ECLI:NL:RBNHO:2026:8262

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
K/4102/11894098
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering werknemer deels toegewezen wegens klachtplicht en looncorrecties

De werknemer trad in september 2022 in dienst bij de werkgever als administratief medewerker en zegde haar arbeidsovereenkomst op per februari 2025 met een laatste werkdag in maart 2025. Zij vorderde betaling van achterstallig loon, overuren, correcties op ingehouden loon tijdens ziekte, salaris over september 2024, en vakantiegeld.

De werkgever erkende een klein bedrag aan betaling, maar betwistte de overige vorderingen. De kantonrechter oordeelde dat de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro van toepassing is, waardoor de werknemer haar rechten op betaling van overuren en achterstallig loon voor die uren had verloren door te late klacht. De vordering voor overuren werd daarom afgewezen.

Wel werd vastgesteld dat de werkgever een administratieve fout had gemaakt bij de loonbetaling tijdens ziekte en in september 2024, waarvoor correcties werden toegewezen. Ook werd loon over de periode na de laatste werkdag tot eind maart deels toegewezen op basis van resterende verlofuren. De vordering voor onterecht ingehouden uren wegens kortere werkdagen in verband met sollicitaties werd afgewezen.

De wettelijke verhogingen en rente werden deels toegewezen, waarbij de verhoging werd gematigd bij dubbele administratieve fouten. De buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen tot het wettelijke maximum. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De werknemer krijgt gedeeltelijk gelijk met correcties op loon tijdens ziekte, salaris september 2024 en loon tot eind maart 2025, maar verliest haar vordering op overuren wegens klachtplicht.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11894098 \ CV EXPL 25-6365
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
[gedaagde]handelend onder de naam
[bedrijf],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het mondelinge antwoord met producties;
- de aanvullende producties van [eiser];
- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
[eiser] is per 29 september 2022 bij [bedrijf] in dienst getreden als Administratief Medewerker.
2.2.
In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de eerste twee dagen bij ziekte niet worden uitbetaald. Daarna heeft de werknemer tijdens ziekte recht op 70% van het brutoloon.
2.3.
[eiser] heeft de arbeidsovereenkomst op 26 februari 2025 schriftelijk opgezegd:
“Zoals gisteren besproken met [betrokkene][[betrokkene], medewerker van [bedrijf] en partner van [gedaagde]]
wil ik graag mijn ontslag indienen. Wanneer mijn laatste dag is bespreek ik nog met [betrokkene] in verband met mijn vakantiedagen.”
2.4.
[betrokkene] heeft per WhatsApp over de (resterende) vakantiedagen aan [eiser] geschreven:
“24 uren mee van 2024 en mijn inschatting voor 2025 is 26,65 als ik twee weken van maart pak. Daarvoor had ik even je ontslag[brief]
nodig eventueel naar beneden of omhoog gaan. Dat ligt een beetje aan de einddatum met de helft van maart meegerekend. Heb je 18,65 uur over”
2.5.
De laatste werkdag van [eiser] was op 18 maart 2025.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [bedrijf] tot betaling van € 9.869,71 aan hoofdsom, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging, de buitengerechtelijke incassokosten, de (verschenen) wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
[bedrijf] erkent dat zij nog een bedrag van (in totaal) € 346,76 aan [eiser] moet uitbetalen. Voor het overige concludeert [bedrijf] tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vordering van [eiser] valt uiteen in vijf onderdelen, namelijk:
(1) het loon voor de gewerkte zaterdagen en de overuren,
(2) de inhoudingen tijdens ziekte,
(3) het salaris over september 2024,
(4) het salaris en vakantiegeld over de periode vanaf 18 maart 2025 en
(5) de inhouding van 6,75 uur.
De kantonrechter zal deze onderdelen hierna achtereenvolgens behandelen.
Zaterdagen en overuren
4.2.
[eiser] vordert uitbetaling van € 2.376,00 aan (extra) gewerkte zaterdagen en € 5.616,00 aan overige overuren. Volgens [eiser] moest zij gedurende haar dienstverband met [bedrijf] zeer regelmatig tot in de avond administratieve werkzaamheden verrichten bij de afhandeling van verhuizingen. Het ging dan om het (op afstand) volgen van een (uitlopende) verhuizing, het contact houden met de verhuizers en het voeren van gesprekken met de klant. [eiser] moest standby blijven totdat de verhuizing was afgerond en betaald. Daarnaast heeft zij gedurende haar dienstverband, naast haar vaste werkdagen op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag, ook diverse zaterdagen gewerkt. Volgens [eiser] zijn niet alle extra gewerkte uren uitbetaald en/of op andere wijze gecompenseerd.
4.3.
