ECLI:NL:RBNHO:2026:7898

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/15/347678
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:305a BWArt. 1018c RvArt. 6 lid 1 MwArt. 101 lid 1 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid Stichting Consumenten Competition Claims in collectieve actie tegen Samsung wegens prijsafspraken televisies

Stichting Consumenten Competition Claims (CCC) vordert als belangenbehartiger van Nederlandse kopers van televisies in de periode 2013-2018 Samsung aan te wijzen als aansprakelijk voor onrechtmatige prijsafspraken. Samsung betwist de ontvankelijkheid van CCC. De rechtbank beoordeelt dat CCC voldoet aan de ontvankelijkheidseisen onder zowel de Wet Afwikkeling Massaschade Collectieve Acties (WAMCA) als de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM).

De rechtbank houdt de beslissing over het toepasselijke collectieve actierecht aan in afwachting van een arrest van de Hoge Raad in de Mercedes-zaak en de bestuursrechtelijke procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over het sanctiebesluit van de ACM tegen Samsung. De zaak wordt verwezen naar de parkeerrol en zal na nadere procedure worden voortgezet.

Daarnaast wijst de rechtbank de vorderingen van Samsung toe om drie detailhandelaren in vrijwaring op te roepen, met een langere dagvaardingstermijn. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

De rechtbank motiveert uitvoerig dat CCC voldoende representatief is, de belangen gelijksoortig, de financiering en governance op orde zijn en dat het voeren van een collectieve actie efficiënter en effectiever is dan individuele procedures. De inhoudelijke beoordeling van de onrechtmatigheid en schade blijft voor een later stadium.

De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige ontvankelijkheidstoets in complexe collectieve acties en de noodzaak om het toepasselijke collectieve actierecht af te wachten alvorens inhoudelijk te oordelen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart Stichting Consumenten Competition Claims ontvankelijk in haar collectieve actie tegen Samsung en wijst de vrijwaringsvordering toe, terwijl de inhoudelijke beoordeling wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/347678 / HA ZA 24-6
Vonnis van 1 juli 2026, tevens vonnis in incident
in de zaak van
STICHTING CONSUMENTEN COMPETITION CLAIMS,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
hierna te noemen: CCC,
advocaat: mr. J. de Jong, mr. C.C.A. van Rest en mr. S.M. Campmans te Amsterdam,
tegen
SAMSUNG ELECTRONICS BENELUX B.V.,
gevestigd te Schiphol,
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident,
hierna te noemen: Samsung,
advocaat: mr. C.E. Schillemans en mr. T.M. Sweerts te Amsterdam.
De zaak in het kort
Deze zaak betreft een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). CCC wenst op te komen voor de belangen van – kort gezegd – Nederlandse kopers van een televisie in de periode van 9 januari 2013 tot en met 7 december 2018. Volgens CCC heeft Samsung jarenlang op onrechtmatige wijze de verkoopprijzen van televisies beïnvloed door communicatie met detailhandelaren die erop was gericht om verkoopprijzen naar boven aan te passen aan haar adviesprijzen. CCC meent dat Nederlandse consumenten daardoor te veel hebben betaald voor een televisie. Deze gedragingen zijn ook door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) gekwalificeerd als een schending van het (Europese) mededingingsrecht, waarvoor zij Samsung een boete opgelegd heeft van bijna 40 miljoen euro. Samsung is het niet eens met dit besluit en de bestuursrechtelijke procedure bevindt zich nu in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).
In deze fase gaat het over de ontvankelijkheid van CCC. De rechtbank is van oordeel dat CCC voldoet aan alle ontvankelijkheidseisen. De aanwijzing van CCC als exclusieve belangenbehartiger en de vaststelling van de nauw omschreven groepen vindt in een later stadium plaats, als partijen zich hebben uitgelaten over het toepasselijke collectieve actierecht naar aanleiding van een verwacht arrest van de Hoge Raad in de Mercedes-zaak. Vervolgens zal ook de verdere inhoudelijke beoordeling van de procedure worden aangehouden totdat in de bestuursrechtelijke procedure is beslist over de rechtmatigheid van het sanctiebesluit van de ACM.
In dit vonnis worden verder de vorderingen van Samsung tot het oproepen van drie detailhandelaren in vrijwaring toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis in incident van 17 juli 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:13704, met de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • de akte overlegging producties met producties 11 en 12 van CCC;
  • de conclusie van antwoord ten aanzien van toepasselijkheid WAMCA en ontvankelijkheid van Samsung, met producties 1 t/m 7;
  • de rolbeslissing van 18 december 2024;
  • de akte overlegging producties 13 t/m 19 van CCC;
  • de mondelinge behandeling van 20 mei 2026 over de ontvankelijkheid en het vrijwaringsincident, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden.
1.2.
Bij vonnis in incident van 17 juli 2024 is de beslissing op het vrijwaringsincident aangehouden en bepaald dat deze aan de orde zal komen tijdens de mondelinge behandeling over de ontvankelijkheid. In dit vonnis wordt tevens op dit vrijwaringsincident beslist.
1.3.
Bij rolbeslissing van 18 december 2024 is deze zaak (CCC v. Samsung) tezamen met de zaak C/15/351200 (Stichting Eerlijke Prijzen & Marktwerking (STEP) v. Samsung) naar de parkeerrol verwezen om deze zaken parallel te laten lopen met de zaken met de zaken in de LG-procedure (zaaknummers C/15/350337 (CCC v. LG) en C/15/358688 (STEP v. LG)). Na een vonnis in incident in de LG-procedure van 16 april 2025 en concluderen van antwoord in de LG-procedure, zijn op verzoek van CCC [1] de zaken in de Samsung-procedure verwezen naar de continuatierol. De rechtbank heeft de zaken vervolgens verwezen naar de rol van 8 oktober 2025 voor het opgeven van verhinderdata voor een mondelinge behandeling aangaande de ontvankelijkheid en het vrijwaringsincident.
1.4.
In de zaak met nummer C/15/350337 (CCC v. LG) heeft eveneens op 20 mei 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. In de zaken waarin STEP als eisende partij optreedt heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Die zaken zijn naar de rol van 1 juli 2026 verwezen voor vonnis.
1.5.
In de LG-procedure met nummer C/15/350337 is eveneens op 1 juli 2026 vonnis gewezen, waarbij is bepaald de LG-procedure en de Samsung-procedure te voegen. De zaken zullen in het verdere verloop van de procedure gevoegd worden behandeld.
1.6.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van CCC

