024 beëindigd. Het college heeft na ommekomst van de boekjaren onderzocht of de renteloze lening moest worden omgezet in een uitkering om niet of dat het inkomen van eiser over het gehele boekjaar hoger was dan de verstrekte uitkering. In dat geval diende het meerdere te worden teruggevorderd. Uit onderzoek met betrekking tot de jaren 2020 en 2021 is gebleken dat eiser geen winst heeft gemaakt en dat de bijstand om niet diende te worden verstrekt.
Het standpunt van het college ten aanzien van het jaar 2022
8. Ten aanzien van het jaar 2022 heeft het college vastgesteld dat eiser inkomen uit zijn bedrijf en inkomen uit loondienst heeft ontvangen en dat het inkomen € 10.069,61 meer heeft bedragen dan de bijstand voor levensonderhoud en woonkostentoeslag tezamen indien deze over heel 2022 zou zijn verstrekt. Op basis hiervan heeft het college vastgesteld dat alle over dit jaar aan eiser verstrekte bijstand teruggevorderd kan worden. Hierbij heeft het college een correctie op de winst toegepast en een maand woonkostentoeslag dat per abuis was verstrekt niet teruggevorderd. De teveel ontvangen bijstand is met het besluit van 18 januari 2024 vastgesteld op € 6.293,01.
Heeft het college een juiste berekening toegepast?
9. Eiser heeft aangevoerd dat zijn winst over 2022 € 23.750 (€ 37.000 bruto) bedroeg. Minus de vordering op grond van het Bbz (€ 18.000) resteert een bedrag van € 5.750 om heel 2022 van te leven. Uitgaande van een basisbedrag om van te leven (€ 24.000) dienen de volgende kosten te worden afgetrokken. Zijn huur bedraagt € 14.160 per jaar (€ 1.180 per maand). De keuze om goedkoper te gaan wonen is er niet. Daar komen de kosten voor eten, zorgverzekering, gas en licht bij. Eiser heeft ook kosten aan zijn auto die hij nodig heeft om te kunnen werken zoals de autoverzekering en onderhoudskosten. Verder dient eiser rekening te houden met kosten zoals telefoon, water, Concencius, vuilnis afhaalkosten en ziektekosten die niet vergoed worden. Met het bedrag dat hij verdient leeft hij onder de bijstandsnorm. Indien rekening wordt gehouden met het inkomen voor levensonderhoud en de vordering van het college, zou de omzet van eiser € 55.000 bruto moeten bedragen wil hij de vordering kunnen dekken met zijn verdiensten. Hij houdt dan € 0,-- over van zijn winst na de kosten voor levensonderhoud.
10. De rechtbank is van oordeel dat eiser een onjuiste toepassing geeft aan de berekeningswijze bij de definitieve vaststelling van de Bbz-uitkering die eiser heeft ontvangen. De bijstandsuitkering dient te worden afgezet tegen het inkomen uit bedrijf en het loon zoals weergegeven in het besluit van 14 augustus 2024. Het college heeft in dit besluit – gemotiveerd – waarom vervolgens een correctie moet worden toegepast in verband met de woonkostentoeslag en de onjuiste informatie verstrekt door het college. Anders dan eiser, die uitgaat van zijn kosten van levensonderhoud, dient te worden uitgegaan van de hoogte van de toegekende bijstandsuitkering. Hetgeen eiser meer heeft verdiend aan inkomen dient te worden terugbetaald. Dit leidt ertoe dat eiser € 6.293,01 dient terug te betalen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van de berekening van het college te twijfelen.
Heeft het college de juiste regeling toegepast?
11. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij uitgaat van de Bbz-regeling zoals die in 2022 gold en niet van de nieuwe regeling die in 2023 is vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat het college terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c van het Bbz dat sinds 1 januari 2020 geldt.
Is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel?
12. Eiser heeft verder ter zitting aangevoerd dat de heer [naam 2] , die hem sinds 2020 heeft bijgestaan, eiser heeft verzekerd dat indien hij de uitkering niet kan betalen, deze wordt omgezet in een gift. Eiser voert aan dat als hij had geweten dat sprake was van een lening dan had hij nooit hiervoor getekend.
13. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat betrokkene laat zien dat het bevoegde orgaan hem een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan, die bij hem gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Ter beantwoording ligt dus voor de vraag of op die manier een toezegging is gedaan aan eiser door het college. Met andere woorden: mocht eiser erop vertrouwen dat het om een uitkering “om niet” (dus zonder tegenprestatie) ging, en niet om een geldlening?
Uit hetgeen hiervoor is overwogen is de informatie namens het college juist. De bijstand is in 2020 en 2021 omgezet in een gift omdat het inkomen onder de bijstandsnorm uitkwam. Dit gold echter niet voor het jaar 2022 omdat het omzetten in een gift afhankelijk is van de hoogte van het inkomen. Eiser heeft niet aangetoond en de rechtbank acht het niet aannemelijk dat de heer Blok een mededeling heeft gedaan die niet juist was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.