Het meest verstrekkende verweer van [bedrijf] op dit punt is dat [eiser] te lang heeft gewacht met het instellen van haar vorderingen. De kantonrechter begrijpt dit verweer als een beroep op de klachtplicht. De Hoge Raad heeft op 20 september 2024 [1] geoordeeld dat de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro van toepassing is op alle verbintenissen, en dus ook op die uit hoofde van een arbeidsovereenkomst en die tot betaling van een geldsom. Wie niet tijdig klaagt over een gebrekkige prestatie (in dit geval het niet betalen van loon en overuren) verliest alle rechten en bevoegdheden die hij ten aanzien van die gebrekkige prestatie had (in dit geval het alsnog vorderen van betaling van dat loon en de overuren) De ratio van de klachtplicht is het behoeden van de schuldenaar (in dit geval de werkgever) tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, en tegen vorderingen waarop de schuldenaar zich, gezien het tijdsverloop niet meer behoefde in te stellen.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] maandelijks loonstroken van [bedrijf] heeft ontvangen. Daarop is te zien dat gedurende het dienstverband regelmatig overuren aan [eiser] zijn uitbetaald. Die uitbetaling was gebaseerd op de door [bedrijf] bijgehouden urenregistratie. [eiser] had op basis van deze specificaties al veel eerder dan aan het einde van haar dienstverband kunnen constateren dat zij veel minder overuren uitbetaald kreeg dan waar zij stelt recht op te hebben. Dit geldt temeer gezien de grote omvang van de door haar gestelde overuren. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat zij het tekort aan salaris al eerder (mondeling) bij [bedrijf] heeft aangekaart, maar dat is betwist en niet onderbouwd. [bedrijf] stelt terecht door de te late klacht te zijn benadeeld omdat haar daarmee de mogelijkheid is ontnomen om na te gaan of [eiser] (naast de door haar registreerde en uitbetaalde overuren) inderdaad nog méér overuren heeft gewerkt, of het overwerk door [bedrijf] was opgedragen dan wel of [bedrijf] met het overwerk heeft ingestemd, en zo ja, of de uren door middel van tijd-voor-tijd (of anderszins) zijn gecompenseerd. Hierbij weegt ook mee dat de omvang van de gevorderde overuren door [eiser] achteraf is gereconstrueerd aan de hand van WhatsApp-gesprekken met verhuizers en dus niet is gebaseerd op een destijds bijgehouden urenregistratie.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechten van [eiser] om achterstallig loon en overuren te vorderen, zijn vervallen. De daartoe ingestelde vordering zal dus worden afgewezen.
Correctie ingehouden loon bij ziekte
4.6.
[bedrijf] heeft erkend dat zij bij de verwerking van het loon tijdens ziekte een administratieve fout heeft gemaakt door 70% van het loon in te houden en 30% van het loon uit te betalen, in plaats van andersom. Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van het bedrag dat [bedrijf] nog aan [eiser] verschuldigd is. Volgens [eiser] heeft zij recht op een bedrag van € 384,72. [bedrijf] heeft daartegenover een uitgebreide berekening overgelegd en komt uit op een bedrag van € 130,28. [eiser] heeft niet toegelicht hoe zij tot het door haar gevorderde bedrag is gekomen. Ook op de zitting kon [eiser] niet uitleggen waarom zij tot een ander bedrag komt dan [bedrijf]. Daarmee heeft [eiser] haar vordering onvoldoende onderbouwd.
4.7.
De conclusie is dat de vordering met betrekking tot het loon tijdens ziekte zal worden toegewezen tot een bedrag van € 130,28, en voor het overige zal worden afgewezen. De wettelijke verhoging zal worden toegewezen, omdat [bedrijf] te laat heeft betaald. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen, aangezien [bedrijf] de verschuldigdheid van het toewijsbare bedrag al voorafgaand aan deze procedure had erkend, maar desondanks heeft nagelaten om de bedragen aan [eiser] uit te betalen. Dat had wel op haar weg gelegen.
Correctie salaris september 2024
4.8.
[bedrijf] heeft erkend dat zij in de maand september 2024 van een onjuist uurloon is uitgegaan, namelijk van € 17,64 in plaats van € 18,00. Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van het bedrag dat [bedrijf] nog aan [eiser] moet betalen. Volgens [eiser] heeft zij recht op een bedrag van € 216,66. Volgens [bedrijf] is dat € 54,62. [bedrijf] heeft in dit verband toegelicht dat zij de fout in het uurloon al in 2024 had opgemerkt en dat zij destijds direct een correcte loonstrook heeft laten opstellen door haar boekhoudkantoor. Het bedrag van € 54,62 is het verschil tussen de correcte en de incorrecte loonstrook. [eiser] heeft niet toegelicht hoe zij tot het door haar gevorderde bedrag is gekomen. Ook op de zitting kon [eiser] niet uitleggen waarom zij tot een ander bedrag komt dan [bedrijf]. Volgens (de moeder van) [eiser] zou het kunnen dat zij op dit punt een rekenfout heeft gemaakt. Daarmee heeft [eiser] haar vordering onvoldoende onderbouwd.
4.9.
