Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6929

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/15/378148 / KG ZA 26-264
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BWArt. 2:292a BWArt. 2:298 BWArt. 2:298a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod op voorgenomen ontslag statutair bestuurder Stichting Hospice Groep Haarlem

De zaak betreft een kort geding tussen de statutair bestuurder van Stichting Hospice Groep Haarlem (HGH) en de raad van toezicht, die een voorgenomen ontslagbesluit tegen de bestuurder heeft genomen. De bestuurder vordert een verbod op het agenderen, stemmen en uitvoeren van het ontslag totdat in een verzoekschriftprocedure over het ontslag is beslist.

De rechtbank stelt vast dat de raad van toezicht bevoegd is tot ontslag en dat het voorgenomen besluit gebaseerd is op een fundamenteel verschil van inzicht over de rolverdeling, onvoldoende samenwerking, zorgen over de aansturing en kwaliteit van zorg, en het niet naleven van afspraken. De bestuurder betwist deze gronden en wijst op haar goede functioneren en de negatieve rol van de raad van toezicht.

De voorzieningenrechter weegt de belangen en oordeelt dat het ontslagbesluit niet onredelijk is en dat de raad van toezicht voldoende redenen heeft om het vertrouwen in de bestuurder te hebben verloren. De vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen wordt daarom afgewezen. De bestuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verbod op het voorgenomen ontslag af en veroordeelt de bestuurder in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Handel, Kanton en Insolventie
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/378148 / KG ZA 26-264
Vonnis in kort geding van 4 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [plaats 1],
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. D.J.M. Lange,
tegen

1.STICHTING HOSPICE GROEP HAARLEM EN OMSTREKEN,

gevestigd te Haarlem,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats 2],
3.
[gedaagde 3],
wonende te [plaats 3],
gedaagden,
advocaat: mr B. Schouten,
hierna samen te noemen: gedaagden en afzonderlijk: HGH, [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden samen genoemd: de raad van toezicht.
De zaak in het kort
[eiseres] is de enig statutair bestuurder van HGH. De raad van toezicht heeft op 18 mei 2026 een (tweede) voorgenomen ontslagbesluit aan [eiseres] bekendgemaakt. [eiseres] vordert gedaagden te verbieden een zodanig besluit te agenderen, ter stemming te brengen, te nemen of te bewerkstelligen totdat een beschikking voorlopige voorzieningen is gegeven in de door haar aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure over het ontslag van de raad van toezicht. De gevraagde voorziening wordt afgewezen, omdat het voorgenomen ontslagbesluit de marginale toets in kort geding doorstaat.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met 70 producties,
- de akte namens [eiseres], met overlegging van producties E71 en E72,
- de conclusie van antwoord, met 15 producties,
- de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van de advocaat van [eiseres],
- de pleitnota van de advocaat van gedaagden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
HGH is een stichting die palliatieve zorg levert met hulp van gespecialiseerde vrijwilligers, zowel bij de patiënten thuis als in een kleinschalig hospice in Haarlem-Zuid. De organisatie bestaat uit circa 110 vrijwilligers en 5 betaalde coördinatoren.
2.2.
Naast HGH bestaan twee nauw verbonden zusterstichtingen: Stichting Hospicepand Zuiderhoutlaan 10 en Stichting Steunfonds Hospice Groep Haarlem en Omstreken (hierna: Stichting Steun).
2.3.
[eiseres] was vanaf 2016 tot 2023 titulair bestuurder en is vanaf 2023 (enig) statutair bestuurder van HGH.
2.4.
Op 28 maart 2023 is bij statutenwijziging een raad van toezicht ingesteld.
De statuten luiden, voor zover van belang, als volgt:
“(…)
bestuursbevoegdheid en vergoedingen
7.1.
Het Bestuur is belast met het besturen van de Stichting, zulks onder toezicht van de Raad van Toezicht.
(…)
7.3.
Bij de vervulling van hun taak richten de bestuurders zich naar het belang van de Stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie. Het Bestuur verschaft de Raad van Toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak noodzakelijke gegevens. Het Bestuur stelt ten minste éénmaal per jaar de Raad van Toezicht schriftelijk op de hoogte van de hoofdlijnen van het strategisch beleid, de algemene en financiële risico's en het beheers- en controlesysteem van de Stichting.
(…)
einde lidmaatschap van het Bestuur
9. Het lidmaatschap van het Bestuur eindigt:
(…)
- door een besluit door de Raad van Toezicht genomen;
(…)
samenstelling Raad van Toezicht, benoeming leden, taken en bevoegdheden
10.1.
De Stichting kent een Raad van Toezicht, bestaande uit één of meer natuurlijke personen (…).
10.2.
De Raad van Toezicht bestaat uit een tenminste twee en ten hoogste vijf leden, zulks te bepalen door de raad van Toezicht zelf.
(…)
10.5.
