Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
“7 Boete
Met betrekking tot de in dit rapport opgenomen correctie(s) en de daaruit voortvloeiende aanslagen zal ik vergrijpboeten opleggen. Hierna ga ik in op dit onderwerp.
Ik weet dat mijn vader in het verleden wel haver aan hem heeft geleverd voor de paarden. Elk jaar +/- 9 ton. Ik ben wel eens met hem meegeweest voor de levering en heb de paarden wel gezien. Toen liepen er wel 40 à 50 paarden en volgens mij deed hij er ook wel mee fokken.”
Hierbij verklaar ik(…)
dat verkocht is vanuit(…)
van de heer [eiser] , een sjees + tuig aan een oudere man. Het gekochte werd contant betaald. Het bedrag is mij niet bekend. Wel was mij bekend dat de vraagprijs € 15.000 was.”
Ik(…)
verklaar dat [eiser](…)
reeds jaren lang paarden had achter de boerderij(…)
. Ik heb deze paarden wel verzorcht, en [eiser] geholpen bij de verzorching van de paarden. Er waren in 2010 +/- 50 paarden. Deze zijn geleidelik verkocht(…)
De meesten zijn weg gegaan +/- 2012. Deze handel altijd kontant(…)”
Achter de boerderij had [eiser] paarden lopen +/- 45 stuks. Later zijn ze langzaam ingekort. Vanaf 2012 als hij wel eens weg was heb ik ze wel gevoerd en veehandel gaat vaak in contanten.”
U vroeg mij naar aankopen van paarden van de heer [eiser] in de periode 2010/2014. Ik heb de administratie daarvan niet meer maar ik heb wel de copie paspoorten gevonden die ik er destijds bij heb gekregen. Dit zijn paarden die ik in die periode van [eiser] heb gekocht.(…)
tot wel 30.000 euro voor(…)
en 40.000 euro voor de hengst(…)
.
Geschil
- de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011, ZVW 2011 en de naheffingsaanslag omzetbelasting buiten de bezwaartermijn door verweerder zijn ontvangen;
- de navorderingsaanslagen ZVW en de daarbij genomen rentebeschikkingen de navorderingsaanslagen IB/PVV volgen;
- de vergrijpboete opgelegd naar aanleiding van de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 moet worden vernietigd omdat deze niet gelijktijdig met de navorderingsaanslag is opgelegd.
Beoordeling
geenverschoonbare termijnoverschrijding op. Daartoe overweegt de rechtbank dat – uitgaande van de juistheid van de door eiser gestelde feiten en omstandigheden – het op de weg van eiser had gelegen om voorzorgsmaatregelen te nemen om de termijnoverschrijdingen te voorkomen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de door eiser gestelde gezondheidsproblemen hun oorsprong hebben ver voor de dagtekening van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 en ZVW 2011 en naheffingsaanslag OB. Eiser heeft daarbij verder ook niets gesteld ten aanzien van zijn (gezondheids)situatie ten tijde van de ontvangst van deze aanslagen, en de periode direct daarna. Verder acht de rechtbank hierbij van belang dat eiser wel tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de andere in geschil zijnde navorderingsaanslagen, welke circa vier tot zes weken later zijn opgelegd. Omdat naar het oordeel van de rechtbank de door eiser gestelde feiten en omstandigheden niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding
kunnenleiden, behoeft de uiteenlopende bewijslastverdeling in dit geval verder geen bespreking.
- het adres van de partner van eiser is de naam van een hele wijk in [plaats in Midden-Amerika] ;
- het is onduidelijk of de partner van eiser over voldoende vermogen beschikte om dergelijk bedragen te verstrekken;
- het is onduidelijk op welke manier het geld aan eiser verstrekt zou zijn;
- de overeenkomsten zijn in het Nederlands opgesteld terwijl de partner van eiser deze taal niet machtig is;
- de verstrekkingen zouden in euro’s hebben plaatsgevonden terwijl dat niet een wettig betaalmiddel is in [land in Midden-Amerika] .
Beslissing
- verklaart de beroepen met zaaknummers LEE 20/46, 20/47, 20/49, 20/51, 20/53 en 20/54 ongegrond;
- verklaart de beroepen met zaaknummers LEE 20/48, 20/50 en 20/52 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar in de IB/PVV-zaken enkel voor zover die ziet op de vergrijpboeten bij de aanslagen IB/PVV 2012, 2013 en 2014;
- vermindert de boete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 tot € 1.208;
- vermindert de boete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 tot € 3.269;
- vernietigt de boete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2014;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht in zaken 20/48, 20/50 en 20/52 van totaal € 144 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518.