2.1.
CCC is opgericht op 10 maart 2022. Volgens de akte van oprichting heeft CCC ten doel het behartigen van de belangen van consumenten, met betrekking tot (onder meer) iedere vorm van benadeling als gevolg van oneerlijke marktpraktijken, zoals schendingen van het mededingingsrecht of het consumentenrecht.
2.2.
Het bestuur van CCC bestaat uit [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. De Raad van Toezicht bestaat uit [betrokkene 4], [betrokkene 5] en mw. [betrokkene 6].
2.3.
Op 23 april 2025 is CCC door het Ministerie van Justitie en Veiligheid aangewezen als bevoegde instantie voor het instellen van grensoverschrijdende representatieve vorderingen voor consumenten binnen de Europese Unie.
2.4.
Samsung maakt onderdeel uit van een groot internationaal elektronicaconcern. Het concern produceert, distribueert en verkoopt een breed scala aan elektronische apparaten, waaronder televisietoestellen. Op het gebied van televisies is Samsung in Nederland marktleider.
2.5.
De ACM heeft bij besluit van 14 september 2021 aan Samsung een boete opgelegd van € 39.875.500,00 euro voor het afstemmen van verkoopprijzen van Samsung-televisies met verschillende detailhandelaren (hierna ook: het Sanctiebesluit). De ACM concludeert dat Samsung met de in het Sanctiebesluit beschreven gedragingen in de periode van 9 januari 2013 tot en met 7 december 2018 heeft deelgenomen aan overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met ten minste zeven detailhandelaren die ertoe strekten de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Deze gedragingen vormen een overtreding van de verbodsnormen van artikel 6 lid 1 Mededingingswet Pro (Mw) en artikel 101, eerste lid, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
2.6.
Na een bezwaar- en beroepsprocedure [2] waarbij het Sanctiebesluit in stand is gebleven loopt er nu een hoger beroepsprocedure bij het CBb. In deze procedure heeft het CBb bij tussenuitspraak van 3 februari 2026 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. [3]

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
CCC vordert, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:
I. CCC aanwijst als exclusieve belangenbehartiger;
II. bepaalt dat CCC in deze collectieve actie de belangen behartigt van de volgende nauw omschreven groepen in de zin van artikel 1018e lid 2 Rv:
primair
(a) alle personen die tussen 9 januari 2013 en 7 december 2018 in Nederland een Samsung televisie hebben aangeschaft bij een detailhandelaar;
(b) alle personen die tussen 9 januari 2013 en 7 december 2018 in Nederland een overige televisie hebben aangeschaft bij een detailhandelaar;
subsidiairvoor zover de rechtbank dat noodzakelijk acht, de primair nauw omschreven groepen nader op te delen;
uiterst subsidiairalle deelnemers die zich voor deze zaak hebben aangemeld bij CCC;
III. voor recht verklaart dat:
(a) Samsung jegens de nauw omschreven groepen in strijd heeft gehandeld met de artikelen 6 lid 1 Mw en 101 lid 1 VWEU; en
(b) Samsung als gevolg daarvan aansprakelijk is jegens iedere persoon behorende tot de nauw omschreven groepen en uit dien hoofde de door die persoon geleden schade dient te vergoeden;
IV. Samsung veroordeelt tot betaling van de ten gevolge van haar onrechtmatig handelen geleden schade, nader op te maken bij staat;
V.
primairSamsung veroordeelt tot betaling van de volledige proceskosten en volledige buitengerechtelijke kosten, zo nodig op te maken bij staat,
subsidiairbepaalt dat CCC de aan de procesfinancier te betalen vergoeding in mindering mag brengen op de uit te keren schadevergoedingen.
3.2.
Samsung voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van CCC, met veroordeling van CCC in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.Het geschil in incident

4.1.
In het vonnis in incident van 17 juli 2024 zijn de voorliggende vorderingen in incident weergegeven die er kort gezegd op neerkomen verlof te verlenen om drie detailhandelaren in vrijwaring op te roepen. Samsung legt hieraan kort samengevat ten grondslag dat volgens het Sanctiebesluit deze detailhandelaren, samen met Samsung, onderdeel uitmaakten van het verboden kartel, zodat een eventueel toe te wijzen schadebedrag gezamenlijk moet worden gedragen.
4.2.
CCC heeft zich in het vrijwaringsincident gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de door Samsung gevraagde termijn en het verzoek tussentijds hoger beroep in te stellen.

