De zaak betreft een verzoek om nadeelcompensatie door de eigenaar van een perceel met kantoorpand, naar aanleiding van het Tracébesluit 'A7/N7 Zuidelijke Ringweg Groningen, fase 2'. De minister wees het verzoek af omdat het te laat was ingediend en daarmee verjaard.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek inderdaad te laat is ingediend, omdat de verjaringstermijn van vijf jaar vanaf het moment dat eiser bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon, reeds in 2016 is aangevangen. Eiser had toen al voldoende informatie en gelegenheid om een verzoek in te dienen. Het verzoek werd pas in september 2022 ingediend, ruim na het verstrijken van de termijn.
Eiser voerde aan dat hij niet tijdig bekend was met de schade vanwege de complexiteit van het project en de wijzigingen in het Tracébesluit, maar de rechtbank achtte dit onvoldoende om de verjaring te stuiten. Ook het beroep op een belangenafweging door de minister faalde omdat de minister dit weloverwogen en gemotiveerd heeft gedaan.
Hoewel de rechtbank het besluit tot afwijzing vernietigt wegens een motiveringsgebrek, laat zij de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het college het gebrek heeft hersteld met een aanvullende motivering. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.