ECLI:NL:RBNHO:2026:8053

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
HAA 23/7477
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 3:9 AwbArt. 14 Verordening nadeelcompensatie 2016Art. 9 Verordening nadeelcompensatie 2016
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek nadeelcompensatie omzetderving herinrichting winkelstraat Alkmaar

Eiseres, exploitant van een schoenenwinkel aan de Laat in Alkmaar, verzocht om nadeelcompensatie wegens omzetderving door de herinrichting van de winkelstraat. Het college wees dit verzoek af op basis van een deskundigenadvies dat de schade niet boven het normaal maatschappelijk risico uitsteeg. Eiseres maakte bezwaar en stelde onder meer dat het college de hoorplicht had geschonden, de concernbenadering onterecht toepaste, een verkeerd referentiejaar koos, een te hoog forfaitpercentage hanteerde en de hardheidsclausule niet toepaste.

De rechtbank oordeelde dat het college de hoorplicht niet had geschonden, omdat eiseres voldoende gelegenheid had gekregen voor een mondelinge toelichting en niet had gereageerd op uitnodigingen. De concernbenadering werd als passend beoordeeld, evenals het gebruik van 2022 als referentiejaar in plaats van 2019. De gehanteerde methodiek voor het forfaitpercentage was redelijk en aanvaardbaar, en de hardheidsclausule was niet van toepassing omdat geen onmiskenbaar onredelijke situatie was aangetoond.

Verder concludeerde de rechtbank dat het college zich voldoende had vergewist van de juistheid van het deskundigenadvies en dat er geen sprake was van een schending van het vertrouwensbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie in stand bleef.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om nadeelcompensatie wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/7477

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen

Meijerink Shops B.V., uit Hoorn, eiseres

(gemachtigde: mr. M.M.M. Buiter),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar

(gemachtigden: mr. M. Blom en mr. I.A.C. Blankendaal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college waarbij het verzoek van eiseres om nadeelcompensatie is afgewezen. Het verzoek zag op nadeelcompensatie in verband met omzetderving vanwege de herinrichting van de Laat in Alkmaar. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om nadeelcompensatie mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 27 oktober 2022 een verzoek om nadeelcompensatie ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 6 maart 2023 afgewezen. Eiseres heeft het college verzocht om dit besluit te herzien. Met het besluit van 21 juli 2023 heeft het college dit verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij het besluit van 21 juli 2023 gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: directeur van eiseres [naam 1] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college, bijgestaan door [naam 2] van Lengkeek B.V.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er gebeurd?
3. De Laat is een (winkel)straat in het historisch centrum van Alkmaar. Vanwege de lage kwaliteit van de openbare ruimte en de gevoeligheid voor hittestress en overstroming heeft de gemeente Alkmaar besloten tot herinrichting van de Laat. Het eerste deel van deze herinrichting betrof de Laat-west, het deel tussen de Koorstraat en de Ridderstraat, en de Ridderstraat zelf. In maart 2022 is met de herinrichting gestart. Volgens de planning zou het project in de Laat-west en de Ridderstraat in november/december 2022 zijn afgerond. De laatste werkzaamheden van dit project zijn in mei/juni 2023 afgerond.
3.1.
Eiseres exploiteerde in 2022 en 2023 twee schoenenwinkels: een in Purmerend en een in Alkmaar, aan de Laat 227. Op 27 oktober 2022 heeft eiseres een verzoek tot nadeelcompensatie ingediend. Ter motivering van haar aanvraag schrijft eiseres: “Behoorlijke omzetderving t.o.v. vorig jaar en zeker t.o.v. referentiejaar 2019. Door de werkzaamheden lopen wij veel klanten mis. Daarnaast moeten wij vaak de deuren dicht houden vanwege overlast/herrie/stof van de werkzaamheden.” Over de aard en de omvang van het nadeel schrijft eiseres: “Schade t.o.v. 2019 72.429 ex BTW. Dit is 25% omzetderving over april t/m heden. De bijbehorende brutowinstmarge is 48% (34.766). Zie de bijlage voor specificatie.”