5.De beoordeling van de ontvankelijkheid in de hoofdzaak

Toepasselijk collectief actierecht
5.1.
De vorderingen van CCC hebben betrekking op de periode van 2013 tot en met 2018. De eerste vraag die voorligt is welk collectief actierecht van toepassing is op de vorderingen van CCC.
5.2.
Het overgangsrecht van de WAMCA houdt in dat oud recht (de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM)) van toepassing blijft voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. [4] Dit brengt mee dat in beginsel een ‘knip’ van het toepasselijke collectieve actieregime moet worden toegepast, waarbij op de vordering zowel het oude recht (voor zover betrekking op gebeurtenissen voor 15 november 2016) als het nieuwe recht (voor gebeurtenissen na die datum) van toepassing is. Als sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden. Dit laatste volgt uit de toelichting op het amendement van Van Gent waarmee het overgangsrecht is gewijzigd, waarbij deze uitzondering is omschreven als een theoretisch geval. [5]
5.3.
A-G Snijders heeft zich in een recente conclusie bij de Mercedes-zaak uitgelaten over de invulling van dit overgangsrecht. [6] Volgens de A-G duiden de wettekst en de toelichting op het amendement op de toepassing van een knip. Van de gegeven uitzondering op de knip – als sprake is van een reeks van gebeurtenissen – is zijns inziens alleen sprake bij een voortdurende gebeurtenis of repeterende reeks van gebeurtenissen waarbij de toebrenging van de schade die als gevolg daarvan is ontstaan of waarbij de gebeurtenissen die de oorzaak van de schade zijn geweest, niet goed gedateerd kunnen worden vóór dan wel op of na 15 november 2016. [7]
5.4.
Partijen leggen de termen ‘voortdurende gebeurtenis’ en ‘reeks van gebeurtenissen’ verschillend uit.
5.4.1.
CCC betoogt dat op haar gehele vordering de WAMCA van toepassing is. De onrechtmatige gedraging van Samsung die ten grondslag ligt aan haar vordering kwalificeert volgens haar als een voortdurende gebeurtenis. CCC verwijst (hoofdzakelijk) naar de kwalificatie van de inbreuk door de ACM als één enkele voortdurende inbreuk. Deze kwalificatie door de ACM ziet CCC bevestigd in de uitspraken van de rechtbank en het CBb die concluderen dat sprake was van een totaalplan [8] en stelselmatige gedragingen. [9] De conclusie van A-G Snijders leidt volgens CCC niet tot een ander oordeel, omdat het in die zaak niet gaat om een mededingingsrechtelijke inbreuk en de A-G overigens heeft geschreven dat er belangrijke voordelen zitten aan het niet toepassen van een knip, aldus CCC. Subsidiair, mocht toch een knip worden toegepast, stelt CCC eveneens ontvankelijk te zijn onder de WCAM, omdat het oude regime minder strenge eisen stelt aan de ontvankelijkheid dan de WAMCA.
5.4.2.
Samsung betoogt dat een knip moet worden toegepast. De voor het overgangsrecht relevante gebeurtenissen beschrijft Samsung als de door de ACM geïdentificeerde contactmomenten die tot een online prijsaanpassing hebben geleid. Deze gebeurtenissen hebben zowel voor als na 15 november 2016 plaatsgevonden en de eventuele schade is te dateren. Het Unierechtelijke handhavingsbegrip ‘single continuous infringement’ uit het mededingingsrecht acht Samsung niet relevant voor het begrip ‘voortdurende gebeurtenis’ zoals bedoeld onder de WAMCA. Beide begrippen moeten autonoom worden uitgelegd. Samsung voert aan dat in de conclusie van A-G Snijders voor de uitzondering op de knip vrijwel geen ruimte wordt gelaten, met als belangrijkste grond de rechtszekerheid. Voor zover de vordering van CCC ziet op (online) aankopen van televisies op basis van prijsaanpassingen van vóór 15 november 2016 is daarom het oude recht van toepassing, aldus Samsung.
5.5.
Uit de conclusie van A-G Snijders en de daarin genoemde lagere rechtspraak blijkt dat onduidelijk is hoe het overgangsrecht moet worden uitgelegd en toegepast. De rechtbank ziet daarin aanleiding de beslissing over het toepasselijke collectieve actierecht aan te houden totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de Mercedes-zaak. Het toepasselijke collectieve actierecht is (met name) relevant voor de inhoudelijke beoordeling, zodat het aanhouden van deze beslissing geen vertraging oplevert van de procedure. Het aanhouden van deze beslissing staat ook niet in de weg aan de toetsing van de overige vereisten van de ontvankelijkheid zowel onder de WAMCA als de WCAM (zie 5.7).
De ‘schadeveroorzakende gebeurtenis’
5.6.
Voor toepassing van het overgangsrecht is, evenals bij de beoordeling van de ontvankelijkheid, van belang wat de gestelde ‘(schadeveroorzakende) gebeurtenis’ is. De rechtbank sluit – in lijn met de conclusie van A-G Snijders – voor het begrip ‘gebeurtenis’ aan bij het feit of de feiten die de aanleiding en grondslag zijn van de aan de orde zijnde vordering (de collectieve actie), oftewel de gebeurtenis waarop de (gestelde) aansprakelijkheid voor de schade berust. [10] De collectieve actie berust op de stelling van CCC dat Samsung onrechtmatig heeft gehandeld door verkoopprijzen van Samsung-televisies met detailhandelaren af te stemmen, zoals (onder meer) vastgesteld in het Sanctiebesluit. Samsung heeft volgens CCC met dit handelen het (Europese) mededingingsrecht geschonden, namelijk artikel 101 VWEU Pro en artikel 6 Mw Pro. Dit handelen, waarmee verkoopprijzen van detailhandelaren van televisies onrechtmatig zouden zijn beïnvloed, heeft dan ook als gebeurtenis te gelden voor deze procedure. Hierbij merkt de rechtbank op dat de gestelde onrechtmatige gedraging hier nog niet ten gronde inhoudelijk wordt beoordeeld, maar dat in deze voorfase wordt aangesloten bij de grondslag van CCC voor deze collectieve actie.
Ontvankelijkheid
WCAM en WAMCA
5.7.
Zowel onder de WCAM als de WAMCA moet worden beoordeeld of een belangenorganisatie ontvankelijk is in haar vorderingen. De ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties voor het instellen van een collectieve vordering zijn met de inwerkingtreding van de WAMCA ten opzichte van het vóór 2020 geldende recht aangescherpt op het punt van een goede governance, financiering en representativiteit. De inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering vindt onder de WAMCA op grond van artikel 1018c lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) slechts plaats indien en nadat de rechter (onder meer) heeft beslist dat de eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW. Artikel 3:305a BW bepaalt dat de gelijksoortige belangen van degenen waarvoor de belangenorganisatie opkomt voldoende dienen te zijn gewaarborgd (lid 1, uitgewerkt in lid 2), de rechtsvordering een voldoende nauwe band heeft met de Nederlandse rechtssfeer (lid 3 sub b) en de belangenorganisatie in de gegeven omstandigheden voldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken (lid 3 sub c).
Op grond van artikel 1018c lid 5 Rv moet de eiser verder voldoende aannemelijk maken dat het voeren van een collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering en moet worden getoetst of de collectieve vordering niet summierlijk ondeugdelijk is.
5.8.
Zowel onder de WCAM als de WAMCA moet (dus) worden getoetst aan het statutenvereiste, het gelijksoortigheidsvereiste, het overlegvereiste, het waarborgvereiste (waarbij de eisen zijn aangescherpt onder het nieuwe recht) en moet worden beoordeeld of met een collectieve actie een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. De rechtbank stelt vast dat onder de WCAM niet méér of strengere eisen worden gesteld voor wat betreft de ontvankelijkheid dan onder de WAMCA. Daarom worden hierna de ontvankelijkheidseisen gemakshalve onder het huidige recht (WAMCA) beoordeeld. Alleen waar dat nodig is, zal worden gedifferentieerd tussen de voorheen geldende en de huidige eisen.
Toetsing ex nunc
5.9.
In lijn met de conclusie van A-G De Bock en de daarin opgenomen feitenrechtspraak [11] toetst de rechtbank de ontvankelijkheid
ex nunc, naar de situatie ten tijde van de mondelinge behandeling. De door Samsung geplaatste kanttekeningen bij deze toetsing leiden niet tot een ander oordeel. Niet gesteld of gebleken is dat CCC per datum dagvaarding nog op geen enkele wijze aan de (fundamentele) ontvankelijkheidseisen had voldaan. Aan de beoordeling of in een dergelijk geval de toetsing
ex nunc, en de daarmee geboden herstelmogelijkheid, leidt tot strijd met de goede procesorde of dat sprake is van een onvoldoende waarborg van de collectieve belangen in de voorfase komt de rechtbank dan ook niet toe. De rechtbank ziet evenmin aanleiding de representativiteit
ex tuncte toetsen ofwel waarde toe te kennen aan de datum van aanmelding van de achterban, zoals door Samsung betoogd. Weliswaar is de aanscherping van het representativiteitsvereiste een belangrijk element in de WAMCA, maar er zijn geen aanknopingspunten dat dit meebrengt dat het representativiteitsvereiste
ex tunczou moeten worden getoetst (zo ook A-G De Bock in genoemde conclusie onder 5.17, in het kader van hoger beroep).
Artikel 3:305a lid 1 BW
5.10.
In artikel 3:305a lid 1 BW zijn als vereisten aan een eisende partij in een collectieve vordering opgenomen de rechtspersoonlijkheid van de eisende partij, de gelijksoortigheid van de behartigde belangen en een voldoende waarborg van die belangen.
5.11.
Aan de vereisten dat sprake is van een stichting die ingevolge haar statuten de belangen behartigt waartoe deze ingestelde rechtsvordering strekt is voldaan, gelet op het onder 2.1 weergegeven statutaire doel.
Gelijksoortige belangen (artikel 3:305a lid 1 BW)
5.12.
Een volgend vereiste uit dit wetsartikel voor het instellen van deze vordering is dat wordt opgekomen voor gelijksoortige belangen. Het vereiste van gelijksoortigheid houdt in dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Voldoende gelijksoortigheid van belangen hoeft niet mee te brengen dat de posities, achtergronden en belangen van degenen ten behoeve van wie een collectieve actie wordt ingesteld identiek of overwegend gelijk zijn. In een collectieve actie past een zekere abstracte toetsing.
5.13.
CCC stelt dat aan dit vereiste voldaan is. De grondslag van de vorderingen van CCC is het onrechtmatig handelen van Samsung, bestaande uit de schending van artikel 101 VWEU Pro en dus een verstoring van de hele markt. Alle consumenten zijn zonder aanziens des persoons voldoende gelijksoortig geraakt, omdat het in alle gevallen gaat om een situatie waarin de consumenten worden geconfronteerd met (i) een inbreuk op hun rechten die voortvloeien uit (onder meer) artikel 101 VWEU Pro en artikel 6 Mw Pro en (ii) een vordering die er telkens op ziet de geleden schade gecompenseerd te krijgen. De overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met de detailhandelaren zijn allemaal gericht op een gemeenschappelijk doel: het handhaven van de retailverkoopprijzen van Samsung-televisies op het door Samsung gewenste niveau, ongewenste prijsverlagingen voorkomen en in voorkomende gevallen ongedaan te maken.
5.14.
Samsung voert aan dat niet is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste. De ACM heeft in het Sanctiebesluit in detail uiteengezet welke communicatie op welk moment heeft plaatsgevonden, ten aanzien van welk model televisie en of die communicatie heeft geleid tot een prijsaanpassing. Dit is vastgesteld in 335 gevallen. Deze prijsaanpassing is ook nog eens kortstondig vanwege de volatiliteit van de markt. Volgens Samsung moet daarom per individuele aankoop van een consument bekeken worden of het gaat om een op dat moment beïnvloed model en in welke mate de verkoopprijs hoger zou zijn geweest dan zonder de geïdentificeerde prijsaanpassing. Dit leent zich niet voor bundeling, aldus Samsung.
5.15.
De rechtbank is van oordeel dat aan het gelijksoortigheidsvereiste is voldaan. De belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt lenen zich voldoende voor bundeling. De door CCC gestelde schade voor de twee verschillende groepen (kopers van een Samsung-televisie en kopers van een televisie van een ander merk) vloeit voort uit een gelijke normschending, namelijk de gestelde handelwijze van Samsung. Die heeft volgens CCC niet slechts gevolgen voor de kopers van televisies waarover is vastgesteld dat Samsung een detaillist heeft benaderd met het doel de prijs te verhogen, maar volgens CCC is de gehele televisiemarkt erdoor verstoord. De vordering van CCC berust hoofdzakelijk op het Sanctiebesluit van de ACM, waarin is geoordeeld dat sprake is van een schending van het (Europese) mededingingsrecht. Ook als het ACM-besluit niet in stand blijft en de
stand alone-vordering beoordeeld moet worden, is de grondslag van de vordering van CCC dat sprake is van illegale prijshandhaving en van illegale uitwisseling van commercieel gevoelige informatie tussen concurrenten onderling waardoor, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van CCC, de gehele markt is beïnvloed.
5.16.
De door Samsung voorgestane individuele benadering volgt de rechtbank niet. In het Sanctiebesluit gaat de ACM uit van een ‘stelselmatige praktijk’. Alhoewel over dit Sanctiebesluit nog hoger beroep loopt bij het CBb, heeft het CBb bij tussenvonnis geoordeeld dat de gedragingen van Samsung stelstelmatig waren. [12] Deze stelselmatige handelwijze is ook de grondslag van de vorderingen.
Anders dan Samsung stelt, kunnen – indien wordt uitgegaan van stelselmatige gedragingen die de markt hebben beïnvloed – ook kopers schade hebben geleden die andere televisies hebben gekocht dan die waarvan is geconstateerd dat communicatie tussen Samsung en een detaillist heeft plaatsgevonden die heeft geleid tot een prijsaanpassing.
Of deze handelwijze van Samsung ontoelaatbaar is, kan de rechtbank beoordelen zonder dat de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden daarbij betrokken hoeven te worden. Er is dus sprake van gemeenschappelijke juridische en feitelijke vragen en het is mogelijk om deze vragen voor de achterban gezamenlijk te beantwoorden.
Waarborgvereiste (artikel 3:305a lid 1 en lid 2 BW)
5.17.
In artikel 3:305a lid 2 BW is bepaald dat de belangen van de personen tot bescherming waarvan de rechtsvordering strekt voldoende zijn gewaarborgd, wanneer de belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen en voldoet aan de nadere vereisten als opgenomen onder a tot en met e. Het debat tussen partijen spitst zich met name toe op de representativiteit en de financiering. Deze twee onderwerpen worden als eerste behandeld en daarna de overige vereisten die artikel 3:305a lid 2 BW stelt.
Representativiteit (3:305a lid 2, aanhef BW)
5.18.
De eis van representativiteit voorkomt dat een stichting of vereniging een rechtsvordering kan instellen zonder de ondersteuning van een achterban. Niet iedere willekeurige organisatie kan zich opwerpen als verdediger van de belangen van gedupeerden. Op voorhand moet duidelijk zijn dat zij opkomt voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden. Wat genoeg is, verschilt per geval en kan alleen worden bepaald in relatie tot het totale aantal gedupeerden. [13] Welke eisen aan de representativiteit dienen te worden gesteld, hangt af van de omstandigheden van het geval. [14] In het algemeen geldt dat geen hoge eisen moeten worden gesteld aan de omvang van de achterban, omdat er dan spanning kan ontstaan met het hoofddoel van de WAMCA: het bevorderen van een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade. [15]
5.19.
De rechtbank is van oordeel dat CCC voldoende representatief is en motiveert dit als volgt.
5.20.
In een door een accountant opgesteld rapport van 30 april 2026 staat dat 59.547 aanmeldingen zijn geregistreerd, waarbij deelnemers in elk geval hun naam en e-mailadres hebben opgegeven. Deze deelnemers hebben verklaard dat zij in de relevante periode een televisie hebben gekocht en hebben verklaard te willen deelnemen aan ‘de televisie-claim’. In deze eerste stap van aanmelding hebben deelnemers niet aangegeven welk merk televisie zij hebben gekocht. Anders dan Samsung betoogt, is de rechtbank van oordeel dat in deze fase van de procedure een nadere specificering van het merk nog niet is vereist. De rechtsvordering van CCC strekt namelijk niet alleen tot bescherming van personen die een Samsung-televisie hebben gekocht. De stelling van CCC is dat de hele televisiemarkt is beïnvloed door het handelen van Samsung via het zogenoemde umbrella-effect. CCC heeft ter onderbouwing van dit effect onder meer verwezen naar de inhoud van het Sanctiebesluit en een in opdracht van CCC opgesteld economisch rapport. Alhoewel in beide stukken wordt gesproken over de mogelijkheid dat deze schade is ontstaan (en niet de vaststelling van deze schade) acht de rechtbank dit in deze ontvankelijkheidsfase voldoende. Of daadwerkelijk bij de aankoop van elke televisie schade is geleden, ligt ter beoordeling in de inhoudelijke fase. De grootte van de groep benadeelde kopers is dan volgens CCC 4,33 miljoen.
5.21.
De Consumentenbond heeft voor deze actie haar steun uitgesproken en werkt voor deze actie samen met CCC. Dit acht de rechtbank van belang voor de vraag of sprake is van een voldoende grote achterban. De Consumentenbond heeft ruim 400.000 leden en zet zich in voor bescherming van het consumentenbelang. Verder speelt mee dat CCC via meerdere collectieve acties opkomt voor consumenten en dus geen willekeurige ad-hoc organisatie is.
5.22.
Alle omstandigheden in ogenschouw nemend (het niet geringe aantal aanmeldingen, de steun van de Consumentenbond en de omstandigheid dat CCC al een aantal jaar optreedt in collectieve acties uitsluitend voor consumenten) acht de rechtbank CCC zowel onder de WCAM als onder de WAMCA voldoende representatief. In dit stadium acht de rechtbank een verdeling van de achterban over de periodes voor en na de knip niet noodzakelijk vanwege onderstaande overwegingen.
5.22.1.
Niet gesteld of gebleken is, en dat ligt ook niet voor de hand, dat álle aanmeldingen zien op de periode vóór ofwel na 15 november 2016. Er zal enige spreiding over de jaren zijn. Bij toepassing van de knip zal het aantal aanmeldingen voor de WAMCA-vordering dan ook lager zijn. Dan is evenwel ook de benadeelde groep kleiner. Uitgaande van een enigszins gelijkmatige spreiding van de aanmelding over de jaren en met inachtneming dat onder de WAMCA niet al te hoge eisen moeten worden gesteld aan de omvang van de achterban, is ook bij toepassing van de knip aan de eis van voldoende representativiteit onder de WAMCA voldaan.
5.22.2.
Onder het oude regime is geen (zelfstandig) vereiste dat de belangenorganisatie voldoende representatief is ter zake van de belangen van degenen ten behoeve van wie de actie is ingesteld. De belangen waarvoor CCC opkomt, moeten zich echter wel lenen voor bundeling zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming wordt bevorderd. Dat is niet het geval als een collectieve actie geen voordeel biedt boven individuele procedures van belanghebbenden. Daarvan kan sprake zijn als de groep belanghebbenden zeer klein is. In dit geval lenen de belangen waarvoor CCC opkomt zich voor bundeling en is een collectieve actie efficiënter en effectiever dan individuele procedures, gelet op de gelijksoortigheid van de vorderingen en de omvang van de groep benadeelden.
Financiering en zeggenschap (3:305a lid 2 sub c BW)
5.23.
CCC moet beschikken over voldoende middelen om de kosten voor het instellen van deze rechtsvordering te dragen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij CCC ligt. Aan deze vereisten is voldaan.
5.24.
Deze procedure wordt gefinancierd door een procesfinancier. CCC heeft de nu geldende financieringsovereenkomst met deze procesfinancier overgelegd, waarbij (uitsluitend) voor de rechtbank inzage is gegeven in de budgetten. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het middelenvereiste.
5.25.
De rechtbank toetst in deze fase van de procedure of de belangen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd, gelet op de afspraken die CCC over de vergoeding voor de procesfinancier heeft gemaakt. De huidige afspraken met de procesfinancier bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende basis voor een zorgvuldige behartiging van de belangen van de achterban.
5.26.
Van omstandigheden waaruit volgt dat de zeggenschap over de vordering niet bij CCC ligt is niet gebleken.
5.27.
Het betoog van Samsung dat de uitkering aan de procesfinancier in potentie onaanvaardbaar hoog is omdat deze niet gelimiteerd is afhankelijk van het door de procesfinancier geïnvesteerde bedrag, is prematuur. De vraag of de vergoeding voor de procesfinancier onaanvaardbaar hoog is (gezien de investering in de kosten afgezet tegen de risico’s en het rendement) is niet een beoordeling die nu op voorhand al gemaakt kan (en hoeft te) worden. Deze beoordeling kan pas (volledig) worden gemaakt als het resultaat van deze procedure en – bij toewijzing – het totale vergoedingsbedrag voor de procesfinancier bekend is. CCC heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat artikel 9.4 van de financieringsovereenkomst gelezen moet worden in samenhang met artikel 9.2 en dat de financier nooit meer ontvangt dan 25% van het schadebedrag. De rechtbank overweegt dat deze uitkering in beginsel niet onredelijk is. De rechtbank ziet dan ook geen reden om op dit moment al de vergoeding aan de procesfinancier te begrenzen, zoals door Samsung bepleit.
Overige vereisten 3:305a lid 2 BW
5.28.
Artikel 3:305a lid 2 BW stelt in het kader van het waarborgvereiste voorts een aantal vereisten, gericht op transparantie en een goede governance. Aan deze vereisten is eveneens voldaan, vanwege het volgende.
5.29.
CCC beschikt over een voltallig bestuur en een toezichthoudend orgaan zoals vermeld onder 2.2 (lid 2 sub a en sub e).
5.30.
Ook beschikt CCC over passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt (lid 2 sub b). CCC is ingericht volgens de Claimcode en dan kan worden aangenomen dat is voldaan aan dit vereiste. [16] De stelling van Samsung dat vanwege het ontbreken van een achterban niet voldaan kan zijn aan dit vereiste wordt verworpen, omdat de rechtbank ervan uitgaat dat er wel een toereikende achterban is.
5.31.
Verder heeft CCC een algemeen toegankelijke internetpagina waarop de vereiste informatie te vinden is, namelijk de statuten en de bestuursstructuur van CCC, het laatst vastgestelde bestuursverslag, de bezoldiging van bestuurders en de leden van het toezichthoudend orgaan, de doelstelling en werkwijzen van de Stichting, een overzicht van de stand van zaken in lopende procedures en een overzicht van de wijze waarop men zich kan aansluiten bij CCC ofwel de deelname kan worden beëindigd (lid 2 sub d onder 1 t/m 9).
