Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5953

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
HAA 25/4560
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vermindert dwangsom invordering wegens disproportionaliteit en bijzondere omstandigheden

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft de invordering van een dwangsom van € 25.000,- opgelegd aan eiseres wegens overtreding van artikel 13b van de Opiumwet in een door haar verhuurde woning. De burgemeester handhaafde de invordering na bezwaar, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.

Eiseres betwistte haar verwijtbaarheid en stelde dat zij als ambulante begeleider geen toezichthoudende bevoegdheden heeft en dat de dwangsom disproportioneel is, mede omdat de zorgverlening hierdoor in gevaar komt. De rechtbank erkent dat een overtreding heeft plaatsgevonden, maar acht het niet evident dat eiseres als overtreder moet worden aangemerkt.

De rechtbank weegt de inspanningen van eiseres, de locatie van de aangetroffen drugs en haar rol als zorgverlener mee en concludeert dat de volledige invordering onevenredig is. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en bepaalt zij zelf een lagere dwangsom van € 6.250,-. Tevens wordt het griffierecht aan eiseres vergoed.

Uitkomst: De rechtbank vermindert de dwangsom tot € 6.250,- wegens disproportionaliteit en bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4560

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de burgemeester van de gemeente Purmerend, de burgemeester

(gemachtigden: mr. S.B.M. de Graaf en S.E. Makkus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de invordering van een dwangsom van € 25.000,- Eiseres is het niet eens met de invordering en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de burgemeester om tot invordering van € 25.000,- over te gaan onevenredig is. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat eiseres een dwangsom van € 6.250,- moet betalen. Het beroep van eiseres is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het primaire besluit van 17 april 2025 is van eiseres een dwangsom ter hoogte van € 25.000,- ingevorderd wegens het overtreden van de last die op 7 oktober 2024 aan eiseres is opgelegd. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is de burgemeester bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de burgemeester.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft de burgemeester – naar aanleiding van de vondst van vermoedelijke hard- (en soft)drugs op 3 augustus 2024 in een woning die door eiseres werd verhuurd – aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd om herhaling van een overtreding van artikel 13b van de Opiumwet in de gemeente Purmerend te voorkomen. Als er in een woning of een pand dat eiseres in de gemeente Purmerend verhuurt opnieuw een overtreding van artikel 13b van de Opiumwet wordt geconstateerd, verbeurt eiseres een eenmalige dwangsom van € 25.000,-. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt.
3.2.
Bij brief van 10 maart 2025 heeft de burgemeester eiseres een voornemen verzonden tot invordering van de dwangsom van € 25.000,-. Dit omdat de politie op 22 januari 2025 een handelshoeveelheid drugs heeft aangetroffen in een woning die door eiseres wordt verhuurd op het adres [adres] in Purmerend (hierna: de woning). Eiseres heeft daarop gereageerd met een zienswijze..
3.3.
De burgemeester heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om af te zien van invordering van de dwangsom. Vervolgens is met het primaire besluit, dat met het bestreden besluit in stand is gelaten, een dwangsom van € 25.000,- ingevorderd bij eiseres.