De Raad van Toezicht heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het Bestuur en op de algemene gang van zaken in de Stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie. Hij staat het Bestuur met raad terzijde. Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de Raad van Toezicht zich naar het belang van de Stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.
10.6.
Het Bestuur verstrekt alle inlichtingen betreffende de zaken van de Stichting aan ieder lid van de Raad van Toezicht die deze mocht verlangen. De Raad van Toezicht is bevoegd inzage te nemen van alle boeken, bescheiden en correspondentie van de Stichting en tot kennisneming van alle plaats gehad hebbende handelingen.
(…)”
2.5.
De raad van toezicht bestaat uit [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. De raad van toezicht bestond voorheen uit vier leden met naast [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ook mevrouw [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]).
2.6.
HGH is al langere tijd bezig met uitbreidingsplannen. Op 5 juli 2022 heeft het Project Team Uitbreiding geadviseerd tot uitbreiding met een tweede locatie met ten minste zes extra bedden.
2.7.
Op 26 april 2024 heeft HGH een business case opgesteld voor de tweede locatie waarin is geconcludeerd dat er voldoende vraag is voor een gecombineerde hospicezorg- en logeerzorgvoorziening en dat de exploitatie daarvan vanaf het tweede jaar kostendekkend is.
2.8.
Op 13 januari 2025 heeft wethouder [betrokkene 3] van de gemeente Haarlem tijdens een werkbezoek met HGH besproken dat er vanuit de gemeente Haarlem en Zandvoort € 500.000,- aan subsidie beschikbaar was voor de uitbreiding, maar dat deze middelen in 2025 een bestemming moesten krijgen.
2.9.
Op 30 april 2025 is een auditrapport medicatieveiligheid van HGH opgesteld door [betrokkene 4]. Daarin zijn zes verbeterpunten aanbevolen, waaronder één betreffende de toegankelijkheid van de bij HGH in voorraad zijnde medicijnen voor onbevoegden en één betreffende de werksfeer.
2.10.
Op 5 juni 2025 heeft de gemeente Bloemendaal het pand aan de Mr. Enschedeweg 22 te Aerdenhout aangewezen als beoogde locatie voor de uitbreiding.
2.11.
Op 15 oktober 2025 heeft de raad van toezicht in een vergadering met [eiseres] en het bestuur van Stichting Steun voorlopig ingestemd dat Stichting Steun het pand in Aerdenhout verwerft en om niet ter beschikking stelt aan HGH, onder andere onder de voorwaarde van een goedgekeurde business case en een fiscale opinie waaruit blijkt dat deze constructie geen gevaar oplevert voor de ANBI-status van Stichting Steun.
2.12.
Op 4 november 2025 heeft Gupta Strategies in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een rapport uitgebracht over organisatievormen en bekostigingsstructuren in het hospicelandschap in Nederland (hierna: Gupta-rapport).
In dit rapport worden uitspraken gedaan omtrent de te verwachten ontwikkelingen in de hospice zorg, die volgens Gupta planmatiger vorm moet krijgen dan nu gebeurt.
2.13.
Op 2 december 2025 heeft de raad van toezicht een document genaamd ‘Reflectie & Ontwikkelperspectief 2024-2025’ met [eiseres] gedeeld (hierna: het beoordelingsdocument). In het beoordelingsdocument heeft de raad van toezicht [eiseres] naast lovende beoordelingen over het functioneren van [eiseres] als verbinder, lobbyist en stakeholder concrete feedback en ontwikkelpunten meegegeven met een groeipad van directeur naar bestuurder. Dat pad kent drie pijlers: (1) visievorming, (2) het vanuit die visie loslaten van de operatie en (3) op die manier creëren van de ruimte die een bestuurder nodig heeft om met afstand en visie te besturen. Aan dit document wordt het volgende ontleend.
“ (…)
Binnen de dagelijkse operatie is jouw betrokkenheid groot en dat is begrijpelijk en bewonderenswaardig. Je bent immers de spil in een intensieve Organisatie met veel vrijwilligers, veel menselijkheid en hier en daar ook kwetsbaarheid. Tegelijkertijd zien we hier ook een bedreiging die we graag om zouden willen zetten naar kansen:
• Het team moet empowered worden
• Niet alles hoeft of kan via jou lopen
• Een groeiende organisatie vraagt dat jij ruimte creëert en loslaat
• Durf vervelende keuzes te maken ook als het persoonlijk wordt.
(…)
Als Raad van Toezicht dragen we een belangrijke verantwoordelijkheid voor de continuïteit van het hospice. Vanuit die rol is het essentieel dat kennis, verantwoordelijkheden en besluitvorming niet op één persoon leunen, maar worden gedragen door een stevig team om jou heen. Daarmee verkleinen we de kwetsbaarheid bij afwezigheid van de bestuurder en vergroten we tegelijkertijd de wendbaarheid en toekomstbestendigheid van de Organisatie.