3.2.
Per mail van 24 januari 2023 heeft het college aan eiseres bericht dat het Lengkeek B.V. als deskundige heeft ingeschakeld. Op 15 februari 2023 heeft de deskundige het college bericht dat eiseres op basis van zijn beoordeling niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie. Met het besluit van 6 maart 2023 heeft het college onder verwijzing naar dit advies het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen.
3.3.
Eiseres heeft op dit advies gereageerd en daarbij het college verzocht om de afwijzing te herzien. Naar aanleiding daarvan heeft de deskundige op 3 juli 2023 een nieuw advies uitgebracht, uitgaande van twee vestigingen in plaats van de vier vestigingen die eiseres in 2019 exploiteerde. De deskundige handhaaft ook met deze nieuwe gegevens zijn conclusie dat eiseres niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie. Met het besluit van 21 juli 2023 heeft het college eiseres bericht het advies van de deskundige over te nemen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit van 24 oktober 2023 is overwogen dat het verzoek van eiseres is beoordeeld door een deskundige. Het college heeft geoordeeld dat beide adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat de motivering voldoende is om de conclusie te kunnen dragen. Het college is van mening dat de deskundige een juiste berekening heeft uitgevoerd. Het college wijst verder op een tweetal mails aan eiseres waarin zij wordt uitgenodigd voor een mondelinge toelichting op haar bezwaar. Omdat eiseres niet heeft gereageerd, is afgezien van een hoorzitting en is het bestreden besluit genomen op basis van de stukken in het dossier.
Ontwikkelingen in de beroepsfase
5. De deskundige heeft op 2 juli 2024 op verzoek van het college een nadere toelichting gegeven op de eerder door hem uitgebrachte adviezen. Op 19 september 2024 heeft eiseres haar standpunten in een gesprek met het college nader toegelicht.
5.1.
Op 10 januari 2025 heeft haar accountant de door eiseres geleden schade opnieuw begroot, thans op een bedrag van € 132.000,-. In reactie op deze aangepaste schadeclaim heeft de deskundige op 3 november 2025 op verzoek van het college een nieuw advies uitgebracht. De conclusie is opnieuw dat eiseres niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie.
5.2.
Op 1 april 2026 heeft eiseres een nieuw rapport van haar accountant ingediend. Op basis van de berekening zoals die in de gemeente Amsterdam wordt uitgevoerd, wordt daarin gesteld dat aan haar een bedrag van € 35.571,- aan nadeelcompensatie moet worden toegekend.
Had het college een onafhankelijke adviescommissie moeten inschakelen?
6. Eiseres stelt dat het college bij de beoordeling van haar verzoek een onafhankelijke adviescommissie had moeten inschakelen omdat de Verordening Nadeelcompensatie Alkmaar 2025 (hierna: de Verordening nadeelcompensatie 2025) van kracht was toen het college, in beroep, opnieuw naar de zaak heeft gekeken.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank moet het in beroep bestreden besluit beoordelen naar het recht dat van toepassing was toen dat besluit werd genomen. In dit geval is het beroep gericht tegen het bestreden besluit van 24 oktober 2023. Toen gold de Verordening Nadeelcompensatie infrastructurele werken en verkeersbesluiten gemeente Alkmaar uit 2016 (hierna: de Verordening nadeelcompensatie 2016). De Verordening nadeelcompensatie 2025 is pas op 2 april 2025 in werking getreden en heeft daarom geen betekenis voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Overigens blijkt uit artikel 1, aanhef en onder b, van die verordening dat met de term ‘adviescommissie’ een of meer onafhankelijke deskundigen worden bedoeld. Lengkeek B.V. is dus als adviescommissie te beschouwen.
Heeft het college de hoorplicht geschonden?
