Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5696

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
12175394 \ VV EXPL 26-48
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 7:686a BWArt. 7:673 BWArt. 6:119 BWArt. 14 Arbeidsomstandighedenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling loon tijdens ziekte en afwijzing overige salarisvorderingen werknemer

Een werknemer, werkzaam als winkelmedewerker, meldde zich ziek vanaf 22 december 2025. De werkgever accepteerde de ziekmelding, maar schortte de loonbetaling op omdat zij niet geloofde dat de werknemer daadwerkelijk ziek was. De werknemer vorderde in kort geding betaling van het achterstallige loon inclusief vakantietoeslag, betaling van openstaande verlofuren, een correcte eindafrekening, transitievergoeding en incassokosten.

De rechtbank oordeelde dat het niet aan de werkgever is om de ziekte vast te stellen, maar aan een bedrijfsarts of arbodienst. Omdat de werkgever nagelaten had een bedrijfsarts in te schakelen, moest worden aangenomen dat de werknemer ongeschikt was om te werken. Daarom werd de werkgever veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon en vakantietoeslag. De vorderingen tot betaling van verlofuren en het opmaken van een eindafrekening werden afgewezen vanwege onvoldoende spoedeisend belang en gebrek aan bewijs.

De vordering tot betaling van een transitievergoeding werd verwezen naar de verzoekschriftprocedure, omdat deze niet in kort geding kan worden behandeld. De gevorderde incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Werkgever moet achterstallig loon en vakantietoeslag betalen, overige vorderingen worden afgewezen of verwezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknummer: 12175394 \ VV EXPL 26-48
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiseres]
wonende te [plaats 1]
eiseres
hierna te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. H. Temel
tegen
[gedaagde] B.V.
statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2]
gedaagde
hierna te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. H. Kuin.

1.De zaak in het kort

In deze zaak vordert een werknemer in kort geding betaling van loon en overige salariscomponenten tijdens ziekte. Werknemer heeft zich ziekgemeld en werkgever heeft die ziekmelding (onbetwist) geaccepteerd. Werkgever heeft de loonbetaling opgeschort omdat hij, zogezegd, niet gelooft dat werknemer (daadwerkelijk) ziek was. Het is echter niet aan de werkgever om te beoordelen of om vast te stellen of een werknemer al dan niet ziek is, maar aan een bedrijfsarts of arbodienst. Omdat werkgever heeft nagelaten een bedrijfsarts of arbodienst een onderzoek te laten doen, moet ervan worden uitgegaan dat werknemer wegens ziekte ongeschikt was om haar werkzaamheden te verrichten. Werkgever moet daarom het achterstallige loon inclusief vakantietoeslag aan werknemer betalen. De vorderingen tot betaling van openstaande verlofuren en het opmaken van een eindafrekening worden afgewezen. Voor wat betreft de vordering tot betaling van een transitievergoeding wordt de procedure verwezen naar de verzoekschriftprocedure.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 april 2026, met producties 1 tot en met 7,
- de e-mails van de zijde van [gedaagde] van 4 mei 2026, waarmee zij de producties 1 tot en met 4 in het geding heeft gebracht,
- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiseres] is op 1 september 2025 in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van winkelmedewerker. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de bepaalde duur van zeven maanden, met een einde van rechtswege op 31 maart 2026. [eiseres] werkte 40 uren per week tegen een bruto salaris van € 2.510,00 bruto per maand, exclusief emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Levensmiddelenbedrijf van toepassing.
3.2.
[eiseres] heeft zich met ingang van 22 december 2025 ziekgemeld.
3.3.
In een brief van 5 februari 2026 heeft [gedaagde] [eiseres] als volgt bericht:
“(..) Wij verwijzen naar onze eerdere verzoeken om met u in contact te treden in verband met uw werkhervatting. Tot op heden hebben wij hierop geen reactie van u ontvangen en beschikken wij niet over de door ons gevraagde informatie met betrekking tot uw situatie.
Omdat wij hierdoor niet kunnen vaststellen in hoeverre u beschikbaar bent voor het verrichten van arbeid, hebben wij de loonbetaling over de maand januari 2026 voorlopig opgeschort. Zodra wij van u de benodigde informatie ontvangen of met u in overleg zijn geweest, zullen wij de situatie opnieuw beoordelen.
Wij verzoeken u vriendelijk doch dringend om zich op vrijdag 6 februari 2026 om 09:00 uur te melden bij de directie (..) om uw werkzaamheden te hervatten dan wel uw situatie toe te lichten.
(..)
