Conclusie
1.SFDC Netherlands B.V.
Salesforce, Inc.
1.Inleiding en samenvatting
offlinebronnen, waarmee gedetailleerde profielen van internetgebruikers worden opgesteld. Deze profielen worden verkocht aan derden om hen onder meer in staat te stellen gepersonaliseerde advertenties aan te bieden op websites. Oracle en Salesforce betwisten dit alles en voeren aan dat de beslissing om bepaalde gegevens te verzamelen bij klanten (websites) ligt. Ook stellen zij dat zij zelf geen advertentiediensten verlenen, maar hun geld verdienen met licenties. Het enige dat Salesforce en Oracle zouden doen, is klanten een middel bieden om interesseprofielen van gebruikers te creëren en deze profielen vervolgens te beheren.
ex nuncheeft beoordeeld – niet miskend of daarover een onbegrijpelijk oordeel gegeven. De ontvankelijkheidseisen moeten worden getoetst tegen de achtergrond van het doel van de WAMCA, namelijk het bevorderen van een efficiënte en effectieve afwikkeling van massaschade. Het is dan ook niet de bedoeling dat té hoge drempels worden opgeworpen voor het procederen door een belangenorganisatie. Ook mogen de ontvankelijkheidsvereisten niet zo worden uitgelegd, dat zij feitelijk een belemmering zouden vormen voor het instellen van een collectieve vordering door een
ad hoc-organisatie [3] (zoals TPC). Aan de hand van deze uitgangspunten moet invulling worden gegeven aan de ontvankelijkheidsvereisten van de WAMCA. Die vereisten bevatten geen vastomlijnde regels, maar open normen die ruimte laten voor interpretatie aan de hand van de omstandigheden van het geval. De feitenrechter komt daarbij veel vrijheid toe.
2.Feiten
www.theprivacycollective.nl.
3.Procesverloop
likehun steun hebben geuit brengt geen steunverklaring mee zoals met het representativiteitsvereiste is beoogd. Gelet op de summiere informatie die bij deze knop op de website wordt gegeven, is niet kenbaar waarvoor de steun wordt gegeven. TPC heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de
likersop basis van die informatie steun hebben gegeven aan deze actie. De omvang van de vertegenwoordigde vorderingen is door de wijze waarop TPC steunbetuigingen heeft vergaard niet inzichtelijk geworden (rov. 5.11);
likenis dat niet kan worden vastgesteld of degenen die via de steunknop een
likehebben gegeven, behoren tot de groepen die TPC vertegenwoordigt. Zo is onduidelijk of deze personen in de relevante periode een cookie van Oracle en Salesforce op hun apparatuur hebben gehad. Bij afwezigheid van nadere gegevens over haar achterban kan de rechtbank niet beoordelen of TPC beschikt over de steun van een relevante achterban (rov. 5.12);
ex nuncmoet plaatsvinden (rov. 4.6-4.7.5). Dat betekent dat het moment van het sluiten van de zitting in hoger beroep maatgevend is voor zijn ontvankelijkheidsoordeel.
4.De Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA)
opt-out-stelsel. Onder art. 3:305a (oud) BW had een rechterlijke uitspraak in een collectieve actie-procedure alleen gezag van gewijsde tussen de belangenorganisatie en haar wederpartij. [22] De WAMCA heeft gebroken met dit uitgangspunt. Thans geldt dat een rechterlijke uitspraak in een collectieve actie-procedure in beginsel bindend is voor alle ‘
personen behorend tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in de collectieve vordering worden behartigd’ (art. 1018f lid 1 Rv). Belanghebbenden die niet gebonden willen worden aan de uitspraak, moeten gebruik maken van de (vóór de uitspraak gelegen)
opt-out-mogelijkheid van art. 1018f Rv, althans voor zover zij bekend zijn met hun schade (art. 1018k Rv). [23]
makkelijkerte maken (‘een efficiënte en effectieve afwikkeling van massaschade’). De in het Evaluatierapport geconstateerde lange duur van de ontvankelijkheidsfase en het uitblijven van inhoudelijke rechterlijke beslissingen over massaschade lijken er echter meer op te wijzen dat de WAMCA het verhalen van massaschade
bemoeilijkt. Dat strookt niet met de bedoeling van de wet.
lawyers paradisein plaats van te fungeren als een instrument dat bijdraagt aan toegang tot recht, wordt het kind met het badwater weggegooid,. Een WAMCA-procedure dreigt dan minder aantrekkelijk te worden voor eisende partijen en procesfinanciers. [36]
commercieel ingestelde organisaties, die de belangen van de personen voor wie zij opkomen op de tweede plaats hebben staan” (ook wel aangeduid als
claimcowboys), met het oog op de nieuw ingevoerde mogelijkheid dat schadevergoeding kan worden gevorderd. [37] De aangescherpte ontvankelijkheidseisen moeten dus werken als
filter. [38] Dit betekent dat als aannemelijk is dat géén sprake is van ‘een commercieel ingestelde organisatie, die de belangen van de personen voor wie zij opkomen op de tweede plaats heeft staan’, de rechter zo snel mogelijk moet kunnen doorstoten naar de inhoudelijke fase. Het is geen doel op zich om een belangenorganisatie in de ontvankelijkheidsfase door zo veel mogelijk hoepels te laten springen.
Het moment voor toetsing van de ontvankelijkheidseisen in collectieve acties (onderdeel 1 Oracle en onderdeel 1 Salesforce)
ex nuncte geschieden, dat wil zeggen naar het moment van het sluiten van het onderzoek op de zitting in hoger beroep (eerste tussenarrest rov. 4.6). Het hof wijst hierbij op het belang van de herkansingsfunctie van hoger beroep, het belang van een doorlopende controle van belangenorganisaties in collectieve acties (in verbinding met de ratio van de ontvankelijkheidseisen), het gebrek aan aanknopingspunten in de wet voor een
ex tunc-toets (met evenwel als uitzondering: de toets van summierlijke ondeugdelijkheid ex art. 1018c lid 5 sub c Rv), en het belang om te kunnen voortgaan met een collectieve actie nadat ontvankelijkheidsgebreken zijn verholpen (rov. 4.7-4.7.5). Het gevolg van deze
ex nunc-toetsing is dat het voor ontvankelijkheid in hoger beroep niet nodig is dat TPC op het moment van de indiening van de vordering in eerste aanleg al aan alle ontvankelijkheidseisen voldeed.
onderdeel 1) als Salesforce (
onderdeel 1) richten klachten tegen dit oordeel. De klachten houden in de kern in dat aan de ontvankelijkheidseisen van art. 3:305a BW dient te zijn voldaan uiterlijk vanaf het moment van de dagvaarding in eerste aanleg, althans vanaf het moment waarop de vordering in eerste aanleg wordt ingesteld. Het hof is dan ook uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
ex nuncof
ex tuncgetoetst moet worden of aan de ontvankelijkheidseisen voor een collectieve actie is voldaan nadrukkelijk gesignaleerd. [44] Te lezen is dat (specifiek) ten aanzien van de eis dat een belangenorganisatie over een toezichthoudend orgaan moet beschikken (art. 3:305a lid 2 sub a BW), onduidelijkheid bestaat over het relevante toetsingsmoment. [45] In dit verband worden in het rapport in feite twee vragen benoemd. De eerste vraag is of
de rechtbankmoet toetsen of ten tijde van het indienen van de dagvaarding is voldaan aan alle ontvankelijkheidsvereisten, of dat getoetst moet worden of op het moment van het wijzen van het vonnis aan de ontvankelijkheidsvereisten is voldaan. [46] De tweede vraag is of
in hoger beroepmoet worden getoetst of in eerste aanleg (al dan niet ten tijde van het indienen van de dagvaarding) is voldaan aan de ontvankelijkheidsvereisten, of dat dit beoordeeld moet worden naar het moment van de uitspraak van het hof. [47] Het Evaluatierapport vermeldt over die tweede vraag: “
In sommige zaken lijkt de rechter coulant door in hoger beroep een ex nunctoetsing toe te passen. Dit creëert rechtsonzekerheid wanneer aan dit criterium moet zijn voldaan.” [48] In het rapport worden geen aanbevelingen gedaan over de beantwoording van de genoemde vragen.
ex nuncdient plaats te vinden, dus beoordeeld naar het moment van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Daarvoor gelden de volgende argumenten, die in grote lijnen ook in het hofarrest zijn benoemd.
dat de gewone regels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering […] onverkort van toepassing [blijven] (art. 332 e.v. voor hoger beroep en artikel 398 e.v. voor cassatie)”. [50] Hierop gelden slechts twee uitzonderingen: [51] tegen de aanwijzing van de meest geschikte belangenbehartiger als exclusieve belangenbehartiger staat geen rechtsmiddel open (art. 1018e lid 1 Rv) en tegen de goedkeuring van een tussen partijen gesloten collectieve schikking staat slechts beperkt cassatieberoep open (art. 1018h lid 6 Rv).
van de wijze waaropvoldaan isaan de ontvankelijkheidseisen van artikel 305a, eerste tot en met derde lid van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek” is, vormt geen aanwijzing dat de ontvankelijkheid moet worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding. Het gaat hier slechts om een instructie aan de belangenorganisatie om in de dagvaarding bepaalde gegevens op te nemen, die de rechter nodig heeft om de ontvankelijkheid te beoordelen. Er zijn geen aanknopingspunten in de wetsgeschiedenis dat de wetgever met de woorden ‘voldaan is’ voor ogen heeft gehad dat reeds op het moment van de inleidende dagvaarding voldaan moet zijn aan alle ontvankelijkheidseisen.
inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering […] slechts [plaatsvindt]indien en nadatde rechter heeft beslist” (a. dat eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen), kan niet worden afgeleid dat de beoordeling van de ontvankelijkheidseisen dient plaats te vinden naar de feitelijke stand van zaken ten tijde van de inleidende dagvaarding. De woorden ‘indien en nadat’, zijn slechts opgenomen om duidelijk te maken dat de rechter éérst de ontvankelijkheid van de collectieve actie moet beoordelen, en dat pas daarna wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen. Zij onderstrepen dus het onderscheid tussen de ontvankelijkheidsfase en de inhoudelijke fase van een WAMCA-procedure (zie ook de weergave van het verloop van een WAMCA-procedure, onder 4.8).