5.32.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat CCC over voldoende ervaring en deskundigheid beschikt ten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering (lid 2 sub e). CCC stelt namelijk dat zij optreden als belangenbehartiger in meerdere collectieve actieprocedures, dat de bestuurders en toezichthouders zowel juridische, financiële en mededingingsrechtelijke deskundigheid bezitten (o.a. decennialange ervaring als advocaat en als toezichthouder bij de ACM) en dat zij op grond van de financieringsovereenkomst over financiële middelen kan beschikken om experts in te schakelen indien nodig.
Ontvankelijkheidseisen artikel 3:305a lid 3 BW
5.33.
In artikel 3:305a lid 3 BW is bepaald dat de bestuurders (oprichters en huidige) van de eisende rechtspersoon geen winstoogmerk mogen hebben, dat de collectieve actie een nauwe band moet hebben met de Nederlandse rechtssfeer en dat de eisende rechtspersoon in overleg is getreden met gedaagde voordat de collectieve actie aanhangig is gemaakt.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan op grond van onderstaande.
5.34.
Niet gesteld of gebleken is dat de oprichters of de bestuurders van CCC een winstoogmerk hebben gehad of hebben met de oprichting van de stichting. Evenmin is gesteld of gebleken dat de bestuurders betrokken zijn bij de economische activiteiten van de procesfinanciers van de stichting.
5.35.
Ook heeft de collectieve actie een nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer. CCC wenst op te komen voor de belangen van kopers van een televisie in Nederland, naar aanleiding van een Sanctiebesluit gegeven door de Nederlandse mededingingsautoriteit aan de Nederlandse vennootschap binnen het Samsung-concern. Samsung heeft die nauwe band ook niet ter discussie gesteld.
5.36.
De rechtbank is van oordeel dat CCC met haar brief van 21 december 2022, waarbij Samsung is uitgenodigd in overleg te treden, voldoende heeft getracht in overleg te treden en dat daarmee is voldaan aan het overlegvereiste. Samsung voert aan dat geen sprake is van een deugdelijke uitnodiging tot overleg, omdat ten tijde van het versturen van de brief de belangen van de achterban van CCC onvoldoende gewaarborgd waren. Dat CCC op dat moment nog geen kenbare achterban had, brengt niet zonder meer mee dat niet aan het overlegvereiste is voldaan. Samsung heeft in haar reactie elke aansprakelijkheid van de hand gewezen. Het mogelijke ontbreken van een achterban is in haar reactie niet genoemd als reden dat bij Samsung de bereidheid ontbreekt in overleg te treden, zodat het voor CCC ook niet voor de hand lag in een later stadium hierop terug te komen. Samsung is ter zitting voorgehouden dat het partijen nog steeds vrijstaat, nu ook voor Samsung duidelijk is welke achterban CCC vertegenwoordigt, in overleg te treden ten einde een schikking te bereiken.
Artikel 1018c lid 5 Rv
5.37.
Uit het voorstaande volgt dat CCC voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW. Daarmee voldoet zij ook aan het bepaalde in artikel 1018c lid 5 onder a Rv.
5.38.
Voorts vereist artikel 1018c lid 5 onder b Rv dat voldoende aannemelijk is dat een collectieve actieprocedure effectiever en efficiënter is dan individuele procedures. Dat sprake is van voldoende gemeenschappelijke feitelijke en rechtsvragen, waarvan het mogelijk is om deze voor de achterban gezamenlijk te beantwoorden, is reeds geoordeeld in overweging 5.15 en 5.16. Er is verder sprake van een voldoende groot financieel belang, het in opdracht van CCC opgestelde economisch rapport schat dat consumenten in de jaren 2013 t/m 2018 € 192 miljoen meer hebben betaald voor Samsung-televisies dan zonder de schending van het mededingingsrecht het geval zou zijn geweest, en de groep waarvoor wordt opgekomen rechtvaardigt een collectieve actie. [17] De rechtbank is dan ook van oordeel dat het effectiever en efficiënter is om deze vragen in één procedure te beantwoorden dan in verschillende individuele procedures (gelijk aan 5.22.2 ten aanzien van de representativiteit in het kader van de WCAM).
Summierlijke (on)deugdelijkheid
5.39.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van de summierlijk ondeugdelijkheid van de vorderingen en ook aan dit vereiste van artikel 1018c lid 5 onder c Rv is voldaan.
5.40.
Het verweer van Samsung dat de vorderingen summierlijk ondeugdelijk zijn voor zover deze buiten de reikwijdte van het Sanctiebesluit vallen faalt. De rechtbank stelt voorop dat het doel van deze bepaling is om in uitzonderlijke gevallen een collectieve vordering al voor de inhoudelijke behandeling van tafel te krijgen omdat deze niet deugt. [18] Daar is in dit geval geen sprake van. Het Sanctiebesluit beslaat volgens Samsung alleen geïdentificeerde prijsaanpassingen tijdens de relevante periode, ten aanzien van geïdentificeerde Samsung-modellen die online werden aangeboden bij een van de zeven retailers. CCC heeft echter gesteld dat niet alleen in die gevallen sprake is van een onrechtmatig hoge prijs. CCC stelt dat de bewuste communicatie van Samsung niet alleen heeft geleid tot algemeen hogere prijzen van alle Samsung-televisies, maar dat dit ook de prijzen van televisies van andere merken heeft beïnvloed, zowel online als offline en bij meerdere detailhandelaren. Dit komt volgens CCC onder andere omdat Samsung als marktleider heeft te gelden, er een periode was dat LG ook op vergelijkbare wijze gecommuniceerd heeft met detailhandelaren en dat is gebleken dat de online en offline prijzen van televisies vrijwel hetzelfde waren. Op basis van deze stellingen, die CCC heeft onderbouwd met het Sanctiebesluit en met een in opdracht van CCC opgemaakt economisch rapport, kan niet worden aangenomen dat de vordering summierlijk ondeugdelijk is.