Ten overvloede wijzen wij u erop dat uw arbeidsovereenkomst met [gedaagde] (..) van rechtswege eindigt per 31 maart 2026 en niet zal worden verlengd. (..)”
3.4.
De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 30 maart 2026 – als volgt bericht:
“(..) Cliënt heeft zich op 22 december 2025 ziek gemeld. Tot op heden is zij niet in staat geweest te komen werken. U heeft haar geen arbodienst aangeboden om de ziekte/arbeidsongeschiktheid te laten beoordelen.
(..) Cliënte heeft u reeds twee brieven verstuurd (..). Zij heeft haar achterstallig loon gevorderd, maar heeft u hier geen gehoor aan gegeven. U heeft gevraagd om bewijzen te verstrekken inzake haar ziekte/arbeidsongeschiktheid. Dit kan en mag u niet vragen van een werknemer en dient cliënte deze informatie enkel te delen met de arboarts/bedrijfsarts. Cliënte is te allen tijde bereikbaar geweest. U heeft onterecht het loon opgeschort van cliënte zonder rechtsgeldige reden.
Conclusie
Ik verzoek u dan ook binnen 3 dagen vanaf heden te voldoen aan de volgende verzoeken:
Te bevestigen dat u het loon (tijdens ziekte) van cliënte zal doorbetalen totdat wel rechtsgeldig een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst;
Te bevestigen dat u het loon van de maanden januari/februari/maart zal uitbetalen;
Om cliënte door een Arbodienst te laten oproepen. (..)
Mocht u niet (tijdig) aan de verzoeken voldoen, dan zal ik namens cliënte (…) de rechter (…) verzoeken u te veroordelen het loon (met terugwerkende kracht) te voldoen (…) vermeerderd met wettelijke verhoging (…) ”
3.5.
[gedaagde] heeft niet gereageerd op onder 3.4 weergegeven brief.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt het bruto salaris te betalen over de maanden januari, februari en maart 2026 ad € 7.530,00 te vermeerderen met vakantietoeslag ad € 1.345,36;
II. [gedaagde] veroordeelt over het achterstallig salaris de wettelijke rente, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging aan [eiseres] te betalen vanaf het moment van opeisbaarheid tot het moment van algehele voldoening, in totaal gaat het om een bedrag ad € 3.765,00 aan wettelijke verhoging en € 210,44 aan wettelijke rente;
III. [gedaagde] veroordeelt om de vakantie/verlofuren ad € 1.216,32 (84 uren te voldoen), een correcte eindafrekening op te stellen en de transitievergoeding ad € 527,10 te voldoen;
IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke (incasso)kosten aan [eiseres] ter hoogte van € 901,40 (berekend op basis van staffel BIK), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
V. [gedaagde] veroordeelt in alle proceskosten rechtens, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de uitspraak van het vonnis.
4.2.
[eiseres] legt – kort gezegd - het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [eiseres] heeft zich per 22 december 2025 ziekgemeld. [gedaagde] heeft, ondanks meerdere verzoeken van [eiseres] daartoe, telkens zonder reden geweigerd om een bedrijfs-/arboarts in te schakelen om de ziekte van [eiseres] te beoordelen. [gedaagde] heeft daarmee in strijd met artikel 7:629 BW Pro en de op haar rustende re-integratieverplichtingen gehandeld. De aan [eiseres] opgelegde loonstop (
de kantonrechter begrijpt: loonopschorting) ontbeert daarom iedere rechtsgrond. [eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Zij is een alleenstaande moeder met de zorg voor een minderjarig kind. [eiseres] zit al sinds januari 2026 zonder loon, waardoor bij haar een financiële noodsituatie is ontstaan.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. De zaak leent zich volgens haar niet voor beslechting in kort geding, omdat een aantal nog onduidelijke omstandigheden in een bodemprocedure uitgediept moeten worden. De vordering tot betaling van een transitievergoeding ligt sowieso voor afwijzing gereed, omdat deze bij verzoekschrift moet worden ingeleid.
[gedaagde] heeft na de ziekmelding van [eiseres] in eerste instantie wel contact gehad met haar vaste bedrijfsarts. Maar dat is veranderd nadat [gedaagde] erachter kwam dat [eiseres], terwijl zij was ziekgemeld, in Turkije verbleef en daarover heeft gelogen tegen [gedaagde]. De aanspraak op loon is daarmee wat [gedaagde] betreft in een ander daglicht komen te staan, omdat de reden dat [eiseres] niet werkt voor haar eigen rekening en risico komt. Voor de beoordeling van de vordering tot betaling van vakantie-uren moet worden vastgesteld waar [eiseres] precies heeft verbleven; als zij tijdens haar ziekte in Turkije zat, doet dat iets met de verlofuren. In de gegeven omstandigheden dient de gevorderde wettelijke verhoging te worden gematigd tot nihil. De vorderingen van [eiseres] dienen dus te worden afgewezen, aldus [gedaagde].