7. Eiseres stelt dat de deskundige haar ten onrechte niet heeft uitgenodigd om een mondelinge toelichting te geven op haar verzoek. Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 10, eerste lid, van de Verordening nadeelcompensatie 2016 is bepaald dat de adviseur de aanvrager en het college in de gelegenheid stelt een mondelinge toelichting te geven. In de tweede volzin van het eerste lid is bepaald dat de adviseur de uitnodiging voor het geven van een mondelinge toelichting ten minste twee weken voor de datum waarop de toelichting wordt verlangd, verzendt. In reactie op het beroep heeft de deskundige toegelicht dat hij op 24 januari 2023 heeft gebeld naar eiseres en toen een voicemailbericht heeft achtergelaten omdat eiseres niet opnam. Eiseres heeft hierop niet gereageerd, maar op 27 maart 2023 heeft de deskundige wederom telefonisch contact opgenomen met eiseres, waarbij hij eiseres alsnog heeft gesproken, aldus de toelichting van de deskundige. Uit deze toelichting, die door eiseres niet is weersproken, volgt dat aan de hoorplicht van de deskundige is voldaan.
7.1.
De rechtbank is verder, anders dan eiseres betoogt, van oordeel dat het college artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet heeft geschonden. Op grond van deze bepaling stelt een bestuursorgaan, voordat het op een bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. In bezwaar heeft het college eiseres twee keer per e-mail uitgenodigd voor een hoorzitting. Zij heeft daar niet op gereageerd. Bij de uitnodigingen heeft het college haar geïnformeerd over het gevolg als zij niet binnen de gestelde termijn reageert, namelijk dat de beslissing op bezwaar zonder hoorzitting zal volgen. Hier kon het college in redelijkheid gevolg aan geven. De stelling van eiseres dat zij niet heeft gereageerd op de uitnodigingen omdat die volgens haar blijk gaven van vooringenomenheid, volgt de rechtbank niet. In de twee uitnodigingsmails is een vraag aan eiseres gesteld die op de te houden hoorzitting aan bod zou komen. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank geen blijk gegeven van vooringenomenheid, maar eiseres veeleer de mogelijkheid geboden zich op de voorliggende vraag voor te bereiden. De verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2023 [1] gaat niet op. In die uitspraak gaat het niet om de situatie als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb. Bovendien is aan eiseres, anders dan in de aangehaalde uitspraak, meegedeeld dat de mogelijkheid bestaat dat de beslissing op bezwaar wordt genomen zonder te horen.
Heeft het college mogen oordelen dat eiseres niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie?
8. Eiseres stelt dat zij in aanmerking dient te komen voor nadeelcompensatie omdat zij onevenredig hard is getroffen door de geplande en uitgelopen werkzaamheden. Eiseres is het niet eens met het standpunt van het college dat haar schade niet boven het normaal maatschappelijk risico is uitgestegen. Volgens eiseres heeft het college ten onrechte de concernbenadering toegepast, een verkeerd referentiejaar gekozen, een te hoog forfaitpercentage gehanteerd en ten onrechte geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, mogen oordelen dat eiseres niet in aanmerking komt voor nadeelcompensatie.
Concernbenadering
8.2.
Het college heeft bij de beoordeling van het verzoek om nadeelcompensatie toepassing gegeven aan vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] waarin het geleden nadeel bij een losse vestiging als gevolg van werkzaamheden wordt gerelateerd aan de omzetten van de juridische entiteit die de vestiging exploiteert (ook wel: de ‘concernbenadering’). De rechtbank acht de toepassing van de concernbenadering ten aanzien van eiseres niet onevenredig. De rechtbank stelt hierbij voorop dat eiseres in de betrokken periode weliswaar een B.V. was met slechts twee vestigingen, maar dat dit niet wegneemt dat een schaalvergroting, hoe bescheiden ook, naar haar aard bepaalde (financiële) voordelen heeft. Eiseres heeft met de door haar gekozen bedrijfsstructuur mogelijkheden om het ondernemersrisico te spreiden.
8.3.
