Een werknemer, werkzaam als winkelmedewerker, meldde zich ziek vanaf 22 december 2025. De werkgever accepteerde de ziekmelding, maar schortte de loonbetaling op omdat zij niet geloofde dat de werknemer daadwerkelijk ziek was. De werknemer vorderde in kort geding betaling van het achterstallige loon inclusief vakantietoeslag, betaling van openstaande verlofuren, een correcte eindafrekening, transitievergoeding en incassokosten.
De rechtbank oordeelde dat het niet aan de werkgever is om de ziekte vast te stellen, maar aan een bedrijfsarts of arbodienst. Omdat de werkgever nagelaten had een bedrijfsarts in te schakelen, moest worden aangenomen dat de werknemer ongeschikt was om te werken. Daarom werd de werkgever veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon en vakantietoeslag. De vorderingen tot betaling van verlofuren en het opmaken van een eindafrekening werden afgewezen vanwege onvoldoende spoedeisend belang en gebrek aan bewijs.
De vordering tot betaling van een transitievergoeding werd verwezen naar de verzoekschriftprocedure, omdat deze niet in kort geding kan worden behandeld. De gevorderde incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.