Belanghebbende, woonachtig in Nederland, verrichtte in 2014 werkzaamheden aan boord van een pijplegschip dat onder Panamese vlag voer en eigendom was van een Zwitserse onderneming. De Inspecteur legde aanslag IB/PVV op en verleende gedeeltelijke aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. De rechtbank vernietigde deze aanslag deels en kende een hogere aftrek toe.
De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het geschil spitste zich toe op de vraag of het schip waarop belanghebbende werkte, werd geëxploiteerd in internationaal verkeer volgens het Verdrag tussen Nederland en Zwitserland, en of de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting correct was vastgesteld.
Het hof oordeelde dat het schip primair bestemd was voor het leggen van pijpleidingen en dat het vervoer van projectlading slechts bijkomstig was. Daarom kon niet worden gesteld dat de inkomsten uit werkzaamheden aan boord van het schip onder de heffingsbevoegdheid van Zwitserland vielen. Het hoger beroep van de Inspecteur werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.