Voor eiseres brengt de concernbenadering mee dat de omzet van de vestiging in Purmerend, waar geen wegwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, is gebruikt om de omzet van de vestiging in Alkmaar te kunnen bepalen indien geen werkzaamheden zouden hebben plaatsgevonden. Eiseres stelt dat het college die vergelijking niet heeft kunnen maken omdat ook in Purmerend werkzaamheden hebben plaatsgevonden. De rechtbank volgt deze stelling niet. Deze werkzaamheden vonden namelijk niet plaats in de openbare ruimte maar aan een nabijgelegen pand. Eiseres heeft op de zitting bovendien verklaard dat deze werkzaamheden geen effect hadden op de bereikbaarheid van deze vestiging voor het winkelend publiek.
Referentiejaar
8.4.
De rechtbank volgt evenmin de stelling van eiseres dat de deskundige het jaar 2019 als referentiejaar had moeten hanteren. Binnen het stelsel van nadeelcompensatie wordt de omvang van de gestelde schade doorgaans berekend door de in de schadeperiode gerealiseerde omzetten en daaraan gerelateerde brutowinsten te vergelijken met een referentieperiode. Uitgangspunt daarbij is dat deze periode in voldoende mate representatief dient te zijn voor de ontwikkeling van de omzetten en/of brutowinsten in de schadeperiode, de schadeveroorzakende ontwikkeling weggedacht. [3] De deskundige heeft enerzijds vastgesteld dat de Coronajaren 2020 en 2021 niet representatief zijn en anderzijds vastgesteld dat de gerealiseerde omzet van de vestiging in Purmerend in 2022 ten opzichte van 2019 aanzienlijk is gedaald. In zijn rapport van 3 november 2025 heeft de deskundige bovendien vastgesteld dat deze daling overeenkomt met de landelijke branchecijfers van het CBS. Volgens de deskundige is het daarom aannemelijk dat de vestiging in Alkmaar in 2022 ook zonder de werkzaamheden een lagere omzet had gehad. [4] De deskundige is daarom van oordeel dat het jaar 2022 het juiste referentiejaar vormt. De rechtbank acht dit standpunt niet onbegrijpelijk.
Forfaitpercentage
8.5.
De Verordening nadeelcompensatie 2016 bevat geen methode om het normaal maatschappelijk risico vast te stellen. Het college heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de rekenmethodiek van de ‘Handleiding nadeelcompensatie bij infrastructurele maatregelen’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit 2018. De Handleiding schrijft een methode voor om bij normale maatregelen het normaal maatschappelijk risico vast te stellen. Het normaal maatschappelijk risico is daarbij gelijk aan het forfait, volgens de formule forfait = (normjaaromzet x normbrutowinstpercentage) x (n %). Het getal ‘n’ is het forfaitpercentage. Bij de invulling van het forfaitpercentage speelt de kostenstructuur van een onderneming een belangrijke rol omdat niet elk bedrijf hetzelfde is en schade daarom niet op dezelfde manier wordt opgevangen. [5] De methodiek van de Handleiding gaat daarom uit van drie groepen brutowinstmarges met daaraan gekoppelde forfaitpercentages. Hoe hoger de brutowinstmarge is van een onderneming, hoe lager het bijbehorend forfaitpercentage is, en omgekeerd. Het is aan het bevoegde bestuursorgaan om de hoogte van het forfaitpercentage te bepalen, gegeven de brutowinstgroep waarin het bedrijf zich bevindt.
8.6.
Voor eiseres betekent dit dat de door haar gestelde brutowinstmarge van 48%, die later door de deskundige is gecorrigeerd naar 45,3%, een forfaitpercentage oplevert van 11-13% (brutowinstmargegroep 36-64%). Eiseres vindt dit percentage te hoog. Zij vindt dat het college net als bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam een forfaitpercentage van 8% had moeten toepassen. Volgens eiseres heeft het college niet voldaan aan de op het college rustende verzwaarde motiveringsplicht bij het toepassen van een hoger forfaitpercentage. Eiseres meent ten slotte dat het door het college gekozen forfaitpercentage geen rekening houdt met de duur van de werkzaamheden, de aard van de schade en de wijze van uitvoering.