Bevoegdheid tot terugvordering
14. De bijstand wordt teruggevorderd op grond van artikel 54 en Pro 58, tweede lid onder a van de Participatiewet (Pw). Uit de tekst van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 volgt dat het college een zogeheten discretionaire bevoegdheid heeft om de kosten van verleende bijstand terug te vorderen. Dit brengt mee dat het college bij de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering een belangafweging moet maken. Bij het gebruik van deze bevoegdheid maakt het college gebruik van haar beleidsregels zoals vastgesteld in de Beleidsregels herziening, intrekking, terug- en invordering gemeente Haarlemmermeer 2024 (nader: het Beleid). In artikel 3 van Pro die Beleidsregels is bepaald dat het college gebruikt maakt van de bevoegdheid tot terug- en invorderen van ten onrechte verstrekte gelden. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregels moet het college wel nagaan of het redelijk is om van de bevoegdheid gebruik te maken en leidt de aanwezigheid van een dringende reden in ieder geval tot (geheel of gedeeltelijk) afzien van herziening, intrekking, terugvordering dan wel invordering. Gelet op artikel 3:4, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het college ook beoordelen of de nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die met het besluit worden gediend.
15. Uit het advies van de commissie voor bezwaarschriften, waarnaar in het bestreden besluit ter motivering van het besluit wordt verwezen, blijkt dat door het college een belangenafweging is gemaakt waarbij is beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van de terugvordering had moeten worden afgezien.
Hierbij is eisers (toekomstige) financiële situatie meegewogen en de weerslag die dat zal hebben op eisers mentale gezondheid. Verder wordt door het college erkend dat eiser door de diverse overheidsmaatregelen ten nadele is getroffen zoals de coronamaatregelen, het instellen van emissiezones en het voornemen om te gaan handhaven met betrekking tot de Wet DBA uit 2016. Het college ziet hierin echter geen bijzondere omstandigheden omdat deze maatregelen vele ondernemers treffen en er geen sprake is van een situatie die eiser in het bijzonder treft, ook niet de opeenstapeling van maatregelen. In dit verband overweegt het college ook dat wijziging in de regelgeving of veranderingen in de maatschappij tot het leven en het ondernemersrisico behoren. Verder heeft het college in de belangenafweging betrokken dat eiser hoge vaste lasten heeft, met name voor de huur van zijn woning. Ook die omstandigheid vindt het college geen bijzondere omstandigheid, waarmee bij de terugvordering rekening kan worden gehouden, omdat de gevolgen van de keuzes die een burger maakt waaraan hij zijn inkomen besteed niet op de bijstand afgewenteld kunnen worden.
De rechtbank is van oordeel dat deze belangenafweging van het college de rechterlijke toets kan doorstaan. Ook is niet gebleken dat in het geval van eiser de nadelige gevolgen van de besluitvorming onevenredig zijn en niet in verhouding zijn tot de met het besluit te dienen doelen.
Dringende redenen
16. Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw kan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Zoals de Centrale Raad van Beroep in vier uitspraken van 10 december 2024 [2] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. Uit de uitspraken van 10 december 2024 volgt dat het aan eiser is om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Het is vervolgens aan de bijstandverlenende instantie om, zo nodig, daarnaar nader onderzoek te doen.
17. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de door eiser aangevoerde (financiële) omstandigheden niet maken dat het college van de terugvordering had moeten afzien. Het college heeft besloten in afwijking van het Beleid en ten gunste van eiser de aflossing vast te stellen op € 20,-- per maand in plaats van € 65,42 (5% van de bijstandsnorm op 1 juli 2024). Hiermee heeft het college voldoende rekening gehouden met de gevolgen van de terugvordering en eisers financiële situatie. Niet gebleken is dat met deze wijze van invorderen de terugvordering leidt tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor eiser.

Kwijtschelding

18. Eiser heeft om kwijtschelding verzocht omdat hij zijn aflossingen niet kan betalen op basis van zijn algehele inkomenssituatie, zijn hoge vaste lasten en het gegeven dat hij al op andere vorderingen aflost.
Uit het advies van de commissie waarnaar het college verwijst volgt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden zoals vastgesteld in artikel 21 van Pro het Beleid. Er is geen sprake van een schuldenregeling en evenmin van een situatie waarbij te voorzien is dat eiser de aflossing niet kan voldoen. Vorderingen die ontstaan vanuit de bijstand zijn preferent aan andere vorderingen. Verder heeft eiser niet aangetoond dat zijn inkomen dusdanig laag is dat hij geen € 20,00 per maand zou kunnen betalen. Zijn vaste lasten zijn hoog maar dit is een omstandigheid waarmee het college geen rekening hoeft te houden omdat die situatie kan veranderen. Verder volgt uit het Beleid dat eiser de mogelijkheid heeft om een niet-verwijtbare vordering ‘af te kopen’ door 50% van de vordering ineens af te lossen.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan hij wel aan de voorwaarden voor kwijtschelding voldoet. Het college heeft dan ook het verzoek daartoe op goede gronden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.16, derde en vierde lid van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken