AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor roekeloos rijgedrag met dodelijk verkeersongeval onder invloed en zonder rijbewijs
Op 11 februari 2024 veroorzaakte de verdachte op de Rijksweg A7 bij Noordbeemster een ernstig verkeersongeval waarbij twee inzittenden om het leven kwamen. De verdachte reed met een snelheid van ruim 180 km/u, terwijl de maximumsnelheid 130 km/u was, was onder invloed van alcohol (viermaal de toegestane hoeveelheid) en beschikte niet over een geldig rijbewijs.
De rechtbank stelde vast dat het gedrag van de verdachte kwalificeert als roekeloosheid, de zwaarste schuldvorm onder de Wegenverkeerswet 1994. Dit werd onderbouwd met onder meer een filmpje van een van de slachtoffers waarop de hoge snelheid werd getoond, bloedonderzoek en verklaringen. De verdachte werd wettig en overtuigend bewezen dat hij de verkeersregels ernstig heeft geschonden met fatale gevolgen.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn positieve ontwikkeling tijdens toezicht en zijn schuldbewustzijn, en de overschrijding van de redelijke termijn. De straf werd vastgesteld op 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een rijontzegging van vier jaar.
Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de nabestaanden van de slachtoffers voor affectieschade en schokschade, met een totale schadevergoedingsmaatregel en gijzeling bij niet-betaling. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen vanwege het andere soort feit en de opgelegde lange onvoorwaardelijke straf.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en 4 jaar rijontzegging wegens roekeloos rijden onder invloed en zonder rijbewijs met dodelijke slachtoffers.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/048487-24 en 15-231487-22 (tul)
Uitspraakdatum: 18 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[woonplaats] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. R. Funke Küpper en mr. K. Leyendeckers (hierna gezamenlijk aangeduid als: officier van justitie) en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.J. van der Aart, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.
1.Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1Primairhij op of omstreeks 11 februari 2024 te Noordbeemster, gemeente Purmerend, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Renault Scenic, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A7, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, gedurende een langer traject (vanaf hectometerpaal 25.0) met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse en/of gelet op de omstandigheden toegestaan en/of verantwoord was en/of met zijn voertuig midden op de weg tussen 2 rijstroken in heeft gereden en/of (vervolgens) daarbij de controle over het door hem bestuurde voertuig kwijt te raken waardoor hij met zijn voertuig in de berm terecht is gekomen waardoor verdachte vervolgens met zijn voertuig met hierin twee inzittenden over de kop is geslagen, waardoor anderen , te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werden gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
Subsidiairhij op of omstreeks 11 februari 2024 te Noordbeemster, gemeente Purmerend, in elk geval in Nederland als bestuurder van een voertuig (een personenauto, merk Renault Scenic, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A7, gedurende een langer traject (vanaf hectometerpaal 25.0) met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse en/of gelet op de omstandigheden toegestaan en/of verantwoord was en/of niet op zijn eigen rijstrook heeft gereden en/of daarbij de controle over het door hem bestuurde voertuig kwijt te raken waardoor hij met zijn voertuig in de berm terecht is gekomen waardoor verdachte vervolgens met zijn voertuig met hierin twee inzittenden over de kop is geslagen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Feit 2hij op of omstreeks 11 februari 2024 te Noordbeemster, gemeente Purmerend, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,83 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;
Feit 3hij op of omstreeks 11 februari 2024 te Noordbeemster, gemeente Purmerend, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) heeft gereden op de weg, de Rijksweg A7, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
2.Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3.Beoordeling van het bewijs
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat het verkeersongeval is veroorzaakt door roekeloos verkeersgedrag van de verdachte.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met uitzondering van de mate van schuld die de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat van roekeloosheid, als zwaarste schuldvariant, geen sprake is. Op de verweren van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsoverweging
Op 11 februari 2024 rond 01.46 uur heeft op de Rijksweg A7 bij Noordbeemster, gemeente Purmerend, een verkeersongeval plaatsgevonden. De toegestane snelheid op de Rijksweg A7 ter plaatse van het ongeval was op dat moment 130 kilometer per uur. Bij dit ongeval was één personenauto betrokken met daarin drie inzittenden. De verdachte heeft verklaard dat hij de bestuurder van de auto was. [slachtoffer 2] zat op de stoel van de bijrijder, rechts voorin. Aan de linker kant op de achterbank zat [slachtoffer 1] . Eerder diezelfde avond/nacht heeft de verdachte, nadat hij ’s middag al alcohol had gedronken, samen met de anderen onder meer 1,5 liter Bacardi gedronken. Vervolgens is de verdachte, samen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de auto gestapt om naar Amsterdam te rijden. Op enig moment is de verdachte de controle over de auto verloren. De auto kwam in de middenberm terecht waarna deze in een rollende beweging kwam en over de kop is gevlogen om vervolgens op de linkerzijde tot stilstand te komen. De bijrijdersstoel voorin de auto is losgekomen, waardoor [slachtoffer 2] met de stoel uit de auto is geworpen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn als gevolg van het ongeval overleden.
Enkele minuten voor het ongeval, omstreeks 01:43 uur, heeft [slachtoffer 1] een foto aan een vriendin gestuurd waarop hij is te zien met daarbij de tekst “Gaan dood zo. Man zonder rijbewijs kan nie schakelen en tappie gaan we effe naar dammie geld ophale. Wat een gekloot - smiley, smiley”. Met tappie wordt bedoeld: dronken. Omstreeks 01:44 uur heeft [slachtoffer 1] een filmpje naar deze vriendin gestuurd. Op dat filmpje is te zien dat de snelheidsmeter een snelheid van 184 kilometer per uur aangeeft, dat gedurende de opname de snelheid van de auto nog wordt verhoogd naar 187 kilometer per uur en dat vlak voordat het filmpje ophoudt een snelheid van 189 kilometer per uur wordt aangegeven. De auto waarin de verdachte reed, passeerde tijdens de opname van dit filmpje een bruin bord met de tekst “Laag Holland”, ter hoogte van hectometerpaal 25.0. Dat is ongeveer 2.600 meter voor de plek waar het ongeval plaatsvond. Uit de bevindingen van de politie is gebleken dat de auto ongeveer 245 meter voor de plek van het ongeval 181 kilometer per uur reed en vlak voor het ongeval 164 kilometer per uur. Uit onderzoek van het bloed van de verdachte is gebleken dat hij vier uur na het ongeval vier keer zoveel alcohol in zijn bloed had dan wettelijk is toegestaan. Bovendien heeft de verdachte de auto bestuurd terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs.
Juridisch kader
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) heeft overtreden, doordat hij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor twee anderen zijn overleden. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet minimaal sprake zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen door de verdachte. Een lichtere mate van schuld is niet voldoende. Bij de beoordeling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In geval van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag. De officier van justitie heeft (ook) die zwaarste schuldvorm ten laste gelegd en de rechtbank zal daarom allereerst moeten beoordelen of sprake is van roekeloos rijgedrag.
Roekeloosheid
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten [1] heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WvwPro, dat de strafbepaling van artikel 6 WvwPro bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, Wvw kan worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt deze bepaling zo, dat zij moet beoordelen of het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan zijn schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, Wvw. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee uit roekeloosheid.
In het kader van artikel 5a Wvw moet de rechtbank beoordelen of de verdachte met het verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval a) de verkeersregels heeft geschonden, b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. a) Schending van de verkeersregels
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden. Deze gedraging is in artikel 5a, eerste lid onder g, Wvw, uitdrukkelijk benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. De verdachte heeft dus de verkeersregels geschonden, als bedoeld in dat artikel.
b) In ernstige mate
Artikel 5a Wvw ziet alleen op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Dat zal doorgaans niet zijn gelegen in de enkele schending van één verkeersregel. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte en alle omstandigheden van het geval. In dit verband neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat de verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Desondanks heeft hij een personenauto bestuurd terwijl hij de verantwoordelijkheid droeg voor zijn twee passagiers. Daarbij heeft de verdachte de maximumsnelheid zeer aanzienlijk overschreden door ruim 180 kilometer per uur te rijden op een weg waar 130 kilometer per uur de maximum toegestane snelheid was. De rechtbank acht hierbij van belang dat de verdachte niet enkel op korte afstand (245 meter) voor het ongeval met deze snelheid reed. Uit het filmpje dat [slachtoffer 1] om 01:44 uur naar een vriendin heeft gestuurd, blijkt dat de verdachte ongeveer 2.600 meter voor de plek waar het ongeval plaatsvond, al met een snelheid van ruim 180 kilometer per uur reed en hij de snelheid nog verder verhoogde. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte de snelheid hierna in aanzienlijke mate heeft verlaagd om vervolgens de snelheid weer zodanig te verhogen dat hij op 245 meter voor het ongeval wederom 180 kilometer per uur reed, te minder nu hiervoor geen enkel aanknopingspunt is te vinden in het dossier. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de verdachte in ieder geval over een afstand van ruim twee kilometer heeft gereden terwijl de maximumsnelheid zeer aanzienlijk werd overschreden.
Bovendien reed de verdachte onder invloed van - grofweg - viermaal de toegestane hoeveelheid alcohol. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcohol een negatieve invloed heeft op het beoordelingsvermogen en de reactiesnelheid.
Dit tezamen genomen rechtvaardigt het oordeel dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
c) Opzettelijk
Het opzet van de verdachte moet gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels als ook op het in ernstige mate schenden van die regels. De verdachte heeft de ter plaatse geldende maximumsnelheid zeer fors overschreden, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde en geen geldig rijbewijs had. De rechtbank is van oordeel dat het rijden met een zo veel te hoge snelheid niet anders dan opzettelijk kan worden gedaan. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij als bestuurder van de auto is opgetreden omdat hij wist dat niet alleen hijzelf onder invloed van alcohol was maar ook [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . In geval van een verkeerscontrole konden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hun rijbewijzen kwijtraken als zij de auto zouden besturen. Omdat de verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs kon dat in zijn geval niet worden ingevorderd. Dat betekent dat de verdachte bewust was van de omstandigheid dat hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en dat hij onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol de auto heeft bestuurd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
d) Gevaar te duchten
In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door veel te hard, onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs te rijden zoals de verdachte heeft gedaan. Dat die gevaarlijke situatie zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt uit het feit dat de verdachte een eenzijdig ongeval heeft veroorzaakt, waarbij zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] zijn overleden.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de verdachte die tot het verkeersongeval hebben geleid, kunnen worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a Wvw. Daarmee heeft de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan dat ongeval, te weten roekeloosheid. Nu als gevolg van dit verkeersongeval [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] om het leven zijn gekomen, acht de rechtbank het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Uit het voorgaande volgt ook dat rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs (de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten) wettig en overtuigend zijn bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1Primairhij op 11 februari 2024 te Noordbeemster, gemeente Purmerend, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Renault Scenic, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A7, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, gedurende een langer traject met een veel hogere snelheid dan ter plaatse en gelet op de omstandigheden toegestaan en verantwoord was en met zijn voertuig midden op de weg tussen 2 rijstroken in heeft gereden en vervolgens daarbij de controle over het door hem bestuurde voertuig kwijt te raken waardoor hij met zijn voertuig in de berm terecht is gekomen waardoor verdachte vervolgens met zijn voertuig met hierin twee inzittenden over de kop is geslagen, waardoor de inzittenden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde en vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 2hij op 11 februari 2024 te Noordbeemster, gemeente Purmerend als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,83 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;
Feit 3hij op 11 februari 2024 te Noordbeemster, gemeente Purmerend, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) heeft gereden op de weg, de Rijksweg A7, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
feit 1 primair
overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, van deze wet,
en
feit 2
overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (0,83 milligram),
en
feit 3
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar.
5.Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6.Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van veertig maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, waarvan tien maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aan die proeftijd verbonden de algemene en bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden ontzegd voor de duur van vijf jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de onder 3 bewezen verklaarde overtreding schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsvrouw heeft, gelet op het standpunt dat geen sprake is van schuld in de vorm van roekeloosheid, verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 11 november 2024 schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WvwPro. Als gevolg van het roekeloze rijgedrag van de verdachte zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] overleden. De onomkeerbare gevolgen van het ongeval hebben velen, in het bijzonder de nabestaanden, ernstig geschokt. Door zijn roekeloze rijgedrag heeft de verdachte niet alleen onaanvaardbare risico’s voor zichzelf en de passagiers in de door hem bestuurde auto genomen maar ook de verkeersveiligheid van andere weggebruikers ernstig in gevaar gebracht. Hiermee heeft hij zijn verantwoordelijkheid in het verkeer ernstig veronachtzaamd, met fatale gevolgen.
De verdachte heeft groot en onherstelbaar leed aan de nabestaanden veroorzaakt. Uit de slachtofferverklaringen van de ouders van de slachtoffers is gebleken hoe groot het verdriet binnen de families is en hoezeer de slachtoffers worden gemist. Het leed van de nabestaanden zal door het opleggen van een straf aan de verdachte niet ongedaan gemaakt kunnen worden. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat de nabestaanden hun leven lang nog zullen ervaren.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gelet op het reclasseringsrapport van 19 mei 2026. Uit dit rapport komt naar voren dat de verdachte gedurende het toezicht in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De verdachte heeft zich aan afspraken gehouden, heeft geen alcohol of verdovende middelen meer gebruikt en is in vrijwillig kader begeleid gaan wonen. Daarnaast heeft de verdachte een betaalde baan. De reclassering schat het recidive risico in als laag. De risico’s kunnen mogelijk toenemen door spanningen rondom de behandeling van de zaak op zitting en door een mogelijke door de verdachte te ondergane detentieperiode. De reclassering adviseert bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:
meldplicht bij de reclassering,
ambulante behandeling,
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang,
beheersing van middelengebruik.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 april 2026 waaruit blijkt dat hij niet eerder voor verkeersdelicten onherroepelijk is veroordeeld. Op de terechtzitting heeft de rechtbank geconstateerd dat de verdachte oprecht schuldbewust is en het, ruim twee jaar later, nog altijd psychisch moeilijk heeft met het ongeluk en de gevolgen daarvan.
Redelijke termijn
De raadsvrouw heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging. De raadsvrouw heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de strafzaak tegen de verdachte binnen zestien maanden had moeten worden afgerond en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte, ondanks dat de voorlopige hechtenis is geschorst, zich nog altijd in voorlopige hechtenis bevindt.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 EVRMPro het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn begint op het moment dat door de Nederlandse staat tegenover de verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld. In de regel is sprake van overschrijding van de redelijke termijn als de behandeling van de zaak niet binnen twee jaar na de aanvang van die termijn is afgerond met een einduitspraak. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad [2] moet het geding in de regel binnen zestien maanden met een einduitspraak zijn afgerond als de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert.
Aan het verweer van de verdediging ligt de opvatting ten grondslag dat ook indien de voorlopige hechtenis is geschorst een verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, waardoor de redelijke termijn in deze zaak zestien maanden beloopt. Die opvatting is in zijn algemeenheid onjuist. [3] Dat ligt enkel anders als een ten tijde van de einduitspraak geschorste verdachte in de periode vanaf het begin van de redelijke termijn tot aan de einduitspraak zestien maanden of meer in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. [4]
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 11 februari 2024 in verzekering is gesteld. De redelijke termijn is op die datum aangevangen omdat de verdachte toen de redelijke verwachting kon hebben dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. Op 14 februari 2024 is de bewaring van de verdachte bevolen, onder gelijktijdige schorsing van het bevel tot bewaring. Sindsdien heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis ononderbroken voortgeduurd. Gelet op deze vaststellingen heeft de verdachte op het moment van deze einduitspraak in zijn strafzaak minder dan zestien maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht. Onder die omstandigheid heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling op zitting binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn met een eindvonnis moet zijn afgerond.
De redelijke termijn is aangevangen op 11 februari 2024. De rechtbank doet vandaag, op 18 juni 2026, uitspraak. Daarmee is de redelijke termijn met vier maanden overschreden. In de regel wordt een overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als die termijn niet zou zijn overschreden. Dat zal de rechtbank ook in deze zaak doen.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de gevolgen voor de slachtoffers en de nabestaanden, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank heeft voor de duur daarvan aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
In beginsel acht de rechtbank bij roekeloos handelen, waarbij de bestuurder onder invloed is van een grote hoeveelheid alcohol, geen rijbewijs heeft en twee dodelijk slachtoffers zijn gevallen, een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van vier jaren passend. Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, komt de rechtbank tot een iets lagere straf.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd passend en geboden.
Bijkomende straf
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen moet worden ontzegd voor duur van vier jaren.
7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
De vorderingen
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , respectievelijk de moeder, de vader en de stiefvader van het overleden slachtoffer [slachtoffer 2] , hebben zich – door tussenkomst van hun gemachtigde mr. S. Vermeulen – in het strafproces gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding wegens affectieschade en schokschade.
Standpunten van partijen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vorderingen kunnen worden toegewezen maar dat ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] het toe te wijzen bedrag aan schokschade moet worden gematigd tot een bedrag van € 10.000,00. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep kan doen op eigen schuld van het slachtoffer [slachtoffer 2] . De schade is volgens de raadsvrouw mede een gevolg van de omstandigheden dat het slachtoffer bij de verdachte in de auto is gestapt terwijl hij wist dat de verdachte geen rijbewijs had en onder invloed van alcohol was, en dat het slachtoffer de verdachte heeft aangemoedigd harder te rijden. Deze omstandigheden kunnen aan het slachtoffer worden toegerekend, waardoor de schadevergoedingsplicht jegens het slachtoffer moet worden verminderd. Beantwoording van de vraag in hoeverre deze moet worden verminderd, levert een onevenredige belasting op voor het strafproces zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
Oordeel van de rechtbank
Eigen schuld-verweer
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de vorderingen reeds niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard omdat een vaststelling van de “eigen schuld” van [slachtoffer 2] als bedoeld in artikel 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de door hem geleden schade een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De rechtbank is van oordeel dat ook indien vastgesteld zou moeten worden dat de door [slachtoffer 2] opgelopen schade mede het gevolg is geweest van omstandigheden die aan hem zouden kunnen worden toegerekend, de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de ernst van de gevolgen voor [slachtoffer 2] , eist dat de schade volledig voor rekening van de verdachte blijft. De grove verkeersfouten en het roekeloze rijgedrag van de verdachte die tot het ongeluk hebben geleid zijn in grote mate kwalijker dan de keuze van [slachtoffer 2] om in te stappen in de auto bij een bestuurder die onder invloed is van alcohol en geen rijbewijs heeft. Ook het aanmoedigen van de verdachte om harder te rijden, maakt dit niet anders, omdat dit de verdachte niet van zijn eigen verantwoordelijkheid als bestuurder van de auto ontslaat om daarin niet mee te gaan. Daarnaast neemt de rechtbank mee de ernst van de gevolgen voor [slachtoffer 2] , die bij het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval is overleden. De rechtbank zal de vorderingen inhoudelijk behandelen.
Kring van voegingsgerechtigden
Op grond van artikel 51f, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich voor zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien de benadeelde partij door het strafbare feit is overleden, de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, BW zich kunnen voegen voor de daar bedoelde vorderingen.
Affectieschade
Op grond van artikel 6:108 BWPro hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.
Schokschade
Schokschade komt voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door (i) het waarnemen van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van een verzoek tot vergoeding van schokschade zijn onder meer:
a. a) de aard, de toedracht en de gevolgen van de tegen het slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het slachtoffer toegebrachte leed;
b) de wijze waarop de benadeelde partij wordt geconfronteerd met de tegen het slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;
c) de aard en hechtheid van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij.
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit het veroorzaakte geestelijk letsel, welk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.
In geval van samenloop van affectieschade en schokschade zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] (moeder) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 35.000,00 ingediend tegen de verdachte wegen immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De gestelde schade bestaat uit affectieschade ter hoogte van € 20.000,00 en schokschade ter hoogte van € 15.000,00.
Affectieschade
De rechtbank wijst dit deel van de vordering toe op grond van artikel 6:108 BWPro. Het slachtoffer is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden en de benadeelde partij heeft als moeder van het overleden slachtoffer recht op vergoeding van affectieschade. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 20.000,00.
Schokschade
De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering ter terechtzitting nader toegelicht.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de schokschade voldoende met stukken is onderbouwd. Zij heeft onverwacht te horen gekregen dat haar zoon door een verkeersongeval om het leven is gekomen. Kort daarop heeft zij via televisiebeelden van vlak na het ongeluk gezien dat haar zoon ter plaatse werd gereanimeerd. Toen het lichaam van haar overleden zoon thuis werd gebracht is zij geconfronteerd met de ernstige verwondingen. Deze confrontaties hebben bij de benadeelde partij geleid tot geestelijk letsel in de vorm van PTSS waarvoor zij is behandeld bij de psycholoog.