Beoordeling door de rechtbank

Beroepsgronden eiseres
4. Eiseres stelt niet verwijtbaar te hebben gehandeld. De drugs zijn niet afkomstig van eiseres, en eiseres faciliteert de handel in drugs niet. Eiseres biedt ambulante begeleiding op maat. De kamers van de cliënten worden meermaals per week gecontroleerd, maar eiseres heeft geen toezichthoudende bevoegdheden zoals de politie of de gemeente. Een cliënt heeft zich onrechtmatig gedragen. Diegene is de overtreder. Eiseres betwist dat er eerder drugs zijn aangetroffen in een woning die zij verhuurt. De nu betreffende woning is per 1 februari 2025 opgezegd en de zeven inwonende jongeren worden individueel overgeplaatst. De kans op herhaling is dus weggenomen. Volgens eiseres is (de invordering van) de dwangsom disproportioneel. Een begeleider zou niet aansprakelijk moeten zijn voor heimelijk gedrag van een cliënt. Het gaat hier niet om nalatigheid maar om overmacht. Het bedrag van de dwangsom is tevens te hoog. Door deze dwangsom moet de zorg in de woning stoppen en dreigt er een faillissement. Gemeenten wentelen hun zorgverantwoordelijkheid af op individuele hulpverleners. Het sociale werk wordt op deze manier compleet uitgehold. Dit terwijl in gemeentelijke instellingen dezelfde incidenten plaatsvinden zonder dat er daarna bestuurlijke maatregelen volgen. Zorgprofessionals zullen terughoudender worden met plaatsen van complexe cliënten, uit angst voor dwangsommen. Het had op de weg van de burgemeester gelegen om de dwangsommen op te leggen aan de overtreder in plaats van de ambulante begeleiding, aldus eiseres.
Gronden gericht tegen de last onder dwangsom
5.1.
Ter zitting is gebleken dat eiseres niet (langer) betwist dat eerder een overtreding van artikel 13b van de Opiumwet is begaan, in die zin dat een handelshoeveelheid drugs in een door haar verhuurde woning is aangetroffen. Wel betwist eiseres dat zij overtreder is. Ook betwist eiseres de evenredigheid van de (hoogte van de) dwangsom. De rechtbank begrijpt dat eiseres daarnaast een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, in die zin dat zij erop wijst dat bij vergelijkbare incidenten in gemeentelijke instellingen geen bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd.
5.2.
De voorgaande gronden betreffen argumenten die eiseres had kunnen inbrengen tegen de last onder dwangsom van 7 oktober 2024. Het is echter vaste rechtspraak dat een belanghebbende in een procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. [1] Dit laatste is de rechtbank niet gebleken, zodat niet wordt toegekomen aan inhoudelijke bespreking van de gronden gericht tegen de last onder dwangsom. Hieronder licht de rechtbank dit toe.
5.3.
Het is niet langer in geschil dat een overtreding van artikel 13b van de Opiumwet is begaan. Daarnaast is niet evident dat eiseres geen overtreder is. Hoewel eiseres het betreffende wettelijke voorschrift niet zelf heeft geschonden, kan zij toch verantwoordelijk worden gehouden en als overtreder worden aangemerkt. Van degene die een pand verhuurt mag namelijk worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt.
Bijzondere omstandigheden om geheel of gedeeltelijk van invordering af te zien?
6.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom, aan het belang van die invordering veel gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Alleen in bijzondere omstandigheden, waaronder een schending van het evenredigheidsbeginsel, kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [2]
6.2.1.
De enkele stelling van eiseres dat door (invordering van) de dwangsom een faillissement dreigt, maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de burgemeester geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien.
6.2.2.
Het bestuursorgaan hoeft bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom in beginsel namelijk geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet aannemelijk maken dat dit het geval is. Hij moet daarvoor informatie verstrekken waaruit blijkt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. [3] Met de enkele stelling dat sprake is van een dreigend faillissement, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt niet in staat te zijn de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen.
6.3.1.
De rechtbank is echter van oordeel dat invordering van de (volledige) dwangsom in dit geval onevenredig is. Hieronder licht de rechtbank dit toe.
6.3.2.
In het bestreden besluit heeft de burgemeester het standpunt ingenomen dat eiseres niet heeft aangetoond dat sprake is van een uitzonderlijk geval dat ertoe leidt dat nu niet tot invordering kan worden overgegaan. In het verweerschrift heeft de burgemeester verder het standpunt ingenomen dat het feit dat eiseres geen toezichthoudende bevoegdheden heeft, niet betekent dat zij niet verantwoordelijk is voor het beheer en de veiligheid binnen de woonlocatie. Eiseres had meer maatregelen moeten nemen, zeker nu het niet de eerste keer was dat een overtreding plaatsvond in een door eiseres verhuurde woning.
6.3.3.
Anders dan de burgemeester is de rechtbank van oordeel dat in onderhavige zaak sprake is van bijzondere omstandigheden waarin de burgemeester aanleiding had moeten zien om gedeeltelijk van invordering af te zien. Uit de door eiseres overgelegde stukken in beroep volgt dat in ieder geval in de periode van 1 november 2024 tot en met 15 januari 2025 sprake is geweest van frequente kamercontroles bij de cliënt die bekend was met een eerdere overtredingen van de Opiumwet. Eiseres heeft daarover op de zitting toegelicht dat zij – vanuit haar rol als hulpverlener – bijna iedere dag bij cliënt en in de woning kwam. Eiseres wijst er daarbij op dat de kamer van de cliënt dan werd gecontroleerd, maar dat zij deze niet kan controleren als de deur op slot zit omdat zij geen bijzondere toezichthoudende bevoegdheden heeft. De op 22 januari 2025 bij die cliënt aangetroffen drugs, die aanleiding gaven tot invordering van de opgelegde dwangsom, werden blijkens de bestuurlijke rapportage van 23 januari 2025 bovendien gevonden in een kluis die in een tas naast de voordeur lag. De drugs lagen dus niet (zodanig) in het zicht dat eiseres hiervan redelijkerwijs op de hoogte had moeten zijn. Bovendien rijst de vraag of de drugs daar langdurig aanwezig waren nu deze gevonden werden in een tas naast de voordeur.
6.3.4.
Gelet op de inspanningen van eiseres om te voorkomen dat opnieuw drugs zouden worden aangetroffen bij de cliënt, de locatie van de aangetroffen drugs en de rol van eiseres als tevens zorgverlener, is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval niet evenredig is om tot invordering van de volledige dwangsom over te gaan. Aangezien het desondanks denkbaar is dat eiseres wat verdergaande maatregelen had kunnen treffen om herhaling bij deze specifieke cliënt te voorkomen, acht de rechtbank de invordering van een kleiner gedeelte van de dwangsom wel evenredig.

Conclusie en gevolgen

7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de volledige invordering van € 25.000,- bij eiseres onevenredig is. Het beroep van eiseres is dus gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.
7.2.
De rechtbank ziet in de omstandigheden aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf een beslissing te nemen en te bepalen dat eiseres een dwangsom van € 6.250,- moet betalen.
7.3.
Omdat het beroep van eiseres gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 2025;
- herroept het primaire besluit van 17 april 2025;
- bepaalt dat eiseres een dwangsom van € 6.250,- moet betalen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:498.
2.Zie de uitspraak van de ABRvS van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1905.
3.Zie de uitspraak van de ABRvS van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1259.