Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.a.[eiser] te [plaats], eisers sub 1.a.,
derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], gevestigd te [eiser], vergunninghoudster,
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 27 juni 2025 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaken over het verlenen van omgevingsvergunningen aan vergunninghoudster voor de omschakeling van een grondgebonden melkrundveehouderij naar een grondgebonden geitenhouderij op een perceel te [plaats]. Eisers betwistten de vergunningen onder meer op grond van belanghebbendheid, m.e.r.-beoordeling, grondgebondenheid, geluid en gezondheid.
De rechtbank oordeelde dat eisers belanghebbenden zijn vanwege de afstand tot de geitenhouderij en de mogelijke gezondheidsrisico’s. De relativiteit stond echter in de weg voor beoordeling van natuurvergunningaspecten. Ten aanzien van de m.e.r.-beoordeling concludeerde de rechtbank dat het college terecht geen milieueffectrapport verplichtte, mede gelet op het ontbreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over gezondheidsrisico’s.
De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit I (fase 2) in strijd met de Wabo tot stand was gekomen omdat het eerder werd genomen dan fase 1, maar paste dit gebrek ambtshalve toe artikel 6:22 Awb Pro. Wel werd het besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de grondgebondenheid, hoewel de rechtsgevolgen in stand bleven. Het beroep tegen het besluit II (fase 1) en het wijzigingsbesluit waren ongegrond. De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eisers.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit fase 2 is deels gegrond verklaard en vernietigd wegens ontoereikende motivering grondgebondenheid, met handhaving van rechtsgevolgen; beroep tegen fase 1 en wijzigingsbesluit ongegrond.