8.7.
De rechtbank stelt voorop dat bij het begroten van schades altijd keuzes moeten worden gemaakt. Het gaat erom dat die keuzes redelijk en aanvaardbaar zijn. [6] Gelet op hetgeen hiervoor onder 8.5 is overwogen, acht de rechtbank de in de Handleiding geschetste methodiek in zijn algemeenheid redelijk en aanvaardbaar. Dat een berekening met de ‘Amsterdamse’ methode voor eiseres een betere uitkomst heeft, wat daar ook van zij, betekent niet dat de door het college gevolgde methode alleen daarom al ondeugdelijk is.
8.8.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het college zijn keuze voor de omvang van het normaal maatschappelijk risico niet naar behoren heeft onderbouwd. De Handleiding geeft een uitgebreide motivering voor de daarin neergelegde berekeningsmethodiek. In zijn adviezen heeft de deskundige het in de Handleiding neergelegde kader geschetst en vervolgens stapsgewijs inzichtelijk gemaakt wat dit concreet voor eiseres betekent. Door te verwijzen naar deze adviezen heeft het college aan zijn motiveringsplicht voldaan. In dit verband acht de rechtbank verder van belang dat het college geen hoger forfaitpercentage heeft toegepast dan op grond van de brutowinstmarge van eiseres was aangewezen. Daar komt bij dat de deskundige binnen de toepasselijke brutowinstmargegroep een berekening heeft gemaakt met zowel het hoogste (13%) als het laagste (11%) forfaitpercentage. In beide gevallen is de conclusie van de deskundige dat de door eiseres gestelde schade niet boven het normaal maatschappelijk risico uitkomt.
8.9.
Anders dan eiseres verder stelt, houdt de methodiek uit de Handleiding rekening met de aspecten ‘wijze van uitvoering’ en ‘aard van de schade’. Deze aspecten zijn verdisconteerd in de omvang van de schade gedurende de gehele schadeperiode. Naarmate de wijze van uitvoering van een infrastructurele maatregel ingrijpender dan wel nadeliger is voor een ondernemer, zal dit namelijk tot uitdrukking komen in de omvang van de schade, aldus de Handleiding. Dit brengt mee dat het samenvallen van de werkzaamheden met de volgens eiseres lucratieve periodes tijdens kerst, de winteruitverkoop en de voorjaarspresentatie ook in de omvang van de schade is verdisconteerd.
8.10.
De Handleiding houdt voorts rekening met de duur van de werkzaamheden. Als deze langer duren dan een jaar, is er volgens de Handleiding aanleiding om in het tweede jaar en verder een lager percentage toe te passen. Dat is hier echter niet aan de orde. Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden in maart 2022 zijn gestart en dat er in het projectgebied ter hoogte van de winkel van eiseres in ieder geval tot begin maart 2023 nog werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Eiseres stelt dat de werkzaamheden ter plaatse van haar winkel nog tot in mei/juni 2023 hebben voortgeduurd, maar zij heeft dit niet onderbouwd. Het daartoe door haar op de zitting overgelegde krantenartikel dateert niet, zoals eiseres heeft gesteld, van maart 2023 maar van 22 september 2022, zoals op zitting is vastgesteld. De deskundige heeft op zitting toegelicht dat hij op basis van data van Cyclomedia heeft geconstateerd dat de straat in de ruime omgeving van de winkel van eiseres begin maart 2023 weer vrij was. Volgens hem vonden de toen nog resterende werkzaamheden plaats op een te grote afstand van de winkel van eiseres om nog een causaal verband aan te nemen tussen die werkzaamheden en de geclaimde omzetdaling. Datzelfde geldt voor de afsluiting van de Ridderstraat, nu het winkelend publiek ook via andere dwarsstraten van de Langestraat naar de Laat kon komen, en omgekeerd. De rechtbank kan dit standpunt van de deskundige volgen. Dit betekent dat het college ervan uit heeft mogen gaan dat de voor eiseres relevante werkzaamheden niet langer dan een jaar hebben geduurd.