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De vorderingen in kort geding kunnen alleen worden toegewezen als [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het gaat om onder andere een vordering tot loonbetaling.
5.2.
Verder is voor toewijzing van de vorderingen in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vorderingen in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zullen worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Het loon
5.3.
Het recht op loon moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:629 lid 1 BW Pro. Volgens dat artikel behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte daartoe verhinderd was. Op grond van artikel 10 lid Pro 1, sub a van de in deze zaak toepasselijke cao voor het Levensmiddelenbedrijf geldt dat de werkgever aan de werknemer die arbeidsongeschikt is geworden, gerekend vanaf de tweede dag van de arbeidsongeschiktheid, gedurende 26 weken het loon uitkeert waarop de werknemer bij normale functie-uitoefening aanspraak zou hebben gehad.
5.4.
Niet in geschil is dat [eiseres] zich heeft ziekgemeld. Gesteld, noch gebleken is dat [gedaagde] deze ziekmelding niet heeft geaccepteerd, zodat de kantonrechter zal uitgaan van acceptatie daarvan door [gedaagde]. [gedaagde] heeft de loondoorbetaling aan [eiseres] evenwel met ingang van 1 januari 2026 gestaakt, omdat zij – zo begrijpt de kantonrechter – niet geloofde dat [eiseres] (daadwerkelijk) ziek was. Het is echter niet aan [gedaagde] als werkgever om te beoordelen of om vast te stellen of [eiseres] al dan niet ziek is, ook niet als er sprake is van al dan niet gerechtvaardigd wantrouwen van de werkgever. Dit dient te gebeuren door een bedrijfsarts of arbodienst. [gedaagde] is op grond van (onder meer) artikel 14 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet ook verplicht om een bedrijfsarts of arbodienst in te schakelen. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling ook aangegeven dat zij beschikt over een (vaste) bedrijfsarts. Het had dan ook op haar weg gelegen om, wanneer zij meende dat [eiseres] niet ziek was, haar bedrijfsarts zo spoedig mogelijk na de ziekmelding van [eiseres] daarnaar onderzoek te laten doen. Omdat [gedaagde] dit heeft nagelaten, moet ervan worden uitgegaan dat [eiseres] wegens ziekte ongeschikt was voor haar werkzaamheden op 22 december 2025 en dat deze ziekte tot het einde van het dienstverband heeft voortgeduurd.
5.5.
[eiseres] heeft dus recht op 100% van het loon over de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026. De vordering tot betaling van het bedrag aan achterstallig salaris over deze maanden ter hoogte van € 7.530,00 bruto zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding de wettelijke verhoging over dit bedrag te matigen tot 15%. Op grond van de wet moet [gedaagde] ook wettelijke rente betalen over de bedragen die te laat betaald zijn (artikel 6:119 BW Pro). De wettelijke rente over het achterstallig salaris en de genoemde wettelijke verhoging wordt daarom toegewezen zoals vermeld onder de beslissing. Daarbij wordt voor de wettelijke rente over de wettelijke verhoging uitgegaan van de datum waarop [gedaagde] in verzuim is gekomen (zie brief onder 3.4).
5.6.
[gedaagde] heeft niet betwist dat [eiseres] hiernaast recht heeft op vakantietoeslag van € 1.345,36. Deze vordering zal, als zijnde een wettelijk onderdeel van het aan [eiseres] toekomende loon, eveneens worden toegewezen. [gedaagde] diende de vakantietoeslag aan het einde van het dienstverband, dus op 31 maart 2026 aan [eiseres] te betalen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat de eindafrekening niet direct, maar binnen een maand na het einde van het dienstverband wordt uitbetaald. De reden hiervoor is dat een werkgever na het einde van een dienstverband enige tijd nodig heeft om te bepalen of hij nog een bedrag aan de werknemer verschuldigd is en zo ja, welk bedrag dat dan moet zijn. Omdat [gedaagde] pas met de uitspraak in deze procedure (meer) duidelijkheid zal verkrijgen over hetgeen zij nog aan [eiseres] is verschuldigd en gezien de korte termijn die sinds 30 april 2026 is verstreken, ziet de kantonrechter aanleiding de gevorderde wettelijke verhoging over de vakantietoeslag te matigen tot nihil. Het verzoek om betaling van de wettelijke verhoging zal daarom in zoverre worden afgewezen. De over de vakantietoeslag gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van het uitbrengen van de dagvaarding, te weten 14 april 2026.
Eindafrekening en vakantie-uren
5.7.
[eiseres] vordert verder dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van niet-genoten vakantie/verlofuren en (in verband daarmee) het opstellen van een correcte eindafrekening.
5.8.
Vast staat de arbeidsovereenkomst per 31 maart 2026 van rechtswege is geëindigd nadat [gedaagde] op 5 februari 2026 [eiseres] had aangezegd dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. [gedaagde] dient dan ook een eindafrekening op te stellen, waarbij de niet-genoten vakantie-uren moeten worden uitbetaald. Zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd kan ook tijdens ziekte vakantie worden genoten, waarvoor vakantieverlof moet worden opgenomen. [gedaagde] heeft met stukken onderbouwd dat [eiseres] in februari 2026 in Turkije is getrouwd. [gedaagde] gaat ervan uit dat [eiseres] (in ieder geval) rond die tijd vakantieverlof heeft gehad. [eiseres] heeft ter zitting erkend dat zij inderdaad in Turkije is getrouwd, maar stelt dat zij op dat moment om medische redenen in Turkije verbleef en voor het huwelijk geen vakantie heeft genoten. De kort geding procedure biedt geen ruimte voor verder onderzoek naar de feiten door bewijslevering. De kantonrechter zal de vordering tot betaling van niet-genoten vakantiedagen daarom afwijzen. Bij een veroordeling tot het opmaken van een eindafrekening bestaat onder deze omstandigheden geen voldoende spoedeisend belang, Ook die vordering wordt daarom afgewezen.
Transitievergoeding
5.9.
De vordering tot betaling van de transitievergoeding kan, zoals [gedaagde] terecht stelt, op grond van artikel 7:686a lid 2 BW slechts bij verzoekschriftprocedure worden ingeleid. Deze vordering is ingesteld binnen de op grond van artikel 7:686a lid 4 BW geldende vervaltermijn. De kantonrechter zal de procedure voor zover het betreft de vordering tot betaling van een transitievergoeding met toepassing van artikel 69 Rv Pro daarom verwijzen naar de verzoekschriftprocedure.
5.10.
Ter voorkoming van vertraging en extra proceskosten door een vervolgprocedure en ter voorlichting aan partijen overweegt de kantonrechter ten overvloede nog als volgt. Op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a onder Pro 3 BW is [gedaagde] de wettelijke transitievergoeding aan [eiseres] verschuldigd, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 (irtikel 7:868a lid 1 BW). Deze betaalverplichting staat los van de discussie tussen partijen over de gang van zaken gedurende de laatste drie maanden van de arbeidsovereenkomst. Partijen kunnen er voor kiezen om op dit punt een regeling te treffen, waardoor handhaving van dit punt in de verzoekschriftprocedure niet nodig is. In dat geval wordt partijen verzocht dit aan de kantonrechter te laten weten (zie onderdeel 6.7 van de beslissing).
buitengerechtelijke incassokosten
5.11.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld dat daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die een dergelijke vergoeding rechtvaardigen. [eiseres] stelt weliswaar dat zij in aanloop naar het kort geding veel tijd heeft gespendeerd aan deze zaak, hetgeen volgens haar moet blijken uit de ‘diverse correspondentie’ die tussen partijen is gevoerd. Naast twee relatief eenvoudige brieven van begin januari 2026 is er echter geen enkele correspondentie tussen [eiseres] en [gedaagde] in het geding gebracht, waardoor voor een vergoeding van incassokosten naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen aanleiding bestaat.
de proceskosten
5.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] met een toevoeging procedeert worden de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot van rijkswege vergoed. De proceskosten van [eiseres] worden aldus begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
Totaal
1.102,00
5.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen het brutosalaris over de maanden januari, februari en maart 2026 ter hoogte van € 7.530,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf het moment van opeisbaarheid tot het moment van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de wettelijke verhoging van 15% te betalen over het achterstallig salaris van € 7,530,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 april 2026 tot het moment van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag aan vakantietoeslag van
€ 1.345,36, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 april 2026 tot het moment van volledige betaling,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
splitst de vordering tot betaling van transitievergoeding af en beveelt dat de procedure op dat punt in de stand waarin deze zich bevindt, zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure;
6.7.
stelt [gedaagde] in de gelegenheid haar stellingen binnen vier weken, dus uiterlijk op 17 juni 2026, zo nodig aan te passen op de voor de verzoekschriftprocedure toepasselijke procesregels dan wel de kantonrechter te berichten dat verwijzing naar de verzoekschriftprocedure niet meer nodig is;
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
1467