een doorlopende toetsing moet uitvoeren op de ontvankelijkheid van de Exclusieve Belangenbehartiger en het machtsevenwicht tegenover de personen wier belangen in de procedure worden behartigd”. [52] Het doel van deze bepaling is dat de rechter voortdurend controleert of de belangen van belanghebbenden voldoende zijn beschermd. Als dat aanvankelijk, bij het uitbrengen van de dagvaarding, wel het geval was maar later in de procedure niet meer (door gewijzigde omstandigheden aan de zijde van de EB), moet de rechter dus ingrijpen, zo nodig ambtshalve. [53] Met deze instructie is moeilijk te verenigen dat de rechter geen acht zou mogen slaan op nieuwe feiten en omstandigheden in de spiegelbeeldige situatie, dat een belangenorganisatie aanvankelijk niet maar later wél aan de ontvankelijkheidseisen voldoet. Integendeel, uit de parlementaire geschiedenis volgt juist dat de rechter een representatieve belangenorganisatie ontvankelijk kan verklaren op voorwaarde dat één van de eisen waarin in de procesinleiding nog niet is voldaan, binnen een redelijke termijn alsnog wordt vervuld. [54] Ook kan de rechter een belangenorganisatie de gelegenheid bieden een gebrek te herstellen, bijvoorbeeld door aanpassing van de afspraken met de financier. [55]
ex nuncwordt getoetst. Rechtbanken plegen dit expliciet te overwegen in hun uitspraak. [56] Het hof Amsterdam heeft ook in andere uitspraken dan in de voorliggende procedure geoordeeld dat de ontvankelijkheidsvereisten moeten worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. [57]
onderdeel 1, onder 17-19)) als Oracle (
onderdeel 1.1 en onderdeel 1.2) getuigt het oordeel van het hof in rov. 4.6-4.7.5 van een onjuiste rechtsopvatting. Oracle betoogt in onderdeel 1.1 dat het hof miskent dat als uitgangspunt geldt dat een belangenorganisatie reeds op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding moet voldoen aan álle ontvankelijkheidseisen. Indien de belangenorganisatie op het moment van dagvaarding niet voldoet aan alle ontvankelijkheidseisen, maar wel voordat de rechter het onderzoek ter zitting (in eerste aanleg of appel) naar het voldoen aan de ontvankelijkheidseisen heeft afgesloten, heeft de rechter de bevoegdheid om de belangenorganisatie toch ontvankelijk te verklaren als sprake is van een gebrek van ondergeschikte aard. De rechter moet dan motiveren waarom het gebrek zich leent voor herstel. Na afsluiting van het onderzoek ter zitting, zo betoogt Oracle, dient de rechter vervolgens een doorlopende
ex nunc-toetsing uit te voeren en moet de belangenorganisatie (alsnog) niet-ontvankelijk worden verklaard als op enig moment niet meer aan alle ontvankelijkheidseisen wordt voldaan. Ook Salesforce betoogt dat op het moment van dagvaarden, althans vanaf het moment waarop het geding in eerste aanleg aanhangig wordt, moet zijn voldaan aan de ontvankelijkheidsvereisten. Volgens Salesforce wordt dit bevestigd door art. 1018c lid 1 aanhef en onder d Rv dat voorschrijft dat in de dagvaarding moet worden vermelden dat aan de vereisten van art. 3:305a BW is voldaan. Salesforce verwijst in dit verband ook naar de ratio van art. 1018c lid 5 Rv (zie onder 18).
ex nunc-toetsing in hoger beroep een uitzondering geldt of zou moeten gelden voor de beoordeling of een belangenorganisatie aan de ontvankelijkheidseisen voldoet.
ex tunctoetsing in ieder geval geldt voor het representativiteitsvereiste, omdat de wetgever op dit punt de ontvankelijkheidseisen heeft willen aanscherpen. Een belangenorganisatie die ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding geen rechtens relevante achterban heeft kan niet in haar vordering worden ontvangen, aldus Oracle. Salesforce merkt in dit verband op dat als niet meteen bij het instellen van de vordering wordt voldaan aan de representativiteitseis, dat (commerciële) claimorganisaties uitnodigt tot een
rush to court, waarbij zij in de loop van de procedure steun van individuen voor de procedure hopen te verzamelen, terwijl ze intussen proberen een commercieel gunstige schikking af te dwingen. [60] Als sprake is van een gebrek van ondergeschikte aard heeft de rechter de bevoegdheid de belangenorganisatie desalniettemin ontvankelijk te verklaren. De rechter moet dan motiveren waarom in de concrete omstandigheden van het geval afwijking van het uitgangspunt van
ex tunc-toetsing gerechtvaardigd is. Het hof heeft dat nagelaten.
ex nunc-beoordeling van de vraag of een belangenorganisatie in hoger beroep voldoet aan alle ontvankelijkheidseisen, anders ligt voor het representativiteitsvereiste.
6.Het representativiteitsvereiste (onderdeel 2 Oracle en onderdeel 2 Salesforce)
track recorddie TPC niet heeft, onderschrijven dat (deze) actie ten behoeve van die internetgebruikers moet worden gevoerd.
likesdie op de webpagina van TPC zijn gegeven, geven aan dat een weliswaar niet zeer groot, maar toch behoorlijk aantal natuurlijke personen instemmen met deze actie. Inmiddels is de inrichting van de website zodanig dat duidelijk is tegen wie deze actie zich richt en waarover deze gaat.
onderdeel 2) als Salesforce (
onderdeel 2) hebben cassatieklachten tegen deze overwegingen gericht.
ad hocopgerichte claimstichtingen. [63] Het waarborgvereiste bood de rechter een handvat om kritisch te oordelen over de ontvankelijkheid in een collectieve actie indien hij twijfelde aan de motieven voor het instellen van de actie. Daarmee werd voorkomen dat claimstichtingen het collectief actierecht zouden gebruiken om hun eigen commercieel gedreven motieven na te streven, aldus de parlementaire geschiedenis. [64]
ad hocopgerichte stichting van belang kan zijn
of deze is opgericht door reeds bestaande organisaties die in het verleden succesvol de belangen van de betrokkenen hebben behartigd. [66] Overigens is de eis van ‘voldoende kennis en vaardigheden’ thans verankerd in de in art. 3:305a lid 2 en lid 3 BW opgenomen vereisten op het aspect van governance, financiering en transparantie. Hierop zal nader worden ingegaan in hoofdstuk 9 van deze conclusie.
een materiële beoordeling van de motieven van de rechtspersoon”). [67] Het aantal benadeelden dat is aangesloten bij een belangenorganisatie vormt een belangrijke aanwijzing dat is voldaan aan het waarborgvereiste, maar moet niet altijd doorslaggevend zijn, aldus de memorie van toelichting. Niet ondenkbaar is immers dat een louter door eigen commerciële doelstellingen gedreven belangenorganisatie door agressieve werving in staat is geweest een aanzienlijke achterban te verwerven, terwijl het andersom niet zo is dat een organisatie met een geringe achterban daardoor per definitie niet aan het waarborgvereiste zou voldoen. [68]
een voor benadeelden zo vergaand rechtsgevolg als een binding aan een overeenkomst over afwikkeling van hen toekomende schadeclaims”. [71]
De belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, zijn voldoende gewaarborgd, wanneer de rechtspersoon als bedoeld in lid 1,
voldoende representatief is,
gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen.
bescherming van de belangen van belanghebbenden, en moet fungeren als garantie dat daadwerkelijk voor hun belangen wordt opgekomen.
SMMT/Warner, waarin SMMT verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten omdat zij overwoog een vordering in te stellen tegen Warner wegens, kort gezegd, machtsmisbruik in de muziekbranche, heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof dat SMMT op wezenlijke onderdelen niet voldoet aan de vereisten van art. 3:305a BW, in stand gelaten. [79] Het hof overwoog dat niet is gebleken dat SMMT enige feitelijke activiteit ontplooit ter realisering van haar statutaire doel; dat SMMT evenmin inzichtelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk beschikt over een achterban die belang heeft bij de beantwoording van de rechtsvraag die SMMT met een collectieve actie aan de rechter wenst voor te leggen en dat bij afwezigheid van nadere gegevens over de achterban niet te toetsen valt of een voldoende gehalte aan gelijksoortige belangen voorhanden is om een collectieve actie ontvankelijk te doen zijn, in die zin dat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Volgens de Hoge Raad getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting (rov. 3.1.5).
Milieudefensie/Shellheeft de Hoge Raad, in de context van de beoordeling van een vordering die strekte tot voeging van een partij aan de zijde van Shell (namelijk de Stichting Milieu & Mens, M&M), een kader gegeven voor de toetsing aan het representativiteitsvereiste van art. 3:305a BW: [80]
Beoordeeld dient dan ook te worden of de verzochte voeging inderdaad strekt tot bescherming van de gelijksoortige belangen die de belangenorganisatie ingevolge haar statuten beoogt te behartigen en of zij de groep van personen om wier belangen het gaat, in voldoende mate representeert. Welke eisen aan de representativiteit dienen te worden gesteld, hangt af van de omstandigheden van het geval.
M&M heeft daarmee, ook in het licht van hetgeen Milieudefensie c.s. daartegen hebben aangevoerd, voldoende aannemelijk gemaakt dat zij – als recent opgerichte ideële belangenorganisatie – een achterban heeft voor wiens belangen zij opkomt.”
afhangt van de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad geeft dus geen vastomlijnd criterium voor de toetsing van de representativiteit. In de derde plaats is geoordeeld dat
uiteenlopende omstandighedenvoldoende aannemelijk kunnen maken dat een belangenorganisatie opkomt voor de belangen van haar achterban, en daarmee voldoet aan het representativiteitsvereiste. Ook voor de beantwoording van de vraag op welke wijze aannemelijk gemaakt moet worden dat voldaan is aan het representativiteitsvereiste, geeft de Hoge Raad dus een open norm. Tot slot benadrukt de Hoge Raad hier het daadwerkelijk bestaan van een achterban. [81]
Milieudefensie/Shellniet ter discussie dat M&M met haar incidentele conclusie tot voeging een ideëel doel nastreeft in de zin van art. 3:305a lid 6 BW. [82] De overwegingen van de Hoge Raad zijn echter algemeen geformuleerd en niet toegespitst op ‘lid 6-acties’.
Milieudefensie/Shellniet heeft getoetst of M&M aan álle ontvankelijkheidsvereisten van art. 305a BW voldoet; het ging slechts om de vraag of M&M voldeed aan het representativiteitsvereiste (zie rov. 3.3).
bookbuilding. Tegelijkertijd blijkt uit het vragenlijstonderzoek dat een aantal respondenten juist voorstander is van een intensieve toets van het representativiteitsvereiste in collectieve schadevergoedingsacties, opdat – kort gezegd – vercommercialisering van de collectieve actie voorkomen wordt.”
opt-out-systeem geldt op basis waarvan belanghebbenden zich juist niet hoeven te melden. [93] Daarnaast stellen verschillende auteurs zich op het standpunt dat wat ‘voldoende steun’ inhoudt, afhangt van de omstandigheden van het geval. [94] Sommige auteurs menen dat de steun van andere (maatschappelijke) organisaties voor een collectieve actie op zich niet heel relevant is, omdat deze organisaties niet behoren tot de beweerdelijke benadeelden waarvoor de belangenorganisatie opkomt. [95] Anderen zien die relevantie wel, met name als een bijkomende omstandigheid. [96]
opt-out-systeem van de WAMCA.
daadwerkelijkbeweerdelijke benadeelden zijn waarvoor de belangenorganisatie stelt op te komen. [97] Wel wordt regelmatig beoordeeld op welke wijze personen hun steun kenbaar hebben gemaakt, bijvoorbeeld door het aanmeldformulier dat belanghebbenden hebben ingevuld te onderzoeken. [98] Daarmee wordt dan een inschatting gemaakt of personen die zich hebben aangemeld personen zijn uit de groep personen voor wie de belangenorganisatie opkomt. Het komt ook voor dat feitenrechters verlangen dat de belangenorganisatie een verklaring van een externe partij, zoals een accountant, overlegt die bevestigt dat de gestelde achterban daadwerkelijk bestaat. [99] In een enkel geval is de toets vrij indringend. [100]
opt-out-systeem van de WAMCA.
voldoende [is] dat een achterban bestaat, dat wil zeggen een niet te verwaarlozen aantal personen behorende tot die (nauw te omschrijven) groep achter deze actie van TPC staat”. Het hof reduceert het representativiteitsvereiste hiermee ten onrechte tot een minimumdrempel (
onderdeel 2.1). Volgens Oracle moet een belangenorganisatie, althans de belangenorganisatie in een niet-ideële actie als de onderhavige, in de eerste plaats een achterban hebben die ten opzichte van het totale aantal personen die (menen te) behoren tot de groep waarvoor de organisatie opkomt, een voldoende grote omvang heeft, waarbij het van de omstandigheden van het geval afhangt welke omvang volstaat. In de tweede plaats moet sprake zijn van een rechtens relevante achterban, dat wil zeggen een achterban die bestaat uit beweerde gedupeerden, die bovendien op juiste wijze over de aard en inzet van de procedure zijn voorgelicht.
onderdeel 2.2heeft het hof miskend dat steun van organisaties als door het hof genoemd slechts kan bijdragen aan het oordeel dat de belangenorganisatie voldoende representatief is, indien reeds is vastgesteld, althans aannemelijk is, dat een voldoende groot aantal beweerde gedupeerden de actie ondersteunt. Het hof miskent daarnaast dat het verzamelen van anonieme
likesgeen deugdelijke wijze is om aan te tonen, althans aannemelijk te achten, dat een voldoende groot aantal beweerde gedupeerden de actie ondersteunt. Bij een dergelijk systeem kan immers niet worden vastgesteld of de
likesafkomstig zijn van beweerde gedupeerden, aldus Oracle.
likes.Nu uiteenlopende omstandigheden aannemelijk kunnen maken dat een belangenorganisatie op representatieve wijze opkomt voor de belangen van haar achterban en dat een achterban die de actie steunt inderdaad bestaat, kan in dat kader ook relevant zijn dat de organisatie
likesheeft gekregen voor haar actie. Hierbij is nog op te merken dat het hof zijn oordeel niet alleen heeft gebaseerd op de
likes, maar op een beoordeling van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, waarbij de
likesslechts een van die omstandigheden vormt.
likesniet had mogen meewegen omdat ze anoniem zijn, geldt dat het representativiteitsvereiste in het algemeen niet vereist dat de rechter indringend moet controleren of de personen die de actie steunen daadwerkelijk beweerdelijke benadeelden zijn waarvoor de belangenorganisatie stelt op te komen (zie onder 6.39). Reeds hierop stuit dit betoog af.
likes, blijkt dat daadwerkelijk een voldoende aantal beweerdelijke benadeelden de actie steunt, is volgens
onderdeel 2.3ontoereikend gemotiveerd. Het oordeel van het hof gaat volgens het onderdeel ten onrechte uit van een
ex nunc-toets (zie onderdeel 1). Ook bij een
ex nunc-toets is het oordeel volgens het onderdeel echter ontoereikend gemotiveerd. Zonder nadere motivering, zou niet te begrijpen zijn waarom de leden van de maatschappelijke organisaties behoren tot de groep van beweerde gedupeerden, laat staan waarom deze leden daadwerkelijk de actie van TPC ondersteunen. Oracle heeft voorts betwist dat uit de
likessteun van beweerde gedupeerden blijkt, gelet op (a) de omstandigheid dat het overgrote deel van de
likesbehaald is op basis van de ‘oude’ website, die volgens Oracle onvoldoende inzicht gaf in de actie waaraan steun werd gegeven en die zich nog mede richtte op het buitenland, terwijl er op basis van de ‘nieuwe’ website maar zeer weinig
likeszijn bijgekomen, en (b) de wijze waarop de website van TPC was ingericht, te weten dat de
likesanoniem zijn. Zonder nadere motivering zou daarmee onbegrijpelijk zijn dat de
likesaangeven dat een weliswaar niet zeer groot, maar toch behoorlijk aantal natuurlijke personen instemmen met de actie van TPC. Hier komt bij dat zonder nadere motivering niet te begrijpen zou zijn waarom de steun van een niet zeer groot aantal natuurlijke personen voldoende is, afgezet tegen de grote omvang van de groep beweerde gedupeerden en hun beweerde schade(vergoedingsrecht).
ex nunc- of
ex tunc-toets? – faalt het in het spoor daarvan (zie onder 5.13 e.v.). Voor zover het onderdeel klaagt over het oordeel van het hof dat de
likesen steun van maatschappelijke organisaties laten zien dat TPC een toereikende achterban heeft, miskent het onderdeel dat deze twee omstandigheden wel degelijk relevante indicaties zijn van een toereikende achterban. Dat de
likesanoniem zijn en de website aanvankelijk deze concrete actie en Salesforce en Oracle niet specifiek bij de
like-knop noemde, [104] doet daar niet aan af.
onderdeel 2.1van het cassatieberoep van Salesforce heeft het hof ten eerste miskend dat art. 3:305a lid 2 aanhef BW vereist dat TPC zelf voldoende representatief is om een schadevordering in te stellen. Niet voldoende is dat er een groep in de samenleving bestaat die achter de actie van TPC staat, noch dat andere organisaties hun steun voor de actie van TPC hebben uitgesproken. Het gaat erom dat TPC zelf beschikt over de (actieve) steun van een achterban voor de vordering, hetgeen – nu TPC een
ad hoc-organisatie is – bijvoorbeeld kan worden getoetst op basis van het aantal personen dat zich actief voor de vordering van TPC heeft aangemeld. Ten tweede zou het hof hebben miskend dat het voor het aannemen van representativiteit niet voldoende is dat de achterban bestaat uit een niet te verwaarlozen aantal personen. Dat zou een te lage drempel zijn. Het zou moeten gaan om een voldoende substantieel aantal personen. De vraag of een aantal personen voldoende substantieel is, zou alleen kunnen worden beantwoord door het aantal personen op wier steun de claimorganisatie zich beroept, af te zetten tegen het totaal aantal personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Het hof zou deze beoordeling ten onrechte achterwege hebben gelaten. Voor zover het hof dat wel zou hebben gedaan, is zijn oordeel onbegrijpelijk omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat een achterban van een niet te verwaarlozen aantal personen op een totaal van ongeveer 10 miljoen personen TPC voldoende representatief maakt, aldus nog steeds Salesforce.
likes. Dat deze maatschappelijke organisaties zelf op zich niet belanghebbenden zijn waarvoor TPC stelt op te komen, doet daar niet aan af.
likes.
likesaangeven dat een behoorlijk aantal natuurlijke personen instemmen met de actie van TPC en bijdragen aan het oordeel dat een niet te verwaarlozen aantal personen behorende tot de (nauw te omschrijven) groep achter de actie van TPC staat. 99% van de
likesis immers verkregen toen de inrichting van de website nog niet specifiek bij de
like-knop duidelijk maakte tegen wie de actie van TPC zich richt en waarover de procedure gaat. [105] Dit geldt temeer voor
likesdie zijn verkregen via een advertentiecampagne. Uit een
likezou dan ook niet kunnen worden afgeleid dat de persoon die op de
like-knop heeft gedrukt, instemt met het instellen van de schadeclaim van TPC tegen Oracle en Salesforce.
likeskunnen wel degelijk een indicatie zijn van het bestaan van een achterban die bestaat uit personen waarvoor TPC stelt op te komen en die de actie van TPC steunen. Dat deze
likesanoniem zijn en de website van TPC aanvankelijk nog niet specifiek bij de
like-knop vermeldde om welke actie het gaat en waarop deze actie betrekking had, doet daar niets aan af, mede gezien het feit dat de belanghebbenden waarvoor TPC stelt op te komen een heel groot deel van de Nederlandse bevolking is. Als gezegd kan van de rechter niet worden verlangd dat zij indringend toetst of de personen die hun steun hebben uitgesproken daadwerkelijk beweerdelijke belanghebbenden zijn. Overigens heeft het hof in dit verband terecht en niet onbegrijpelijk meegewogen dat de website inmiddels anders is ingericht.
Het gelijksoortigheidsvereiste (onderdeel 5 Oracle, onderdeel 4 Salesforce en onderdelen 1, 2 en 3 incidenteel cassatieberoep TPC)
onderdeel 5.2) als Salesforce (
onderdeel 4.1) worden klachten gericht tegen rov. 4.13.2. Zij voeren aan dat zij uitgebreid hebben aangevoerd en toegelicht dat géén sprake is van gelijksoortige belangen.
onderdeel 1 incidenteel cassatieberoep).
onderdeel 5), Salesforce (
onderdeel 4) als TPC (
onderdeel 1, 2 en 3 incidenteel cassatieberoep) klachten.
een rechtsvorderinginstellen
die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangenvan andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd.
mogelijkis. Bij de gemeenschappelijkheidsdeeleis van art. 1018c lid 5 sub b Rv zou het gaat het om de vraag of voor de gehele groep dezelfde juridische en feitelijke vragen voorliggen.
CCC/Appleheeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter de vraag of sprake is van ‘dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen’ en ‘gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen’ dient te beantwoorden
tegen de achtergrond van het doel van de WAMCA, namelijk een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen. [114] Weliswaar had dit arrest betrekking op het gelijksoortigheidsvereiste in art.
1018dlid 1 Rv, waar het gaat om de situatie dat er meerdere collectieve vorderingen zijn ingesteld. De overweging heeft echter een bredere betekenis, omdat daaruit – in zijn algemeenheid – blijkt dat de vraag of sprake is van gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen, niet geïsoleerd moet worden bekeken, maar moet worden beoordeeld binnen de bredere context dat een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade moet worden bevorderd. [115]
De collectieve vordering moet steeds worden bezien in relatie tot het hypothetische geval waarin alle groepsleden de vordering individueel instellen: hoe effectief en efficiënt is dat?
Wat in de specifieke omstandigheden voldoende is om een collectieve actie te rechtvaardigen, hangt mede af van de vraag in hoeverre individuele vorderingen haalbaar zouden zijn.”
zodanig geabstraheerdmoet kunnen worden van de bijzonderheden van individuele gevallen, dat de beoordeling niet anders kan uitvallen dan in een individueel geval. Zie de volgende passage (mijn onderstreping): [119]
Er moet zodanig geabstraheerd kunnen worden van de bijzonderheden van individuele gevallen, dat de beoordeling niet anders zou kunnen uitvallen dan in een individueel geval.”
in voldoende mate vergelijkbaarzijn. Die vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van het doel van de WAMCA, het bevorderen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming voor de afwikkeling van massaschade. Daarmee kan ook relevant zijn of het voeren van individuele rechtszaken een reële en haalbare mogelijkheid is, zo blijkt uit de tekst van art. 1018c lid 5 onder b Rv.
inschattingte maken van de gelijksoortigheid van de belangen.
onderdeel 4.1van Salesforce, onder 48-50. Geklaagd wordt dat Salesforce heeft aangevoerd (a) dat TPC uitgaat van een verkeerd begrip van het product dat Salesforce aanbiedt; (b) dat de feitelijke vragen en rechtsvragen per internetgebruiker te wezenlijk verschillen voor bundeling in een collectieve actie; (c) dat de vorderingen TPC wegens vermeende schendingen van privacy-normen zijn gebaseerd op verschillende bepalingen van de AVG en de Telecommunicatiewet, die elk weer uiteenvallen in verschillende deelaspecten. Per afzonderlijk geval moet de vraag worden beantwoord welke norm in het geding is: (d) de dienst die Salesforce levert verschilt wezenlijk van de omschrijving die TPC daaraan geeft en van de dienst van Oracle. In het licht van deze stellingen is het oordeel van het hof dat Salesforce niet gemotiveerd heeft betwist dat sprake is van gelijksoortige belangen, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Ook de daarop volgende overwegingen in rov. 4.13.2 kunnen ’s hofs oordeel niet dragen, omdat het hof in het midden heeft gelaten de stelling van Salesforce dat er sprake is van een zeer grote verscheidenheid aan mogelijke normschendingen die in de weg staan aan het aannemen van voldoende gelijksoortigheid.
onderdeel 5.3voert Oracle nog aan dat het hof ten onrechte aanneemt dat in elk geval waarin de rechter gevraagd wordt te oordelen of bepaald handelen of nalaten onrechtmatig is en op grond daarvan een verklaring voor recht of verbod uit te spreken, de belangen gelijksoortig zijn in de zin van art. 3:305a lid 1 BW. Dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, aldus Oracle.
in de voorliggende zaaksprake is van vragen (met betrekking tot de gestelde onrechtmatigheid van het handelen of nalaten van Oracle en Salesforce) die in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, waarmee het voeren van de collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen.
onderdeel 5.4dat, gelet op het oordeel van het hof in rov. 4.15.1- 4.16.2 (deze overwegingen zijn hiervoor geciteerd onder 7.6) dat (i)
punitive damageszowel naar Nederlands recht als op grond van de AVG niet kunnen worden toegewezen; (ii) voor het ontstaan van een recht op schadevergoeding meer nodig is dan de enkele normschending en (iii) de enkele omstandigheid dat een persoon niet langer de volledige controle over zijn/haar persoonsgegevens heeft niet betekent dat deze persoon schade lijdt, het hof tot geen ander oordeel had kunnen komen dan dat TPC onvoldoende heeft gesteld voor de gevolgtrekking dat schadevorderingen kunnen bestaan. In het verlengde daarvan kan het oordeel van het hof dat sprake is van gelijksoortige schadevorderingen niet in stand blijven.
onderdeel 5.5, nadere motivering. Geoordeeld is immers (i) dat er zeer grote individuele verschillen kunnen bestaan tussen de personen die deel uitmaken van de achterban van TPC, (ii) op dit moment niet kan worden aangenomen dat – kort gezegd – schade is geleden in de zin van het Nederlandse schadevergoedingsrecht of de AVG, (iii) immateriële schade in het algemeen sterk afhankelijk is van de omstandigheden van de persoon, en (iv) het zeer wel mogelijk is dat sommige leden van de achterban in het geheel geen schade hebben geleden (rov. 4.17). De vereiste motivering wordt niet geboden door de overwegingen dat met categorieën kan worden gewerkt en dat TPC subsidiair verwijzing naar de schadestaat heeft gevorderd (
onderdeel 5.6).
onderdeel 4.2van Salesforce (onder 51-52 en 55).
onderdeel 2.1-2.2). Het hof ziet eraan voorbij dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden steeds kunnen meebrengen dat sprake is van de in art. 6:106 BW Pro bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze. Ook ziet het hof eraan voorbij dat de schending van fundamentele rechten, zoals de schending van persoonlijkheidsrechten of de persoonlijke levenssfeer, een aantasting van de persoon op andere wijze kan opleveren. Dit geldt in ieder geval bij schending van de rechten die hier in het geding zijn (art. 7 en Pro 8 Handvest EU, art. 22 lid 1 AVG Pro, art. 6 AVG Pro, art. 12 t/m 14 AVG, art. 11.7a Telecommunicatiewet, art. 5 lid 1 onder Pro c en art. 25 AVG Pro en/of art. 44 e.v. AVG). Als schending van deze rechten aan de orde is, is het niet aan TPC om de geleden schade aannemelijk te maken, zoals het hof overweegt in rov. 4.15.
onderdeel 3.2-3.8). Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, of heeft zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, waar het heeft overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dat verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon jegens de hele achterban van TPC kan worden aangenomen, omdat tussen de daarvan deel uitmakende personen onderling grote verschillen kunnen bestaan terwijl de mogelijkheid van immateriële schade in het algemeen sterk afhankelijk is van de omstandigheden en van de persoon. Het hof ziet er namelijk aan voorbij dat de aard en de ernst van de normschending als zodanig kunnen meebrengen dat de in dat verband relevante gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106 onder Pro b BW. Ook heeft het hof onvoldoende meegewogen de specifieke gedragingen van Oracle en Salesforce die TPC aan haar stellingen ten grondslag heeft gelegd (genummerd i t/m ix). Verder valt niet in te zien waarom het hof oordeelt dat de ernst van de normschending nog niet is vast te stellen in de ontvankelijkheidsfase. Bovendien heeft het hof miskend dat sprake kan zijn van immateriële schade in de zin van art. 82 lid 1 AVG Pro van iedereen die door die normschendingen is geraakt. In elk geval ziet het hof eraan voorbij dat voor art. 82 lid 1 AVG Pro niet relevant is of personen op wier door de AVG beschermde rechten een inbreuk is gemaakt geen bezwaar hebben en wellicht per saldo de resulterende geïndividualiseerde reclame juist op prijs stellen. Dan zou nog steeds sprake kunnen zijn van immateriële schade in de zin van art. 82 AVG Pro. Voorts heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting als het heeft geoordeeld dat de aard en/of ernst van de normschending door de verwerkingsverantwoordelijke steeds als ondergrens een rol speelt bij de vraag of art. 82 AVG Pro recht geeft op vergoeding van immateriële schade of relevant is voor de omvang van de immateriële schade. Hetzelfde geldt als het hof heeft geoordeeld dat immateriële schade in de zin van art. 82 AVG Pro is beperkt tot een bepaalde aard en/of ernst, aldus steeds TPC.
Schadevorderingen’, kan daaruit geen andere conclusie worden getrokken dan dat het hof in deze overwegingen
nog geen inhoudelijk oordeel heeft gegevenover de toe- of afwijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van TPC. Alle overwegingen in rov. 4.15-4.18 staan in de sleutel van de beoordeling van het gelijksoortigheidsvereiste, dat het hof blijkens het kopje ‘
Gelijksoortigheid van de belangen’ vanaf rov. 4.11 aan de orde stelt. Daarbij beoordeelt het hof eerst de gelijksoortigheid voor de vorderingen in categorie (i), (iv) en (ii) (rov. 4.11-4.13.2). Vervolgens beoordeelt het hof in rov. 4.14-4.18 de gelijksoortigheid van de schadevorderingen die TPC heeft ingesteld (categorie iii).
inschattingte maken of sprake is voldoende gemeenschappelijkheid (vgl. hiervoor onder 7.28). Maar, zoals het hof in rov. 4.19 ook zelf nadrukkelijk overweegt, “
dit oordeel loopt op geen enkele wijze vooruit op de toewijsbaarheid van de vordering.” Onduidelijkheid over de schade staat op dit moment niet in de weg aan ontvankelijkheid van TPC en het debat daarover dient nader te worden uitgediept in de inhoudelijke fase van het geschil, nadat de normschending en de ernst daarvan is vastgesteld (rov. 4.19).
kunnenbestaan, slagen niet. Het hof overweegt nadrukkelijk dat in de inhoudelijke fase nader debat over de gestelde schade moet plaatsvinden en dat het thans gegeven oordeel over de gelijksoortigheid op geen enkele wijze vooruitloopt op de toewijsbaarheid van de vordering (rov. 4.19). De veronderstelling dat uit de overwegingen van het hof volgt dat de vorderingen van TPC niet kunnen worden toegewezen, is dus niet juist.
onderdeel 1.2in het incidenteel cassatieberoep voert TPC aan dat het hof er in rov. 4.14 en rov. 4.15 aan voorbij ziet dat TPC niet alleen vergoeding van immateriële maar ook van materiële schade heeft gevorderd. [127] Oracle en Salesforce hebben zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
8.Feitelijke belangenbehartiging (Oracle onderdeel 4.1 en Salesforce onderdeel 5)
onderdeel 4.1) als Salesforce richten klachten (
onderdeel 5) tegen deze overweging.
de belangen behartigtwaarvoor zij volgens haar statuten opkomt.
ad hoc-organisaties mogelijk te maken. Dat impliceert eveneens dat aan de eis van feitelijke belangenbehartiging al snel is voldaan (namelijk met de oprichting van de
ad hoc-organisatie).
overige werkzaamhedendie de organisatie heeft verricht om zich voor de belangen van benadeelden in te zetten of op de vraag of de organisatie in het verleden ook daadwerkelijk in staat is gebleken de eigen doestellingen te realiseren. Maar ook is opgemerkt dat bij een
ad hocopgerichte stichting van belang kan zijn of deze is opgericht door reeds bestaande organisaties die in het verleden succesvol de belangen van de betrokkenen hebben behartigd. [133]
voldoende ervaring en deskundigheidten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering. In de parlementaire geschiedenis is vermeld dat dit de rechter de mogelijkheid geeft om de
track recordte toetsen van belangenorganisaties die voor een groep gedupeerden een rechtsvordering instellen. [134] Daarmee is duidelijk dat het vereiste van ervaring en deskundigheid in feite in de plaats is gekomen van het vereiste van feitelijke belangenbehartiging. Het toetsen van de
track recordhoudt immers in dat gekeken wordt naar de eerder verrichte activiteiten of geleverde prestaties, met andere woorden: naar de feitelijke belangenbehartiging door de belangenorganisatie.
ad hoc-organisaties (die geen
track recordhebben) buiten de deur te houden: [135]
ad hoc-organisatie is, zal zij dus moeten laten zien dat zij over voldoende ervaring en deskundigheid beschikt, wat aan de hand van een veelheid aan feiten en omstandigheden kan worden aangetoond.
track recordvan de organisatie. Dit betekent niet dat
ad hoc-opgerichte 305a-organisaties hieraan niet kunnen voldoen. [136]
ad hocorganisaties juist toestaat. [138] De ontvankelijkheidseisen die de WAMCA stelt kunnen dus niet zó worden uitgelegd, dat zij feitelijk een belemmering vormen voor het instellen van een collectieve vordering door
ad hoc-belangenorganisaties.
onderdeel 4.1voert Oracle aan dat voor zover het hof met zijn overweging in rov. 4.11 dat uit de activiteiten die TPC sinds haar oprichting heeft ontplooid in voldoende mate volgt dat zij het belang waar het in deze procedure om gaat ook feitelijk behartigt, doelt op activiteiten die TPC heeft ontplooid in het kader van de onderhavige procedure, het hof miskent dat het vereiste van art. 3:305a lid 1 BW meebrengt dat de belangenorganisatie andere en aan de collectieve actie
voorafgaande activiteitenmoet ontplooien ter behartiging van het belang waarvoor zij volgens haar statuten zegt op te komen. Voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat TPC dergelijke activiteiten heeft ontplooid, is het onvoldoende gemotiveerd. Oracle heeft gemotiveerd betwist dat TPC dergelijke activiteiten heeft verricht.
onderdeel 5.
ad hoc-organisaties, zoals TPC [139] , die vanzelfsprekend niet beschikken over een
track record, te laten struikelen op het vereiste van feitelijke belangenbehartiging (zie onder 8.11-8.12). Dat zou ook haaks staan op de Richtlijn representatieve vorderingen (zie onder 8.18).
onderdeel 4.2 en 4.3dat het hof heeft nagelaten te onderzoeken of TPC heeft voldaan aan het actief-vereiste van art. 80 lid 1 AVG Pro. Deze klachten zullen worden besproken in hoofdstuk 12 van deze conclusie.
Governance en transparantie (onderdeel 6.1 t/m 6.3 Oracle en onderdeel 3 Salesforce)
onderdeel 6.1 tot en met 6.3) als Salesforce (
onderdeel 3) klachten tegen deze oordelen. De klachten komen er in de kern op neer dat het hof voor wat betreft art. 3:305a lid 2 sub c BW is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat het hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.
ad hocbelangenorganisaties te ontmoedigen. Dergelijke organisaties vervullen immers niet zelden een belangrijke rol bij de afwikkeling van massaschades en worden ook niet zelden opgericht door al bestaande belangenorganisaties die op deze wijze bijvoorbeeld goed in staat zijn bestuursleden aan te trekken die over de expertise beschikken die nodig is voor de afwikkeling van de betreffende zaak, zo valt te lezen in de parlementaire geschiedenis. [143]
in algemene zin” een rol konden spelen, zoals de overige werkzaamheden die de organisatie heeft verricht om zich voor de belangen van benadeelden in te zetten; of de organisatie in het verleden ook daadwerkelijk in staat is gebleken de eigen doelstellingen te realiseren; het aantal benadeelden dat aangesloten is bij of lid is van de organisatie en in hoeverre benadeelden zelf de collectieve actie ondersteunen. Ook van betekenis kan zijn of de eisende organisatie aan de in de Claimcode opgenomen “
principes” voldoet, aldus de parlementaire geschiedenis (zie voor de Claimcode 9.15 e.v.). Bij een
ad hocopgerichte stichting kan van belang zijn of deze is opgericht door reeds bestaande organisaties die in het verleden succesvol de belangen van de betrokkenen hebben behartigd. Ook kan een aanwijzing zijn of de organisatie als gesprekspartner is opgetreden. Het optreden als spreekbuis in de media kan ook een aanwijzing zijn. [145]
de norm”) zo is geredigeerd, “
dat het de rechter de mogelijkheid biedt om in zijn beoordeling tal van relevante factoren te betrekken die erop wijzen dat de belangen van de personen ten behoeve van wie de collectieve actie is ingesteld, al dan niet voldoende gewaarborgd zijn.” [147]
ad hocstichtingen de toegang onmogelijk te maken, maar om gedupeerden en wederpartijen houvast te bieden en beter inzicht te geven in het functioneren van belangenbehartigers.
preciseert en versterkt”de ontvankelijkheidseisen van lid 1 nader, aldus de memorie van toelichting. [154] De aangescherpte ontvankelijkheidseisen passen bij de grotere verantwoordelijkheid die belangenbehartigers krijgen onder de WAMCA doordat collectieve schadevergoeding kan worden gevorderd (vgl. ook onder 6.9). [155]
funders.
repeat player. [165] Door Kramer e.a. wordt hier nog een mogelijke preventieve werking aan toegevoegd: de steun van een financier kan een signaal afgeven aan gedaagden over de kans van slagen van een zaak. [166]
kandus de financieringsovereenkomst opvragen. Ook op andere momenten tijdens de parlementaire behandeling is dit herhaald. Zo wordt in de nota naar aanleiding van het nader verslag opgemerkt dat ‘voorstelbaar’ is dat een rechter een eventuele financieringsovereenkomst opvraagt. [176] Ook tijdens de plenaire behandeling is benoemd dat een rechter de overeenkomst kan opvragen. Benoemd is dat de rechter in beginsel zelf mag invullen hoe hij toetst of aan de ontvankelijkheidsvereisten is voldaan, maar de minister merkt op dat hij zich kan voorstellen dat een rechter in de praktijk naar een financieringsovereenkomst vraagt of naar een begrotingssystematiek van rechtmatig opgevoerde kosten. [177]
AbbVie-zaak en de
Bayer-zaak, waarin wordt gerefereerd aan een in de eerder in de rechtspraak aangenomen bandbreedte van 10-25%. [190] Voor wat betreft het tweede deelaspect wordt onder andere gewezen op de
Airbus-zaak, waarin één van de eisers niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat twee leden van de Raad van Toezicht banden hebben met andere belangenorganisaties terwijl een vergelijkbare constructie in de
SBP/Google-zaak minder problematisch werd geacht. [191]
ex nunc-toets) en onderdeel 2 (het representativiteitsvereiste). Aangezien de klachten van die onderdelen falen, falen ook de voortbouwklachten van onderdeel 6.1.
onderdeel 6.2betoogt Oracle dat zij gemotiveerd heeft betwist dat de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij TPC ligt en dat de belangen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd. Aangevoerd zijn de volgende omstandigheden:
ex nuncdient te geschieden (zie hoofdstuk 5). Het hof heeft eveneens terecht overwogen dat als het gaat om gebreken die zich naar hun aard lenen voor herstel in de appelfase, zoals de governance, niet valt in te zien waarom anders geoordeeld zou moeten worden in de WAMCA-zaken dan in civiele dagvaardingszaken in het algemeen. De herstelfunctie van het appel komt daarmee naar behoren tot haar recht (rov. 4.7.4).
ex nuncaan de ontvankelijkheidsvereisten van art. 3:305a lid 2 BW ten aanzien van de governance is voldaan, en daarmee ook of aan het vereiste van sub c is voldaan. Dat het hof niet expliciet overweegt dat aan de vereisten van sub c is voldaan (zie overigens rov. 4.23-4.24), is hierbij niet van belang.
onderdeel 6.2in de laatste alinea de klacht dat het oordeel van het hof dat het overleggen van de financieringsovereenkomst niet nodig is ook ontoereikend gemotiveerd is, omdat alleen door inzage in de financieringsovereenkomst definitief kan komen vast te staan of de zeggenschap over de rechtsvordering in feite in voldoende mate bij TPC ligt. Het onderdeel wijst erop dat TPC zich bereid heeft verklaard de financieringsovereenkomst desgewenst in het geding te brengen terwijl Oracle van haar kant om overlegging van de overeenkomst heeft verzocht. Bij gebreke van nadere motivering, valt zo niet in te zien hoe het hof zonder kennisname van deze overeenkomst tot zijn voornoemde oordeel heeft kunnen komen, zo wordt geklaagd.
“[d]e financieringsovereenkomst [niet] voorziet [...] in een einde van de zaak indien de schadevordering komt te vervallen. Als de procedure verder gaat zonder schadevordering, is dat een wezenlijke wijziging van de zaak. Wij zullen dan samen met de financier moeten kijken wat dat betekent.”
ex nuncdient te geschieden. Voor de beoordeling of TPC beschikt over voldoende middelen om de kosten van de rechtsvordering te dragen dient dus ook gekeken te worden of TPC voldoende financiering heeft voor de procedure in hoger beroep. Op de stelling van Oracle genoemd onder (i), namelijk dat TPC heeft laten weten in eerste aanleg alleen over de financiering voor eerste aanleg te beschikken, heeft het hof dus niet hoeven responderen. Verder staat blijkens de eigen stelling van Oracle genoemd onder (ii) niet ter discussie dat TPC extra financiering heeft aangetrokken voor hoger beroep. Daaruit volgt dus dat TPC voldoende middelen heeft om de kosten van de rechtsvordering in hoger beroep te dragen. Met de stelling, eveneens onder (ii), dat er aanwijzingen zijn dat Luminate de gelden kan terugvorderen als TPC bepaalde voorwaarden schendt, wordt blijkens de vindplaatsen genoemd in voetnoot 44 van het middel gedoeld op de bij mondelinge behandeling ingenomen stelling van Salesforce [194] dat uit de verklaring van de bestuursvoorzitter van TPC blijkt dat Luminate de gelden kan terugvorderen als TPC bepaalde voorwaarden schendt. Op een dergelijke algemene stelling ingenomen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep had het hof in dit geval niet nader hoeven te responderen. Ook de verklaring onder (iii) van TPC tijdens de mondelinge behandeling maakt het oordeel van het hof dat sprake is van voldoende middelen niet onbegrijpelijk. Uit de verklaring volgt dat de procedure wel doorgang kan vinden als de schadevordering komt te vervallen. Er is immers verklaard dat de financieringsovereenkomst niet voorziet in een einde van de zaak als de schadevordering komt te vervallen. Dat TPC dan wel, zoals verklaard, ‘samen met de financier’ zal moeten kijken wat dat betekent omdat het een wezenlijke wijziging is van de zaak, maakt niet dat het oordeel dat TPC over voldoende middelen beschikt, onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd. De procesfinancier is immers een commerciële procespartij. De inschakeling daarvan is, zoals het hof terecht en onbestreden heeft overwogen in rov. 4.9.3, op zichzelf toegestaan en vaak noodzakelijk vanwege de kosten van een procedure als de onderhavige. Tegen deze achtergrond is begrijpelijk dat TPC met haar procesfinancier zal moeten bekijken wat het betekent als de schadevordering komt te vervallen.
onderdeel 3van Salesforce bevat verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8-4.10.
bestuurdersdie betrokken zijn bij de oprichting van de belangenorganisatie, evenals hun opvolgers, geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk mogen hebben (art. 3:305a lid 3 BW). Ook dit heeft het hof getoetst (rov. 4.9.4).
Mechanismen voor deelname en vertegenwoordiging (onderdeel 6.4 Oracle en onderdeel 7 Salesforce)
onderdeel 6.4) als Salesforce (
onderdeel 7) richten klachten tegen dit oordeel. Ter bespreking van de klachten is het volgende van belang.
passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering beschikt”.
mogelijkheidgenoemd dat aangeslotenen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over bepaalde besluiten. Dit is dus niet in alle gevallen noodzakelijk. De opmerking in de geciteerde passage dat kan worden aangenomen dat wanneer een belangenorganisatie is ingericht overeenkomstig de Claimcode, voldaan is aan het vereiste, moet m.i. zo worden begrepen dat de in de Claimcode opgenomen ‘principes’ en de puntsgewijze uitwerking daarvan, als waarborg fungeren dat bij de besluitvorming binnen belangenorganisaties waar geen ledenvergadering is, in voldoende mate rekening wordt gehouden met de belangen van de achterban. Zie in dit verband onder meer principe II: de belangenorganisatie handelt in het collectieve belang van de (rechts-)personen ten behoeve van wie zij krachtens haar statutaire doelstelling optreedt. Ook is te wijzen op principe VII, dat er een raad van toezicht moet zijn die toezicht houdt op het beleid en de strategie van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting. Met andere woorden, de governance-eisen in de Claimcode dragen (op zijn minst) bij aan het oordeel dat voldaan is aan het vereiste voor inspraak en vertegenwoordiging. [196] De Claimcode bevat geen specifieke voorschriften op het punt van inspraak op de besluitvorming van de achterban. [197]
onderdeel 6.4klaagt Oracle dat het hof met zijn oordeel in rov. 4.22.3 dat
“[...] voldoende [is] dat TPC haar achterban via de internetpagina, de nieuwsbrieven en de AMA-sessies op de hoogte houdt van en via de klankbordgroep en de steunbetuigende organisaties voeling houdt met de achterban” miskent dat art. 3:305a lid 2 sub b BW meer vereist dan dat TPC ongericht informatie verspreidt die bestemd is voor beweerde gedupeerden, laat staan dat de beweerde gedupeerden of de organisaties – kort gezegd – slechts passief informatie ontvangen van TPC. Er dient een passend en doeltreffend mechanisme te bestaan voor de actieve deelname aan of vertegenwoordiging van de beweerde gedupeerden bij de besluitvorming van TPC, in de zin dat de beweerde gedupeerden zelf voldoende inspraak op deze besluitvorming moeten hebben, aldus de klacht.
onderdeel 6.4de klacht dat het oordeel van het hof, zoals weergegeven onder 10.4 hierboven, ontoereikend is gemotiveerd voor zover het zo moet worden begrepen dat de gedupeerden daadwerkelijk voldoende inspraak hebben op de besluitvorming van TPC. Uit de eigen stellingen van TPC volgt immers, zo vervolgt de klacht, dat de beweerde gedupeerden slechts betrokken worden bij haar beslissingen op via de ‘kort geleden’ (dat wil zeggen kort voor de mondelinge behandeling in appel van 8 februari 2024) ingestelde klankbordgroep. Deze klankbordgroep bestaat volgens TPC uit ‘zo’n 10 personen uit de achterban’. Oracle heeft voorts gesteld dat TPC aan de zogeheten
Ask me Anything-sessies en rondetafelsessies waarop zij een beroep doet geen ruchtbaarheid heeft gegeven en dat TPC’s nieuwsbrieven alle dateren van na het instellen van het hoger beroep. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk dat TPC op deze wijze een passend en doeltreffend mechanisme heeft om de 10 miljoen beweerde gedupeerden voldoende inspraak op de besluitvorming van TPC te bieden, aldus steeds het onderdeel.
ex nuncgegeven; het gaat erom of TPC op het moment van de beoordeling in hoger beroep voldoet aan de ontvankelijkheidsvereisten. De stellingen van Oracle die erop neerkomen dat bepaalde mechanismen of bijeenkomsten dateren van na het instellen van het hoger beroep, zijn dus niet van belang. Bovendien heeft het hof, in cassatie onbestreden, van groot belang geacht dat via de steunbetuigende organisaties voeling wordt gehouden met de achterban en dat die organisaties zelf ook een achterban hebben die bijvoorbeeld bij de Consumentenbond uit een groot aantal eenvoudig te bereiken leden bestaat. Hieruit volgt dat ook via de steunbetuigende organisaties die 10 miljoen beweerde gedupeerden bereikt kunnen worden. Hiervoor is al besproken dat de rechter in het kader van het representativiteitsvereiste gewicht toe kan kennen aan de steun van dergelijke organisaties (zie onder 6.43). Gelet op deze feiten en omstandigheden hoefde het hof niet nader te responderen op door Oracle genoemde stellingen.
gelikeden overigens ook geen mogelijkheid biedt voor aansluiting bij TPC. Daarnaast is de beantwoording van die vraag in dit verband ook irrelevant. Waar het bij het art. 3:305a lid 2 onder b BW om gaat is of, en in welke mate, de personen in de groep de mogelijkheid hebben om te participeren in en vertegenwoordigd te zijn bij de besluitvorming. Het hof heeft aldus de onjuiste maatstaf aangelegd. Personen laten participeren in, en vertegenwoordigd laten zijn bij, de besluitvorming is iets anders dan die personen ‘op de hoogte houden’ of in algemene zin ‘voeling houden’ als claimorganisatie. Ook is in dit opzicht niet relevant of andere organisaties, die TPC steunen, een (al dan niet eenvoudig te bereiken) achterban hebben.
likesgeen achterban blijkt die de procedure steunt (waarover het hof niets anders heeft beslist) (zie ook onderdeel 2).
likesaangeven dat toch een behoorlijk aantal natuurlijke personen instemmen met deze actie. Ook is volgens het hof relevant dat maatschappelijke organisaties zoals de Consumentenbond de actie steunen. Nu de klachten van onderdeel 2 falen, houdt dit oordeel in cassatie stand. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat de door TPC gekozen mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming voldoen aan het vereiste van art. 3:305a lid 2 sub b BW, niet onbegrijpelijk. Bovendien lijkt ook deze klacht ervan uit te gaan dat het hof geoordeeld heeft dat uitsluitend passieve informatieverstrekking voldoende is. In zoverre berust de klacht op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof geeft immers een oordeel over de specifieke gekozen mechanismen van TPC die meer behelzen dan passieve informatieverstrekking. AMA-sessies, publieksbijeenkomsten en bijeenkomsten van de klankbordgroep bieden immers wel mogelijkheden tot actieve inbrengen van de leden.
11.Summierlijke ondeugdelijkheid (Salesforce onderdeel 4.2 en onderdeel 8)
onderdeel 4.2,onder 55, en
onderdeel 8). Oracle heeft ook klachten gericht tegen het oordeel van het hof over summierlijke ondeugdelijkheid, maar heeft zich daarbij beperkt tot de vorderingen van TPC die gebaseerd zijn op de AVG (
onderdeel 3). Deze klachten zullen worden besproken in hoofdstuk 12 van deze conclusie.
motion to dismiss. Doel van de bepaling is om in uitzonderlijke gevallen een collectieve vordering al voor de inhoudelijke behandeling ervan van tafel te krijgen omdat deze niet deugt. Een voorbeeld zou kunnen zijn het geval dat een collectieve vordering wordt ingesteld voor de burgerlijke rechter terwijl overduidelijk is dat alleen de bestuursrechter over de vordering kan oordelen op basis van de regels voor de scheiding tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter. In al deze gevallen a tot en met c acht ik het met de Juristengroep onwenselijk dat eerst de hele inhoudelijke behandeling van de vordering plaatsvindt, voordat de rechter alsnog tot niet ontvankelijkheid concludeert of de vordering als summierlijk ondeugdelijk afwijst. (…)”
bij uitzondering(‘in uitzonderlijke gevallen’) strandt op het vereiste van art. 1018c lid 5 sub c Rv. Het moet
overduidelijkzijn dat de collectieve actie niet kan slagen.
onderdeel 8in de eerste plaats geklaagd dat het oordeel van het hof ten aanzien van vorderingen die gebaseerd zijn op de AVG, onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is, gelet op de klachten van onderdeel 6 (
onder 70). Oracle doet dat ook in
onderdeel 3van haar cassatieberoep. Verder klaagt Salesforce bij
onderdeel 4.2, onder 53-55, over het oordeel van het hof in rov. 4.27, dat ook de schadevorderingen niet summierlijk ondeugdelijk zijn.
12.Art. 80 AVG Pro (onderdeel 3, 4.2, 4.3 Oracle en onderdeel 6 Salesforce)
onderdeel 3en
onderdelen 4.2 en 4.3) en Salesforce (
onderdeel 6). Zij voeren in de kern aan dat het hof al in de ontvankelijkheidsfase had moeten toetsen aan art. 80 AVG Pro, en dat niet is voldaan aan de vereisten (met name het opdrachtvereiste) die art. 80 AVG Pro stelt.
zondereen opdracht van een betrokkene klachten (art. 77 AVG Pro) of een doeltreffende voorziening in rechte (art. 78-79 AVG) in te stellen. Het recht op schadevergoeding (art. 82 AVG Pro) wordt hier echter niet genoemd.
Metaoverwoog het HvJEU het volgende over de beoordelingsruimte die art. 80 lid 2 AVG Pro aan lidstaten biedt: [210]
Meta-zaak was door de Duitse rechter de vraag gesteld of art. 80 lid 2 AVG Pro aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die een vereniging die consumentenbelangen behartigt toestaat – ook wanneer zij geen opdracht daartoe heeft gekregen en los van de vraag of er sprake is van enige schending van concrete rechten van een betrokkene – in rechte op te treden tegen de vermeende dader van een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens en deze vereniging zich daarbij beroept op het verbod op oneerlijke handelspraktijken, een inbreuk op een consumentenbeschermingswet of het verbod op de toepassing van ongeldige algemene voorwaarden (punt 51). Het HvJEU beantwoordde deze vraag ontkennend. Art. 80 lid 2 AVG Pro staat dus niet in de weg aan een nationale regeling zoals hiervoor vermeld (punt 83).
Meta-arrest had betrekking op vorderingen van een belangenorganisatie op grond van het verbod op oneerlijke handelspraktijken en schending van het consumentenrecht. In het arrest is niet de vraag beantwoord of de in het Nederlandse recht (art. 3:305a BW) opgenomen mogelijkheid tot het instellen van een collectieve schadevergoeding
wegens een AVG-inbreukzonder dat daarvoor een opdracht is gegeven, verenigbaar is met art. 80 lid 2 AVG Pro. [212]
opt-outmogelijkheid die de WAMCA biedt (art. 1018f Rv), zonder dat de belanghebbenden daartoe expliciet een opdracht hebben verstrekt aan de belangenorganisatie. Over deze vraag is veel gedebatteerd in de literatuur. Sommige auteurs beantwoorden de vraag positief [213] en andere auteurs geven een negatief antwoord. [214] Sommige auteurs volstaan met een bespreking van alle argumenten. [215]
Amazon-zaak prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU over de verhouding tussen art. 80 AVG Pro en art. 3:305a BW: [216]
extraontvankelijkheidseisen die de WAMCA stelt aan belangenorganisaties ten opzichte van de eisen die uit de AVG voortvloeien (als het gaat om AVG-schendingen), geoorloofd zijn. Die vragen zijn in de voorliggende cassatieprocedure niet aan de orde. De vragen zijn nog niet beantwoord door het HvJEU.
TikTok-zaak geoordeeld dat art. 80 lid 2 AVG Pro niet in de weg staat aan collectieve schadevergoedingsacties wegens AVG-schendingen. Overwogen werd het volgende: [217]
kan worden bepaald dat zij niet het recht hebben om namens een betrokkene een vergoeding te eisen buiten de machtiging door de betrokkene om”. Met de stelling dat het hierbij gaat om een vertaalfout en dat is bedoeld “kan niet worden bepaald dat zij het recht hebben om (…)”, miskennen TikTok c.s. dat elke taalversie van de AVG authentiek is. Hun stelling vindt ook geen steun in de overige bepalingen van de AVG of in de door hen aangehaalde uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder HvJ EU 28 april 2022, C-139/20, ECLI:EU:C:2022:322 (
Meta). Deze laatste uitspraak verwijst juist naar de beoordelingsmarge die de lidstaten hebben om vorm te geven aan de representatieve vordering binnen hun nationale recht, zonder afbreuk te doen aan de inhoud en de doelstellingen van de AVG.
onderdeel 6betoogt Salesforce (onder 60) dat het hof heeft miskend dat de rechter in de ontvankelijkheidsfase van een WAMCA-procedure moet beoordelen of de claimorganisatie heeft voldaan aan het opdrachtvereiste van art. 80 AVG Pro. Dat volgt ook uit art. 1018c lid 5 sub c Rv (geen summierlijke ondeugdelijkheid). Althans het hof heeft zijn oordeel dat geen sprake is van summierlijke ondeugdelijkheid omdat niet is voldaan aan het opdrachtvereiste ontoereikend gemotiveerd in het licht van de stelling van Salesforce dat niet voldaan is aan het opdrachtvereiste (zie ook onderdeel 8 van Salesforce en onderdeel 3 van Oracle).
ad hoc-stichting is die slechts is opgericht met als doel het voeren van de onderhavige procedure. Het oordeel van het hof in rov. 4.11 van het eerste tussenarrest dat uit de activiteiten die TPC sinds haar oprichting heeft ontplooid in voldoende mate volgt dat zij het belang waar het in deze procedure om draait, ook feitelijk behartigt, maakt dit niet anders. Dit oordeel ziet immers niet (kenbaar) op het actief zijn-vereiste van art. 80 lid 1 AVG Pro en kan overigens niet in stand blijven om de redenen genoemd in onderdeel 5 van het principale cassatieberoep van Salesforce.
Amazon-zaak (onder 40).
onderdeel 3en
subonderdelen 4.2 en 4.3) komen grotendeels op hetzelfde neer als de klachten van Salesforce. Over het geen-winstoogmerkvereiste van art. 80 AVG Pro heeft Oracle geen klachten geformuleerd.
Amazon-zaak (repliek onder 42).
opdracht te geven …. in te dienen’) niet dat
dussprake is van vereisten die in de ontvankelijkheidsfase moeten worden getoetst. Aan de bedoelde vereisten kan immers evengoed worden getoetst in de inhoudelijke fase. Dat in het
Meta-arrest (zie onder 12.10) in het kader van art. 80 AVG Pro is gesproken over ‘procesbevoegdheid’ (punt 72), maakt dit niet anders.
TikTok-uitspraak in rov 2.27.1) volgt niet dat indien in het nationale recht voor collectieve acties een onderscheid is gemaakt tussen een ontvankelijkheidsfase en een inhoudelijke fase, reeds in de ontvankelijkheidsfase moet worden getoetst of er strijd bestaat met het opdrachtvereiste van art. 80 lid 2 AVG Pro.
Meta-arrest, dat de lidstaten hierbij een beoordelingsmarge hebben, maar dat die beoordelingsmarge gebruikt moet worden onder de voorwaarden en binnen de grenzen die in de bepalingen van de AVG zijn gesteld. Aldus moeten de lidstaten een wettelijke regeling vaststellen die geen afbreuk doet aan de inhoud en de doelstellingen van die verordening (zie onder 12.10).
noodzakelijkis dat reeds in de ontvankelijkheidsfase van een WAMCA-procedure aan het opdrachtvereiste moet worden getoetst, [225] dan is dat m.i. onjuist.