Gelet daarop, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van schokschade. Omdat sprake is van samenloop van affectieschade en schokschade schat de rechtbank de hoogte van de schokschade naar billijkheid op € 10.000,00 en zal dit deel van de vordering tot dat bedrag toewijzen. De vordering tot vergoeding van schokschade zal voor het overige worden afgewezen.
Proceskosten
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] (vader) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 32.500,00 ingediend tegen de verdachte wegen immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De gestelde schade bestaat uit affectieschade ter hoogte van € 17.500,00 en schokschade ter hoogte van € 15.000,00.
Affectieschade
De rechtbank wijst dit deel van de vordering toe op grond van artikel 6:108 BWPro. Het slachtoffer is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden en de benadeelde partij heeft als vader van het overleden slachtoffer recht op vergoeding van affectieschade. Het overleden slachtoffer woonde niet bij zijn vader in huis. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 17.500,00.
Schokschade
De benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering ter terechtzitting nader toegelicht.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de schokschade voldoende met stukken is onderbouwd. Hij heeft onverwacht te horen gekregen dat zijn zoon door een verkeersongeval om het leven is gekomen. Kort daarop heeft hij via televisiebeelden van vlak na het ongeluk gezien dat zijn zoon ter plaatse werd gereanimeerd. Toen het lichaam van zijn overleden zoon thuis werd gebracht is hij geconfronteerd met de ernstige verwondingen. Deze confrontaties hebben bij de benadeelde partij geleid tot geestelijk letsel in de vorm van PTSS-klachten. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij hiervoor meerdere malen bij de huisarts is geweest en dat de benadeelde partij is verwezen naar een psycholoog voor EMDR-therapie.
Gelet daarop, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van schokschade. Omdat sprake is van samenloop van affectieschade en schokschade schat de rechtbank de hoogte van de schokschade naar billijkheid op € 10.000,00 en zal dit deel van de vordering tot dat bedrag toewijzen. De vordering tot vergoeding van schokschade zal voor het overige worden afgewezen.
Proceskosten
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] (stiefvader) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 20.000,00 ingediend tegen de verdachte wegen immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit affectieschade.
De rechtbank wijst de vordering toe op grond van artikel 6:108 BWPro. Het slachtoffer is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden en de benadeelde partij heeft als stiefvader van het overleden slachtoffer recht op vergoeding van affectieschade. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 20.000,00.
Proceskosten
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
7.4.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank wijst de door de benadeelde partijen gevorderde wettelijke rente toe vanaf
11 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoedingen volledig heeft betaald.
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen aanleiding voor de vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Ingevolge artikel 36f, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 6:4:20 SvPro kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling wordt toegepast. De duur beloopt ten hoogste één jaar. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank naar evenredigheid, gelet op de hoogte van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen, de gijzeling toepassen tot hoogtes waardoor het maximum van in totaal 365 dagen niet wordt overschreden.
8.Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 1 september 2023 in de zaak met parketnummer 15/231487-22 heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van diefstal door twee of meer verenigde personen veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De raadsvrouw heeft verzocht de vordering af te wijzen omdat de onderhavige zaak een ander soort feit betreft en de pleegdatum van het feit waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd bijna vier jaren in het verleden ligt.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is. De strafbare feiten in deze zaak zijn gepleegd gedurende de proeftijd. De rechtbank stelt echter ook vast dat in deze zaak aan de verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd en dat het in deze zaak gaat om een ander soort feit dan het feit waar de vordering tot tenuitvoerlegging op ziet. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 55 en 62 van het Wetboek van Strafrecht,
artikel 6, 8, 107, 175, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
10.Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Parnassia, GGZ NHN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
dat de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Parnassia Wonen of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van € 30.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 30.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 141 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2]geleden schade tot een bedrag van € 27.500,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 130 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3]geleden schade tot een bedrag van € 20.000,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 94 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland politierechter in de rechtbank Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15/231487-22 opgelegde voorwaardelijke straf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.M.L. Rogmans, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. P.E.A. Chao, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.C. ten Klooster,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 juni 2026.
Voetnoten
1.Wet van 6 november 2019 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en het Wetboek van Strafrecht in verband met strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag en verhoging van de strafmaxima van enkele ernstige verkeersdelicten met het oog op versterking van de verkeershandhaving, Staatsblad 2019, 413.