Het is in dit interne domein dat de stap richting een bestuurder boven de organisatie zich het duidelijkst aftekent.
(…)
De komende periode willen wij jou ondersteunen in een ontwikkeling die draait om drie pijlers:
I Bestuurlijke visie vormen
Een bestuurder:
  • Jouw focus ligt op de middellange en lange termijn
  • Creëert kaders en laat de gehele uitvoering over aan het team
  • Stuurt op hoofdlijnen
  • Ontwikkelt een visie op de Organisatie, het team, de twee locaties en de toekomst.
(…)
II Empoweren van het team & loslaten van operatie
De Organisatie groeit, daarmee moet jij minder centraal worden.
Ontwikkelpunten:
  • Delegeren van taken en besluiten die niet bij een bestuurder horen.
  • Versterken van de coördinatoren richting vestigingsmanagers en uitbreiding van het vrijwilligersteam op operationele zaken met duidelijke taakverdeling en verantwoordelijkheden zodat zij zelfstandig kunnen bestieren.
  • Grenzen bewaken tussen leiderschap en uitvoering.
  • Ruimte creëren zodat de organisatie onafhankelijk van jou wordt.
Wees je ervan bewust: loslaten is geen risico, maar een bestuurlijke vaardigheid.
III. Van inhoud naar invloed en van controle naar vertrouwen
Wij zien datje snel in de verdediging schiet wanneer je feedback krijgt of wanneer iets onduidelijk is. Da komt voort uitjouw enorme betrokkenheid - maar het kostje energie en belemmert de bestuurlijke afstand die hoort bij de stap die we samen met jou aan het maken zijn.
Van een bestuurder verwachten we:
  • Boven de spanning kunnen blijven hangen
  • Feedback kunnen ontvangen zonder het persoonlijk te voelen
  • Ruimte houden om te reflecteren
  • Besluiten nemen vanuit rust
  • Niet alles willen vasthouden of controleren, niet overal mee bemoeien
Wij hebben er vertrouwen in dat jij dit kunt juist omdat je al zoveel groei hebt laten zien.
(…)”
2.14.
Op 4 december 2025 heeft de raad van toezicht naar aanleiding van het beoordelingsdocument een reflectie- en ontwikkelgesprek met [eiseres] gevoerd. [eiseres] heeft daarin aangegeven dat ze niet blij is met het document, de feedback niet op prijs stelt, zich niet herkent in de in het document opgenomen ontwikkelpunten en het toezicht van de raad als controlerend en bemoeizuchtig ervaart.
2.15.
Het beoordelingsdocument is op 8 december 2025 tijdens een vergadering van de raad van toezicht nader besproken. Ook in dat gesprek hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over een ontwikkelplan. Daarnaast is de medicatieveiligheidsaudit en het uitbreidingsdossier besproken. De raad van toezicht heeft onder meer aangegeven actie te willen zien op de auditresultaten en vóór kerst 2025 een sluitende business case te willen ontvangen over de uitbreiding.
2.16.
Op 9 december 2025 heeft [eiseres] met de raad van toezicht een meerjarenexploitatie, projectbegroting en een indicatieve tijdlijn in het uitbreidingsdossier gedeeld. Ook zijn op deze datum de definitieve subsidieaanvragen ingediend bij de gemeenten Haarlem en Zandvoort.
2.17.
Op 22 december 2025 hebben de gemeenten Haarlem en Zandvoort besloten om in totaal € 537.000,- aan subsidie toe te kennen voor de uitbreiding.
2.18.
Op 24 december 2025 heeft [eiseres] aan de raad van toezicht een overzicht van de investeringskosten en kostendekking voor het pand te Aerdenhout en een bouwkostenberekening verzonden. Daarin werd een te dekken investeringsgat van
€ 1.383.000,- zichtbaar.
2.19.
Op 29 december 2025 hebben [eiseres], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een derde keer over het beoordelingsdocument gesproken. In dit gesprek is geconcludeerd dat er “geen nader gezamenlijk perspectief” is ontstaan en dat de raad van toezicht wantrouwen voelt vanuit [eiseres] als bestuurder. [eiseres] heeft aangegeven dat zij het oneens is met de toon van het beoordelingsdocument. De raad van toezicht heeft onder meer aangegeven dat de berekende kostenbegroting “volstrekt onacceptabel” is en dat een uitgewerkte business case voor half januari 2026 binnen moet zijn.
2.20.
Op 31 december 2025 heeft [eiseres] een meerjarenexploitatiebegroting 2026-2030 aan de raad van toezicht gestuurd.
2.21.
Op 5 januari 2026 heeft de raad van toezicht aan [eiseres] medegedeeld dat alle leden vanwege ernstige werkbaarheidsproblemen en voortdurende verschillen van inzicht over rolopvattingen hun functie per uiterlijk 1 april 2026 neerleggen, of zoveel eerder als er minimaal twee nieuwe leden zijn benoemd.
2.22.
Op 30 januari 2026 is [betrokkene 1] met onmiddellijke ingang afgetreden als lid van de raad van toezicht, omdat zij van oordeel was haar toezichthoudende rol niet langer zorgvuldig en verantwoord kon uitoefenen.
2.23.
Op 8 februari 2026 is de raad van toezicht benaderd door drie vrijwilligers die hadden besloten HGH te verlaten.
2.24.
Op 16 februari 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde 2], [betrokkene 2], [gedaagde 3], [eiseres] en [betrokkene 5], kernvrijwilliger en voormalig lid van het projectteam Uitbreiding. In dit gesprek heeft de raad van toezicht onder andere medegedeeld dat hij had gesproken met de vertrokken vrijwilligers die aangaven dat sprake was van een ‘toxische werkomgeving’.
2.25.
Op 21 februari 2026 is [betrokkene 2] om gezondheidsredenen met onmiddellijke ingang afgetreden als lid van de raad van toezicht.
2.26.
Op 22 februari 2026 heeft de raad van toezicht besloten tot een ‘standstill’ met betrekking tot de uitbreiding, inhoudende dat er vanaf dat moment in dat dossier geen besluiten meer genomen zouden worden totdat er twee nieuwe leden zouden zijn gevonden voor de raad van toezicht en de bestuurlijke verhoudingen en informatievoorziening aantoonbaar waren gestabiliseerd.
2.27.
Op 11 maart 2026 heeft [gedaagde 2] namens de raad van toezicht aan [eiseres] geschreven:
“Beste [eiseres],
De Raad van Toezicht van Stichting Hospice Groep Haarlem e.o. (“HGH”) heeft zich in de afgelopen periode intensief beraden op de bestuurlijke situatie binnen HGH, de samenwerking tussen bestuur en toezicht en de wijze waarop de organisatie op dit moment
wordt aangestuurd. De Raad is daarbij tot het oordeel gekomen dat het noodzakelijke vertrouwen in een verantwoorde voortzetting van jouw functioneren als statutair bestuurder is komen te vervallen. Tegen die achtergrond is de Raad van Toezicht voornemens te besluiten tot jouw ontslag als statutair bestuurder van HGH.
(…)
Aan dit voornemen liggen, in onderlinge samenhang bezien, onder meer de volgende omstandigheden ten grondslag.
a. Vertrouwensbreuk en verschil van inzicht over bestuur en toezicht
(…)
b. Zorgen over de aansturing van de organisatie
(…)
c. Kwaliteit, veiligheid en continuïteit van zorg
(…)
d. Niet-naleving van het door de Raad vastgestelde kader van 22 februari 2026
(…)
e. Parallele trajecten en externe benadering zonder voorafgaande afstemming met de Raad
(…)
f. Onvoldoende basis voor herstel van vertrouwen
(…)”
2.28.
Op 12 maart 2026 zijn partijen overeengekomen het voorgenomen ontslagbesluit tijdelijk op te schorten. [eiseres] en de raad van toezicht hebben vervolgens geprobeerd in mediation een oplossing te bereiken, maar dat is niet gelukt.
2.29.
Bij brief van 19 mei 2026 is het voorgenomen ontslag van [eiseres] opnieuw door de raad van toezicht geagendeerd onder vermelding van dezelfde gronden.

3.Het geschil

3.1.
Het staat vast dat de raad van toezicht een (tweede) voorgenomen ontslagbesluit aan [eiseres] heeft bekendgemaakt. Gelet op de verschillende scenario’s die [eiseres] in het petitum van de dagvaarding heeft uitgewerkt, vordert [eiseres] - samengevat - dat de voorzieningenrechter gedaagden, ieder voor zich, verbiedt om:
Het voorgenomen ontslagbesluit te agenderen, in of buiten vergadering ter stemming te brengen, te nemen of op enigerlei wijze te bewerkstelligen, totdat in de door [eiseres] aanhangig te maken verzoekschriftprocedure als bedoeld in artikel 2:298 BW Pro op een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen is beslist,
Gedurende de looptijd van voornoemde verzoekschriftprocedure, althans totdat op een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen is beslist, het voorgenomen ontslagbesluit te nemen, te bewerkstelligen of daaraan uitvoering te geven, alsmede tot de benoeming van een tijdelijke, waarnemend of opvolgend bestuurder over te gaan, behoudens nadere rechterlijke beslissing.
en
3. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot de dag van algehele voldoening.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering -samengevat- het volgende ten grondslag. De bevoegdheid van de raad van toezicht om haar als bestuurder te ontslaan wordt begrensd door het belang van HGH en de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW Pro.
De raad van toezicht kon in dit geval niet in redelijkheid tot het voorgenomen ontslagbesluit komen. [eiseres] is immers een goed functionerende bestuurder en HGH draait operationeel goed. Het communicatie- en rolconflict tussen [eiseres] en de raad van toezicht dat aan het voorgenomen ontslagbesluit ten grondslag ligt was al afgehandeld door het besluit van de raad van toezicht om zelf af te treden. Om dit nu alsnog als ontslaggrond te gebruiken is inconsistent, onzorgvuldig en in strijd met de in art 2:8 BW Pro en de taaknorm van artikel 2:292a BW, aldus [eiseres]. De raad van toezicht handelt niet in het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie en heeft niet alle in aanmerking komende belangen naar de in art. 2:8 voorgeschreven Pro redelijkheid en billijkheid afgewogen.
Daarnaast zijn de aangevoerde ontslaggronden ondeugdelijk. Het conflict en de ontstane vertrouwensbreuk is immers mede veroorzaakt door de raad van toezicht. Ook zijn de signalen vanuit de organisatie te laat met [eiseres] gedeeld, in strijd met de eisen van zorgvuldigheid. De raad van toezicht heeft hierdoor de onrust alleen maar vergroot.
Verder missen de verwijten over kwaliteit en veiligheid feitelijke basis, gelet op de goede beoordeling in de audit.
Tevens is het verwijt dat [eiseres] externe partijen of de Stichting Steun zonder toestemming van de raad van toezicht zou hebben benaderd ongegrond en slechts erop gericht om de continuïteit van de uitbreiding te bewaken gelet op de ontstane onrust. Tot slot valt een belangenafweging uit in het voordeel van de status quo, gelet op het belang van HGH op continuïteit en het realiseren van de uitbreiding. Een ontslagbesluit zal leiden tot bestuurlijke en operationele ontwrichting, reputatieschade en onzekerheid onder alle stakeholders.
3.3.
Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de gevraagde voorziening.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Is de zaak spoedeisend?
4.2.
Ontslag van een bestuurder is ingrijpend. Een bestuurder die daarmee wordt geconfronteerd heeft uit de aard der zaak een spoedeisend belang bij een voorlopig oordeel over de vraag of daar toereikende gronden voor zijn. Effectuering van het ontslag heeft immers een aanzienlijke fait accompli werking.
Ten gronde:
4.3.
De vordering strekt ertoe op te komen tegen het voorgenomen ontslag door dat ontslag hangende een door eiseres op de voet van artikel 2:298 BW Pro aanhangig te maken procedure te doen verbieden. Tussen partijen is niet in geschil dat de raad van toezicht op grond van de statuten van de stichting bevoegd is het bestuur van de stichting te benoemen en te ontslaan. De omstandigheid dat de raad van toezicht in een eerder stadium heeft besloten dat de spanningen in de relatie tussen de bestuurder en de raad van toezicht moesten worden opgelost door een gefaseerde vernieuwing van de raad van toezicht, doet aan deze bevoegdheid niet af. In het algemeen geldt dat de raad van toezicht, zolang deze bestaat, ongeacht of deze voltallig en ongeacht de mate waarin deze inmiddels is vernieuwd, bevoegd blijft de haar bij de statuten toegekende bevoegdheden in volle omvang uit te oefenen. Zoals uit het hiervoor weergegeven verloop van de gebeurtenissen blijkt, is de raad van toezicht geleidelijk tot een gewijzigd inzicht op dit punt gekomen. Uiteraard is het in zo’n geval aan hem om de op dat gewijzigde inzicht gebaseerde besluiten zodanig te motiveren dat de wijziging begrijpelijk is en dus kan worden nagegaan of de wijziging van inzicht die besluiten in redelijkheid kan dragen.
4.4.
De rechter die moet beoordelen of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen, dient terughoudendheid te betrachten. Een besluit is op die grond slechts vernietigbaar indien het orgaan dat het besluit heeft genomen bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Dat impliceert dat aan het besluitvormende orgaan een aanzienlijke mate van beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt.
4.5.
Het is aannemelijk, en door [eiseres] in wezen ook niet betwist, dat een procedure op de voet van artikel 2:298 BW Pro dan wel artikel 2:298a BW, met daarin een incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen, al spoedig een aantal maanden in beslag zal nemen. Dat vormt, in de context van de situatie binnen HGH, een aanzienlijke beperking van de vrijheid van de raad van toezicht om te handelen overeenkomstig hetgeen zij noodzakelijk acht. Genoemde terughoudendheid geldt daarom evenzeer in de processuele constellatie die in dit kort geding aan de orde is.
4.6.
Kortom: de vraag ligt voor of de raad van toezicht met het voorgenomen besluit, gelet op de daaraan ten grondslag gelegde redenen, de belangen van de bij het besluit betrokken personen en instellingen, in het bijzonder die van [eiseres] en die van HGH, op behoorlijke wijze jegens elkaar heeft afgewogen. Dat oordeel zal worden gevormd aan de hand van de in het ontslagvoornemen genoemde gronden, bezien in het licht van hetgeen daartegen door [eiseres] is aangevoerd.
4.7.
De raad van toezicht heeft aan het voorgenomen ontslag - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.
( a) Er bestaat tussen [eiseres] en raad van toezicht een fundamenteel en duurzaam verschil van inzicht over de rolverdeling en over de wijze waarop binnen de organisatie met governancevraagstukken moet worden omgegaan. [eiseres] erkent de toezichthoudende rol van de raad onvoldoende, staat niet open voor feedback en duldt geen toezicht op haar functioneren. De verhouding tussen [eiseres] en de raad van toezicht is daardoor ernstig en onherstelbaar verstoord geraakt.
( b) De raad van toezicht heeft in het afgelopen jaar diverse pogingen ondernomen om vanuit zijn toezichthoudende rol beter inzicht te verkrijgen in en nauwer betrokken te raken bij de uitbreidingsplannen van HGH. Die pogingen hebben onvoldoende resultaat gehad. Ondanks diverse verzoeken daartoe heeft [eiseres] ter zake geen uitgewerkt businessplan verstrekt. Het wel verstrekte summiere investeringsplan baart de raad van toezicht grote zorgen over de haalbaarheid van het project. Over het daarin voorkomende dekkingstekort van 1,3 miljoen euro is door [eiseres] niet veel meer gezegd dan dat er “veel knoppen zijn waaraan gedraaid kan worden”.
( b) [eiseres] opereert veel te solistisch. Zij heeft geen uitvoering gegeven aan het verzoek om het hospice op een meer robuuste wijze aan te sturen door vorming van een managementteam en heeft onvoldoende prioriteit heeft gegeven aan de kwaliteit en veiligheid van de aangeboden zorg, waaronder de medicijnveiligheid, binnen de bestaande locatie. In weerwil van een duidelijke opdracht daartoe van de raad van toezicht is geen opvolging gegeven aan de aandachtspunten uit het auditrapport van het voorjaar van 2025.
( d) De raad van toezicht ontving in februari zorgwekkende signalen van drie zeer ervaren vrijwilligers over de wijze waarop het hospice op dagelijkse basis door [eiseres] wordt aangestuurd. Toen de raad van toezicht deze signalen bespreekbaar wilde maken met de bestuurder heeft deze er blijk van gegeven de signalen niet serieus te willen nemen.
( e) Zonder voorafgaand overleg met de raad van toezicht is [eiseres] met een derde die als donateur betrokken was het gesprek aangegaan met het bestuur van Stichting Steun. De kennelijke bedoeling was om het bestuur van Stichting Steun te bewegen om een besluit te nemen zonder instemming van de raad van toezicht, en daarmee de raad van toezicht te passeren. Naar het oordeel van de raad van toezicht heeft [eiseres] zich aldus onvoldoende gecommitteerd aan de door hem verlangde ‘stand still’ en is zij onvoldoende opgekomen voor het toezichthoudende belang van de raad.
4.8.
[eiseres] heeft tegen deze verwijten -samengevat- het volgende ingebracht.
Ad (a)
[eiseres] zet zich al zestien jaar met hart en ziel in voor HGH. Zij heeft geen probleem met toezicht, vragen, informatie verstrekken of verantwoording afleggen. Het probleem was de verstoorde verhoudingen tussen [eiseres] en de raad van toezicht. De raad van toezicht heeft als oplossing voor de verstoorde verhoudingen in het belang van HGH eind 2025 besloten op te stappen. Het is onduidelijk waarom dat nu niet de aangewezen reactie meer is. [eiseres] heeft de raad van toezicht wel degelijk nauw betrokken bij het uitbreidingsdossier en de gevraagde informatie verstrekt, maar het was nooit genoeg.
Ad (b)
Ten aanzien van de uitbreidingsplannen en het ontbreken van een businesscase geldt dat begin januari 2026 nog geen sprake kon zijn van een definitieve exploitatiebegroting.
Ad (c)
Ook het verwijt dat onvoldoende prioriteit zou zijn gegeven aan de kwaliteit en veiligheid van de aangeboden zorg acht [eiseres] ongegrond. Daarbij is aangevoerd dat uit het auditrapport juist niet naar voren kwam dat er geen sprake was van ernstige problemen.
Ad (d)
Met betrekking tot de signalen van vrijwilligers heeft [eiseres] aangevoerd dat de raad van toezicht zwaar leunt op deze verklaringen, terwijl tot kort voor de mondelinge behandeling in dit kort geding onduidelijk is gebleven welke concrete verwijten deze vrijwilligers [eiseres] precies maakten. Daardoor is [eiseres] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om op de gemaakte verwijten adequaat te reageren. Zij stelt dat zij de raad van toezicht herhaaldelijk heeft verzocht om objectief en onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de gerezen geschilpunten en de aan haar gemaakte verwijten, maar dat deze daaraan geen gevolg heeft gegeven.