Hardheidsclausule
8.11.
Eiseres stelt dat het college ten onrechte niet de hardheidsclausule heeft toegepast. Zij heeft in dit verband aanvullend aangevoerd dat de werkzaamheden enorm zijn uitgelopen, de deuren vaak gesloten moesten blijven vanwege stof- en geluidoverlast en de straat er niet uitzag, waardoor het voor het winkelend publiek niet aantrekkelijk was om daar te verblijven.
8.12.
De rechtbank volgt eiseres niet. Op grond van artikel 14 van Pro de Verordening nadeelcompensatie 2016 kan het college in bijzondere gevallen van de regeling afwijken indien een strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt dat eiseres het nodige ongemak heeft ondervonden gedurende de werkzaamheden, dat die werkzaamheden van invloed zijn geweest op de aantrekkingskracht van de winkelstraat in die periode en daardoor tot een verminderde omzet hebben geleid. Mede gelet op hetgeen is overwogen in randnummer 8.9 en 8.10 is de rechtbank echter niet gebleken van een zodanig bijzonder geval dat toepassing van de regeling van de Verordening nadeelcompensatie 2016 onmiskenbaar onredelijk is.
Heeft het college gehandeld in strijd met de vergewisplicht?
9. Eiseres stelt dat het advies van de deskundige niet zorgvuldig is en dat het college zich er niet van heeft vergewist dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 3:9 van Pro de Awb is bepaald dat indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat wanneer uit een advies van een door een bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een aanvraag om nadeelcompensatie van dat advies mag uitgaan. Dit is alleen anders als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht. [7] Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 8-8.10 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat van zulke aanknopingspunten geen sprake is. Het college heeft bij het nemen van het bestreden besluit daarom van het advies van de deskundige mogen uitgaan.
9.2.
Het feit dat de deskundige niet heeft geadviseerd over de hardheidsclausule maakt dit, anders dan eiseres aanvoert, niet anders. Volgens artikel 9, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verordening nadeelcompensatie 2016 brengt de adviseur, wanneer het verzoek daartoe aanleiding geeft, tevens advies uit over de toepassing van de hardheidsclausule. Het verzoek van eiseres en hetgeen zij in dat verband naar voren heeft gebracht, hebben de deskundige daartoe kennelijk geen aanleiding gegeven. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 8.11 en 8.12 ziet de rechtbank geen reden om het advies daarom ondeugdelijk te achten.
Heeft het college gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel?
10. Volgens vaste jurisprudentie moeten voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen worden doorlopen. Allereerst moet de betrokkene aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent namelijk niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen kunnen daaraan in de weg staan. Die belangen kunnen zijn gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang en belangen van derden. [8]
10.1.
Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Met het college is de rechtbank van oordeel dat van een toezegging geen sprake is en dat eiseres daarom niet voorbij de eerste stap komt. Dat voorafgaand aan de werkzaamheden de ondernemers is meegedeeld dat zij zouden worden gecompenseerd door middel van nadeelcompensatie betekent namelijk nog niet dat er per definitie vergoedingen worden uitgekeerd. Per verzoek dient daartoe een afzonderlijke beoordeling plaats te vinden, waarbij op voorhand niet vaststaat hoe deze uitvalt. Eiseres stelt verder dat de verantwoordelijke wethouder bij de feestelijke heropening van de Laat heeft gezegd dat ondernemers ruimhartig worden gecompenseerd. Het college betwist dit. Op de zitting heeft het college aangevoerd dat met de toespraak niet meer is bedoeld dan dat aanvragen om nadeelcompensatie zullen worden beoordeeld met toepassing van de Verordening nadeelcompensatie 2016. Dit standpunt komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Eiseres heeft haar stelling bovendien niet met bewijs kunnen onderbouwen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie in stand blijft.
11.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.W. Neleman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:811.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1739.
4.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2677.
5.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5105.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3819.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1217.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.