De conclusie is dat de vordering met betrekking tot het loon over september 2024 zal worden toegewezen tot een bedrag van € 54,62, en voor het overige zal worden afgewezen. De wettelijke verhoging zal worden toegewezen, omdat [bedrijf] te laat heeft betaald. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 20%, omdat sprake is van een (dubbele) administratieve fout. Het is niet gebleken dat [bedrijf] voorafgaand aan deze procedure op de hoogte was van het feit verschil tussen de correcte en de incorrecte loonstrook nog altijd niet was uitbetaald. Hoewel dat onzorgvuldig is, is niet gebleken van betalingsonwil.
Salaris en vakantiegeld over de periode vanaf 18 maart tot en met 31 maart 2025
4.10.
Partijen verschillen van mening over de einddatum van de arbeidsovereenkomst en de vraag of [eiser] recht heeft op loon over de periode van 19 maart 2025 tot en met 31 maart 2025. Wel heeft [bedrijf] erkend dat [eiser] nog recht heeft op uitbetaling van loon (en emolumenten) over 18 maart 2025.
4.11.
Uit de ontslagbrief van [eiser] (zie 2.3) blijkt dat [eiser] de einddatum van haar arbeidsovereenkomst wilde baseren op haar resterende verlofsaldo. In dat verband heeft [bedrijf] aan [eiser] laten weten dat zij, uitgaande van een einddatum rond half maart, nog 18,65 verlofuren had (zie 2.4). Partijen zijn vervolgens mondeling overeengekomen dat 18 maart 2025 haar laatste werkdag zou zijn. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat zij daarbij heeft aangegeven dat zij de hele maand maart betaald wilde krijgen, maar [bedrijf] betwist dat daarover afspraken zijn gemaakt. Aangezien partijen van mening verschillen over hetgeen mondeling is besproken, moet worden aangesloten bij de schriftelijke communicatie tussen partijen. Uit het hiervoor genoemde WhatsApp-bericht blijkt duidelijk dat [eiser] nog ongeveer 18 verlofuren had. Daarmee valt niet te rijmen dat zij ervan uitging dat zij nog tot 1 april 2025 betaald zou krijgen zonder dat zij na 18 maart 2025 nog werk verrichtte. Daarvoor had zij immers niet voldoende verlofuren. Bovendien heeft [bedrijf] gesteld dat [eiser] ook op 13 en 14 maart 2025 nog verlof heeft opgenomen (in totaal 16 uur), en dat de resterende uren (dit bleken er na de definitieve berekening nog 3,98 te zijn) bij de eindafrekening aan haar zijn uitbetaald. [eiser] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter van de juistheid van de stellingen van [bedrijf] uitgaat.
4.12.
De conclusie is dat de vordering met betrekking tot het achterstallig salaris over de periode vanaf 18 maart 2025 tot en met 31 maart 2025 wordt toegewezen tot een bedrag van € 161,86 bruto (bestaande uit € 144,00 aan één dag salaris, vermeerderd met € 11,52 aan vakantiegeld en € 6,34 aan opbouw vakantiedagen), en voor het overige wordt afgewezen. De wettelijke verhoging zal worden toegewezen, omdat [bedrijf] te laat heeft betaald. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 25%.
Inhouding 6,75 uren
4.13.
[eiser] vordert daarnaast nog € 121,10 aan volgens haar onterecht ingehouden uren. Ter zitting is duidelijk geworden dat het gaat om uren uit februari 2025 die op de (laatste) loonstrook van maart 2025 zijn ingehouden. [bedrijf] heeft daarvoor als reden gegeven dat [eiser] op 4 en op 6 februari 2025 een kwartier later is begonnen, dat zij op 17 februari 2025 drie uur eerder is vertrokken en dat zij op 25 februari 2025 drie uur en een kwartier eerder is vertrokken. Dit levert een tekort op van in totaal 6,75 uren. [eiser] heeft dat niet betwist. Zij heeft toegelicht dat haar afwezigheid verband hield met sollicitaties elders.
4.14.
In Nederland bestaat geen recht op (betaald of onbetaald) sollicitatieverlof. Dat betekent dat werknemers in beginsel vakantie-uren of onbetaald verlof moeten opnemen om vrij te krijgen voor een sollicitatie. De omstandigheid dat [eiser] in verband met haar sollicitaties kortere dagen bij [bedrijf] heeft gewerkt, komt dan ook voor haar eigen rekening en risico. Aangezien [eiser] bij de eindafrekening in maart 2025 geen (althans niet voldoende) vakantiedagen meer had, zijn de uren terecht op haar salaris ingehouden. De conclusie is dan ook dat de vordering tot betaling van deze uren wordt afgewezen.
Nevenvorderingen
4.15.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat [eiser] die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom(men) vanaf de datum van de dagvaarding omdat [eiser] geen ingangsdatum heeft gevorderd en niet heeft toegelicht vanaf welke eerdere datum zij aanspraak kan maken op wettelijke rente.
4.16.
[eiser] vordert ten slotte een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 52,01 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
4.17.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [bedrijf] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 130,28, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [bedrijf] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 54,62, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [bedrijf] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 161,86 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [bedrijf] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 52,01 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 18 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1278.