Ad (e)
Ten aanzien van de gemaakte stand still-afspraken heeft [eiseres] aangevoerd dat de raad van toezicht op dit punt geen consistente lijn heeft gevolgd. Volgens [eiseres] heeft zij de raad van toezicht niet gepasseerd, maar heeft de raad van toezicht eenzijdig een kader opgelegd dat zich niet verdraagt met de eerder overeengekomen transitiefase. [eiseres] wijst erop dat het bij het uitbreidingstraject betrokken, deskundig samengestelde team van opvatting is dat de door de raad van toezicht afgekondigde stand still op dat moment uiterst ongelukkig was.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4.9.
De verhouding tussen de raad van toezicht en de bestuurder is geregeld in art. 10 lid 5 en Pro 6 van de statuten. De twee pijlers daarin zijn (1) een onbeperkt recht van de raad om inlichtingen te ontvangen en (2) een eveneens onbeperkt recht om de bestuurder -ook ongevraagd- met raad bij te staan. Die bepalingen opereren hier in een voor de organisatie ‘spannend’ tijdvak: het op de rails zetten van de uitbreiding met een tweede locatie, waarmee aanzienlijke investeringen zijn gemoeid.
4.10.
De voorzieningenrechter acht het hiervoor aangehaalde beoordelingsdocument cruciaal voor een goed begrip van de latere wijziging van inzicht. De voorzieningenrechter stelt vast dat de raad van toezicht begin december 2025 ook al ontevreden was over het functioneren van [eiseres], maar daarbij tevens oog had voor haar sterke kanten en haar cruciale rol als enig bestuurder van HGH. Het document is evident bedoeld (en laat zich ook goed lezen) als een
handreiking. De raad reikte [eiseres] een groeipad aan met een zeer duidelijke
agenda. Dat pad kent drie pijlers: (1) visievorming, (2) vanuit die visie loslaten van de operatie en (3) op die manier creëren van de ruimte die een bestuurder nodig heeft om met afstand en visie te besturen. Het stuk is geschreven in de hoop en verwachting dat [eiseres] dit pad kan volgen. De wijziging van inzicht die tot het voorgenomen ontslagbesluit heeft geleid houdt in dat [eiseres] daartoe onvoldoende in staat blijkt.
4.11.
De voorzieningenrechter begrijpt dat de (met name) volgende feitelijkheden tot die overtuiging hebben geleid.
  • de reactie van [eiseres] op het beoordelingsdocument. Zij sloeg niet alleen een flater door aan het begin van het gesprek te laten weten dat ze het document vanwege grote drukte nauwelijks had gelezen (terwijl het gesprek eerder was uitgesteld om haar die ruimte te bieden), maar heeft met het feit dat ze viel over de ‘toon’ van het document ook gedemonstreerd dat ze de betekenis ervan en de ruimte die haar met en door het geschetste groeipad werd geboden niet zag, laat staan waardeerde en ter harte nam;
  • het niet voldoen aan de duidelijk kenbaar gemaakte verlangens van de raad van toezicht op het punt van de informatievoorziening aangaande de uitbreiding. Sensitiviteit voor de bestuurlijke verhoudingen zou [eiseres] ertoe moeten hebben gebracht om deskundigheid aan te trekken om alle mogelijk tegenvallende scenario’s in de business case, mede gelet op de gesignaleerde ontwikkelingen in de markt van de betrokken zorgverleningen, onder andere in het Gupta-rapport, grondig te verkennen en ervoor te waken zich door een overmaat aan enthousiasme van stakeholders te laten meeslepen;
  • de stelselmatige weigering om het pad van de teamvorming/delegatie/verbreding van het draagvermogen van het management van de organisatie vorm te geven. [eiseres] weet hoe het moet, wil alles zelf doen, stelt afwijkende meningen niet op prijs en laat irritatie daarover doorwerken in de interpersoonlijke verhoudingen met betrokkenen. De overgelegde verklaringen zijn op dit punt zeer duidelijk. De voorzieningenrechter kent vooral betekenis toe aan de verklaringen van mevrouw [betrokkene 6] die jarenlang zeer nauw (als ‘rechterhand’) met [eiseres] heeft samengewerkt en dus goed zicht moet hebben gehad op haar stijl en aanpak. De voorzieningenrechter plaatst wel de kanttekening dat [eiseres] pas recentelijk met deze verklaringen is geconfronteerd, maar [betrokkene 6] geeft in haar verklaring aan dat zij haar vertrek, op 8 februari 2026, schriftelijk heeft toegelicht. Aangenomen mag worden dat de essentie van die brief, die [eiseres] zal kennen, niet afwijkt van de essentie van de verklaring. De kern van het verwijt dat de raad van toezicht haar maakt is ook niet op de inhoud van de verklaringen ‘sec’ gebaseerd, maar op de vaststelling dat de signalen van deze medewerkers door [eiseres] niet serieus werden genomen.