Amazon-zaak betrekken. Ook het stellen van prejudiciële vragen door de Hoge Raad over de invulling van het opdrachtvereiste is daarom m.i. niet aan de orde.
Amazon-zaak, zoals Salesforce en Oracle meer subsidiair hebben verzocht.
actiefis en dat zij
geen winstoogmerkmag hebben, geldt het volgende.
ad hocorganisaties expliciet mogelijk maakt, zodat het minder voor de hand ligt om aan te nemen dat het actief-vereiste zo moet worden uitgelegd, [229] dat het feitelijk een belemmering vormt voor het instellen van een collectieve vordering door
ad hoc-belangenorganisaties (zie onder 8.18).
Amazon-zaak gestelde prejudiciële vragen van de rechtbank Rotterdam is vraag 3 gericht op de uitleg van het actief-vereiste uit de AVG (zie onder 12.16). De antwoorden die het HvJEU zal geven op de vragen kunnen dan worden meegenomen bij de beoordeling of voldaan is aan het actief-vereiste.
bestuurdersbetrokken bij de oprichting van de rechtspersoon, en hun opvolgers, geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk hebben, dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd (art. 3:305a lid 3 sub a BW). Het hof heeft geoordeeld dat hieraan is voldaan (rov. 4.9.2, zie daarover onder 9.81). Niet valt in te zien dat als geen sprake is van een niet-toegestaan winstoogmerk bij de bestuurders van de belangenorganisatie, toch de mogelijkheid bestaat dat de belangenorganisatie wel een winstoogmerk heeft en er strijd met art. 80 AVG Pro zou ontstaan, zeker wanneer daarbij de overige ontvankelijkheidseisen op het gebied van governance en transparantie worden betrokken. [231] Dat de procesfinancier een winstoogmerk heeft (zie over procesfinanciers onder 9.22 e.v.), staat hier los van. Als gezegd zijn er geen Europese regels over procesfinanciering en gaan die er voorlopig ook niet komen (zie onder 9.30).
13.Het terugwijsverbod en WAMCA-procedures (onderdeel 4 TPC)
onderdeel 4 incidentele cassatieberoep). Volgens TPC getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting; het hof had de zaak aan zich moeten houden en moeten overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen. Oracle en Salesforce vinden dat wél moet worden teruggewezen naar de rechtbank.
De Open Ankh [237] heeft de Hoge Raad een uitzondering aangenomen op het verbod van terugwijzing in het geval waarin de appelrechter een uitspraak van de rechter in eerste aanleg vernietigt waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen, (i) hetzij wegens ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, (ii) hetzij op grond van het bepaalde in art. 1022 Rv Pro (het bestaan van een arbitrageovereenkomst), (iii) hetzij uit hoofde van het onderwerp van het geschil. In deze uitzonderingsgevallen dient de appelrechter de zaak wél terug te wijzen naar de rechter in eerste aanleg, tenzij beide partijen afdoening door de appelrechter wensen, zo voegde de Hoge Raad in het kort nadien gewezen arrest
[…] / […]toe. [238] Weliswaar onderkent de Hoge Raad dat toepassing van het verbod van terugwijzing meebrengt dat in een aantal gevallen een substantieel gedeelte van het geschil tussen partijen slechts in één feitelijke instantie zal worden berecht, “
doch nu die gevallen zich niet met behulp van een duidelijk en in de praktijk eenvoudig te hanteren criterium laten onderscheiden, dient voormelde regel steeds toepassing te vinden”, zo is in het arrest
De Open Ankhoverwogen.
[…] / […] [239] bepaalt sinds 2002 art. 76 Rv Pro dat indien de appelrechter een vonnis of beschikking van de lagere rechter, waarbij deze zich onbevoegd had verklaard wegens het ontbreken van rechtsmacht of in verband met een overeenkomst tot arbitrage, vernietigt, de rechter de zaak naar deze lagere rechter verwijst, tenzij partijen verklaren te verlangen dat de appelrechter de zaak aan zich houdt. Art. 76 Rv Pro bevat dus een tweetal uitzonderingen op de hoofdregel van het verbod van terugwijzing en voegt daaraan toe dat partijen zelf om afdoening door de appelrechter kunnen vragen.
rationesvan het terugwijzingsverbod spelen geen rol in deze gevallen, waarin de eerste rechter zich in het geheel nog niet heeft uitgesproken over het materiële geschil, aldus Vranken. De Hoge Raad is hier echter niet in meegegaan. Ook het voorstel van A-G Wesseling-van Gent om het verbod te doorbreken als sprake is van schending van een zo fundamenteel beginsel dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet meer kan worden gesproken (bijvoorbeeld schending van het beginsel van hoor en wederhoor), heeft de Hoge Raad niet gevolgd. [241]
AB&P c.s./AXAuit 2009 een nadere uitzondering op het terugwijzingsverbod aangenomen, namelijk voor het geval “
in eerste aanleg ten onrechte ontslag van instantie is verleend en waarin dus de rechter op louter processuele gronden eveneens niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen”. [242] Deze uitzondering beperkt zich dus tot een zeer specifieke situatie: de eerste rechter heeft ten onrechte ontslag van instantie verleend.
AB&P c.s./AXAzo moest worden uitgelegd, dat het verbod van terugwijzing níet geldt in alle gevallen waarin de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak is toegekomen. [243] Daarmee zou de Hoge Raad de reikwijdte het verbod van terugwijzing hebben willen relativeren.
AB&P c.s./AXA. De Hoge Raad oordeelde echter in beide zaken dat het hof de zaak aan zich diende te houden. De overwegingen uit het arrest
AB&P c.s./AXAworden herhaald, waarna overwogen wordt dat zich geen van de daar genoemde uitzonderingen voordoet. [246]
twee-instanties-beginsel” en is bij het omschrijven van een categorie van uitzonderingsgevallen de kans groot dat de vaagheid van de criteria tot interpretatieproblemen leidt. Om die reden moeten de uitzonderingen beperkt worden gehouden. Hij onderschrijft dan ook de opmerking van A-G Ten Kate, [253] dat het ook een belang op zichzelf is procedures niet te bezwaren met geschillen over de vraag of de appelrechter die een einduitspraak vernietigt, de zaak al dan niet moet (of kan) terugwijzen. [254]
Trafiguraheeft de Hoge Raad voor collectieve acties onder het oude recht (art. 3:305a BW (oud)) géén uitzondering op het terugwijsverbod willen aannemen. [256] In lijn hiermee heeft A-G Ibili in een van zijn recent genomen conclusies in de
Libor-zaken zich op het standpunt gesteld dat het hof in een collectieve actie onder het oude recht de zaak ten onrechte heeft teruggewezen naar de rechtbank. [257]
dat het aan het gerechtshof en de Hoge Raad is overgelaten om over de wijze van toepassing van de WAMCA in hoger beroep en cassatie te oordelen.” [259]
weigeringtot goedkeuring van een vaststellingsovereenkomst cassatieberoep worden ingesteld (art. 1018h lid 6 Rv).
op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen’. Het voorliggende geval kan dan ook niet zonder meer op één lijn worden gesteld met de situaties waarin de Hoge Raad eerder een uitzondering heeft aanvaard voor het geval de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen of ten onrechte ontslag van de instantie heeft verleend.
de wetis geregeld dat de rechter eerst moet beslissen over de ontvankelijkheid van de belangenorganisatie en pas daarna toekomt aan de inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering. Maar in álle procedures waarin een partij niet-ontvankelijk is verklaard en daarover in hoger beroep anders wordt geoordeeld, geldt dat het ontvankelijkheidsoordeel vooraf gaat aan de inhoudelijke beoordeling en de rechtbank die een partij niet-ontvankelijk verklaart aan die inhoudelijke beoordeling dus niet is toegekomen. In dit opzicht is er geen principieel verschil tussen de situatie dat de rechtbank in een WAMCA-procedure oordeelt dat een vordering niet-ontvankelijk is, en een ‘gewone situatie’ waarin de rechtbank van oordeel is dat een partij niet-ontvankelijk is (en het terugwijsverbod geldt). Het enige verschil is dat in een ‘gewone situatie’ partijen ook in eerste aanleg al inhoudelijk verweer zullen hebben zullen gevoerd, omdat de slotbepaling van art. 1018c lid 5 Rv niet geldt (zie onder 4.7).
Trafigura-zaak, onder 13.18). Ook onder oud recht kon sprake zijn van een situatie waarin twee belangenorganisaties procedeerden waarvan één niet-ontvankelijk werd verklaard (zij het dat een rechterlijke uitspraak in een collectieve actie toen nog geen bindende werking had voor alle belanghebbenden, zoals onder de WAMCA wel het geval is, zie onder 4.8).
of terugwijzing naar de rechtbank mogelijk en wenselijk is”. [271] Gewezen wordt op de uitspraak van het hof in de voorliggende procedure. [272] Het Evaluatierapport bevat geen aanbevelingen op dit punt, anders dan dat “
duidelijkheid is gewenst over de uitgangspunten voor hoger beroep en cassatie.” [273]
onderdeel 4.2). Vervolgens wordt daar in
onderdeel 4.3aan toegevoegd dat het hof er aan voorbij ziet dat het terugwijsverbod in geval van een onterechte niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg, mede in het licht van de daardoor beoogde efficiëntie en doelmatigheid – ook geldt voor de WAMCA-procedure. De aard en inrichting van de WAMCA-procedure maken dat niet anders; alle stappen van de WAMCA-procedure kunnen ook in hoger beroep worden doorlopen. In ieder geval, zo vervolgt het onderdeel, geldt het terugwijsverbod onverkort als de WAMCA-vordering slechts door een art. 3:305a BW-rechtspersoon is ingesteld, zoals in de onderhavige geval aan de orde is. In
onderdeel 4.4. wordt tot slot nog opgemerkt dat in het terugwijsverbod in zijn algemeenheid reeds is verdisconteerd dat partijen mede met het oog op de door het hof genoemde belangen, bij een onterechte niet-ontvankelijkverklaring niet twee volledige feitelijke instanties kunnen doorlopen, maar de procedure bij het hof voortzetten.