In deze zaak vordert [A] Engineering B.V. dat ex-werknemer [B] wordt veroordeeld tot nakoming van een relatiebeding dat hem verbiedt binnen drie jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten voor cliënten van [A]. [B] trad na zijn opzegging in dienst bij [C] Yachts, een opdrachtgever van [A].
De kern van het geschil betreft de vraag of het relatiebeding nietig is op grond van artikel 9a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). [B] stelt dat [A] een uitzendbureau is en hij als uitzendkracht ter beschikking is gesteld aan [C], waardoor het relatiebeding niet van toepassing zou zijn. De kantonrechter oordeelt echter dat [A] geen uitzendbureau is in de zin van de Waadi en dat er geen sprake is van ter beschikking stelling van [B] aan [C].
De kantonrechter stelt vast dat [B] het relatiebeding heeft overtreden door bij [C] in dienst te treden en wijst het verzoek tot schorsing van het beding af. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van [A] bij handhaving van het beding zwaarder weegt dan het belang van [B] bij schorsing. [B] wordt veroordeeld tot het staken van zijn werkzaamheden bij [C], betaling van incassokosten en proceskosten.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de vordering van [B] tot schorsing van het relatiebeding wordt afgewezen.