Dat verwijt lijkt steekhoudend. De voorzieningenrechter kent in dit verband betekenis toe aan aan de overgelegde verklaring van [betrokkene 2]. Deze geeft daarin aan dat de raad van toezicht tijdens de vergadering op 16 februari 2026 juist de lucht wilde klaren en perspectief wilde creëren in het uitbreidingsdossier. Toen de verklaringen van de vrijwilligers ter sprake kwamen en de raad van toezicht aan [eiseres] aangaf zich ernstig zorgen te maken over verklaringen en daarom de vrijwilligers te willen spreken, om vervolgens over de inhoud te spreken met [eiseres], bleek [eiseres] dat te ervaren als een aanval op haar als persoon, waarna zij de vergadering verliet en zich ziek meldde.
Ter zitting is op dit punt namens de raad van toezicht aangevoerd dat [eiseres] niet reflectief is en niet durft te kijken naar haar eigen functioneren. De raad van toezicht heeft geprobeerd de zorgwekkende signalen bespreekbaar te maken maar [eiseres] wenste het in de kiem smoren. [eiseres] verwijt de raad van toezicht dat hij niet is ingegaan op haar verzoek om onafhankelijk onderzoek, maar heeft niet gesteld dat zij zelf enig initiatief heeft genomen om de beweegredenen van de vertrokken vrijwilligers (en de betekenis daarvan als indicator voor het werkklimaat binnen de organisatie in bredere zin) nader te onderzoeken. Dat past in het beeld van een defensieve bestuurder die controle over het beeld wil houden.
(4) de reactie op de stand still die de raad van toezicht heeft gelast en waarop [eiseres] heeft gereageerd met acties die erop zijn gericht om zonder instemming van de raad van toezicht te komen tot aankoop van de grond door de Stichting Steun. De raad van toezicht heeft aangevoerd dat daarmee voor haar de maat vol was. Het vertrouwen was er niet meer. De omstandigheid dat [eiseres] op die stellingname ter zitting nog reageert met een betoog dat de strekking heeft dat een deskundig samengesteld team van oordeel is dat de stand still ‘hoogst ongelukkig’ is, miskent dat het in deze context niet om de merites van de stand still maar om het respecteren van een toezichtrelatie gaat.
4.12.
Samenvattend komt de wijziging van inzicht op het volgende neer. Waar [eiseres] in het beoordelingsdocument van 2 december 2025 op de daarin opgenomen ontwikkelpunten het voordeel van de twijfel is gegeven en op een aantal zeer concrete punten wordt aangespoord tot ontwikkeling van haar interne rol als bestuurder, is het beeld in een tijdbestek van 6 weken omgeslagen naar dat van een bestuurder op wie volgens de raad van toezicht ‘toezicht niet mogelijk is’. De zorg is door de gebeurtenissen in februari 2026 verder toegenomen. De raad van toezicht heeft de omstandigheid dat drie kernvrijwilligers zich uit de organisatie terugtrokken beschouwd als een ernstig signaal dat nader onderzocht diende te worden en met [eiseres] moest worden besproken. De gesprekken die de raad van toezicht vervolgens met deze vrijwilligers heeft gevoerd, hebben geleid tot het beeld dat sprake was van risico’s voor de continuïteit van de organisatie. De raad van toezicht wenste een stand still op de uitbreidingsplannen totdat deze zorgen waren geadresseerd. [eiseres] heeft niet weersproken dat zij zich niet aan die wens heeft gecommitteerd.
4.13.
De voorzieningenrechter acht het begrijpelijk dat de raad van toezicht op grond van de hiervoor geschetste loop van de gebeurtenissen tot de conclusie is gekomen dat het niet mogelijk is om op het bestuurshandelen van [eiseres] het door de statuten verlangde toezicht uit te oefenen. Daartoe nodige eigenschappen als leerbaarheid, sensitiviteit, gevoel voor bestuurlijke verhoudingen en vermogen tot reflectie lijken niet in voldoende mate aanwezig. Dat impliceert dat een raad van toezicht ook op de (op zichzelf wellicht wenselijke) voortgang van het uitbreidingsproces niet op verantwoorde wijze toezicht kan houden zo lang dat door deze bestuurder moet worden aangestuurd. Uitstel van het ontslag is in strijd met dit belang. Bovendien is het moeizaam om nieuwe leden voor een raad van toezicht te werven als de stichting en de daarmee verbonden onderneming bestuurlijk niet op orde is. Mede gelet op de terughoudendheid die de rechter bij toetsing van besluiten als het onderhavige in acht behoort te nemen kan de conclusie geen andere zijn dan dat er voor ingrijpen door het treffen van voorzieningen als in dit geding gevorderd geen aanleiding is. De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
4.14.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagden worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
1949