6.Conclusie en vervolg van deze procedure

6.1.
CCC voldoet aan alle ontvankelijkheidseisen, zowel onder de WAMCA als WCAM.
6.2.
Een volgende stap is om CCC, als enige ontvankelijke stichting in deze procedure, als exclusieve belangenbehartiger aan te wijzen. Als de rechter de exclusieve belangenbehartiger aanwijst, moet hij ook beoordelen wat de collectieve vordering precies inhoudt en voor welke nauw omschreven groep de belangenbehartiger de belangen in de collectieve actie behartigt. Voor vaststelling van de nauw omschreven groep moet bekend zijn welk tijdvak de gebeurtenis behelst. Daarvoor is van belang welke gebeurtenissen onder de WAMCA vallen. De nauw omschreven groep kan nog niet omschreven worden zolang niet is beslist over het toepasselijk collectieve actierecht (en dus over de vraag of al dan niet een knip moet worden toegepast). De beslissing op de vorderingen tot het aanwijzen van CCC als exclusieve belangenbehartiger en de omschrijving van de nauw omschreven groepen zal de rechtbank om die reden aanhouden.
6.3.
De rechtbank is voornemens om voor de nauw omschreven groepen aan te sluiten bij de omschrijving van CCC. In het licht van de (in dit geding te beoordelen) stelling van CCC dat de schadeveroorzakende gebeurtenis berust op een verstoring van de mededinging in de gehele televisiemarkt, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding de nauw omschreven groepen nader te differentiëren naar een groep kopers van een door Samsung genoemd geïdentificeerd model en van een overig Samsung-model. CCC haalt in haar dagvaarding ook aan dat in het Sanctiebesluit staat opgenomen dat het gedrag van Samsung en de verschillende detailhandelaren ziet op alle televisiemodellen van Samsung.
6.4.
De rechtbank verwijst de zaak naar de parkeerrol. Partijen kunnen de zaak opbrengen op de continuatierol voor akte uitlaten over het toepasselijke collectieve actierecht nadat de Hoge Raad het arrest in de Mercedes-zaak heeft gewezen.
6.5.
Nadat partijen zich hebben uitgelaten over het toepasselijke collectieve actierecht in deze zaak, zal de rechtbank overgaan tot de aanwijzing van CCC als exclusieve belangenbehartiger, zal de nauw omschreven groep worden vastgesteld en zal worden bepaald wat de collectieve vordering precies inhoudt. Vervolgens zal gelegenheid worden gegeven voor opt in en opt out.
Daarmee is dan de ontvankelijkheidsfase afgesloten.
De zaak zal vervolgens (in lijn met het standpunt van Samsung en anders dan beslist bij vonnis in incident van 17 juli 2024) worden aangehouden in afwachting van de beslissing van het CBb over de rechtmatigheid van het Sanctiebesluit. Alhoewel CCC de vorderingen zowel
follow onals
stand aloneheeft ingestoken, zal het inhoudelijk debat over de vordering wezenlijk anders zijn als het Sanctiebesluit wegvalt. In de bestuursrechtelijke procedure heeft het CBb prejudiciële vragen gesteld aan het Europees Hof van Justitie. Volgens Samsung wordt niet eerder dan medio 2027 een uitspraak verwacht van het CBb.
6.6.
Op grond van bovenstaande overwegingen wordt het procesverloop vanaf heden als volgt nader vastgesteld:
  • de zaak wordt naar de parkeerrol verwezen;
  • elk van partijen kan de zaak opbrengen op de continuatierol voor akte uitlaten over het toepasselijke collectieve actierecht nadat het arrest in de Mercedes-zaak is gewezen;
  • de rechtbank wijst vervolgens vonnis inzake het toepasselijke collectieve actierecht en de overige nog te nemen beslissingen in de ontvankelijkheidsfase;
  • de zaak wordt in dat vonnis opnieuw naar de parkeerrol verwezen in afwachting van de uitspraak van het CBb;
  • elk van partijen kan, wanneer die uitspraak is gewezen, de zaak opbrengen op de continuatierol voor akte uitlaten door CCC, waarbij
  • Samsung dient vervolgens haar conclusie van antwoord in;
- de rechtbank bepaalt een datum voor de mondelinge behandeling in de inhoudelijke fase.

7.De beoordeling in het vrijwaringsincident

7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering kan worden toegewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen en CCC zich aan het oordeel van de rechtbank heeft gerefereerd.
7.2.
Ook wordt de gevorderde langere dagvaardingstermijn toegestaan. Samsung heeft voldoende onderbouwd dat zij die termijn nodig heeft, omdat er drie partijen afzonderlijk in vrijwaring moeten worden opgeroepen in een complexe en omvangrijke procedure die plaatsvindt in het kader van een collectieve actie. Daarbij heeft deze langere termijn geen negatieve invloed op een verdere inhoudelijke behandeling, gelet op de aanhouding van de zaak in afwachting van de uitspraak in de Mercedes-zaak en vervolgens de hoger beroepsprocedure bij het CBb.
7.3.
Bij toewijzing van deze vordering is niet voldaan aan de voorwaardelijke vordering van Samsung voor het tussentijds toestaan van hoger beroep, zodat daarop niet hoeft te worden beslist.
7.4.
Bij vonnis in incident van 17 juli 2024 is nog niet beslist over de kosten van het door Samsung opgeworpen aanhoudingsincident en vrijwaringsincident. In het vrijwaringsincident kan geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. In het aanhoudingsincident zijn de vorderingen van Samsung afgewezen, maar wordt bij dit vonnis alsnog beslist tot aanhouding in afwachting van de procedure bij het CBb. De rechtbank ziet daarin aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8.De beslissing

De rechtbank
in het incident
8.1.
staat Samsung toe Coolblue B.V., Media Markt Saturn Holding Nederland B.V. en New Retail Company B.V. in vrijwaring te dagvaarden tegen de rolzitting van 7 oktober 2026;
8.2.
compenseert de kosten van het incident zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
8.3.
verwijst de zaak naar de parkeerrol van 7 april 2027, zoals overwogen onder 6.4;
8.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs, mr. W.S.J. Thijs en mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
1604

Voetnoten

1.Conform 8.2.6 van het Landelijk Procesreglement en na reactie hierop van Samsung.
2.Rechtbank Rotterdam 13 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10490.
3.CBb 3 februari 2026, ECLI:NL:CBB:2026:34.
4.Artikel 119a ONBW (Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek).
5.Kamerstukken II 2018/19, 34608, nr. 13, p. 2.
6.Conclusie A-G Snijders, 6 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:224 (SEC/Mercedes c.s.).
7.Conclusie A-G Snijders, 6 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:224 (SEC/Mercedes c.s.), rnr. 5.50.
8.Rb. Rotterdam 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9453, rnr. 13.3.
9.CBb 3 februari 2026, ECLI:NL:CBb:2026:34, rnr. 6.5.
10.Conclusie A-G Snijders, 6 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:224 (SEC/Mercedes c.s.), rnr. 5.18, 5.19.
11.Conclusie A-G De Bock 30 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:129, 5.1 e.v. en voetnoot nr. 56.
12.Sanctiebesluit ACM, nr. 369, CBb 3 februari 2026, ECLI:NL:CBB:2026:34, nr. 6.5.
13.Kamerstukken II 2016/17, 34 608, nr. 3, p. 19.
14.Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1534 (Milieudefensie/Shell).
15.Conclusie A-G De Bock 30 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:129, rnr. 6.35.
16.Kamerstukken II 2016/17, 34 608, nr. 3, p. 20.
17.Uitgaande van een enigszins gelijke spreiding over de jaren, is dit financiële belang ook van voldoende omvang indien een knip moet worden gezet.
18.MvT, Kamerstukken II 2016/17, 34608, 3 , p. 39.