Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen
Dutch Investment Company D.I.C. BV, uit Zwolle, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel, het college
Samenvatting
- Is er (overduidelijk) geen sprake van een overtreding?
- Is eiseres aan te merken als overtreder?
- Heeft eiseres erop mogen vertrouwen dat het college de begunstigingstermijn had verlengd?
- Had het college, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, af moeten zien van invordering?
Beoordeling door de rechtbank
.Het oude recht blijft echter van toepassing als ook op grond van het nieuwe recht sprake zou zijn geweest van overtredingen, namelijk op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. [1] Dat betekent dat in dit geval het recht van toepassing blijft, zoals dat gold vóór 1 januari 2024.
Aan de last is een begunstigingstermijn verbonden van vier weken na dagtekening van het besluit. Onder ‘Wettelijk kader’ vermeldde het besluit dat er sprake was van een overtreding van artikel 2.90 lid 3 van het Bouwbesluit in samenhang met artikel 1a van de Woningwet. Ook zou er sprake zijn van een overtreding van artikel 6.8 lid 1 onder a van het Bouwbesluit 2012.
Het college stelt zich daarnaast op het standpunt dat eiseres niet tegen de last is opgekomen en dat deze daarom in beginsel vaststaat. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan van invordering worden afgezien. Er is geen sprake van een dergelijke bijzondere omstandigheid. Het college gaat niet mee in het argument dat eiseres niet als feitelijk overtreder zou kunnen worden aangemerkt.
Subsidiair stelt eiseres dat zij aan de last heeft voldaan doordat zij de zaak volledig heeft gesloten vóór het verlopen van de begunstigingstermijn. Bovendien heeft eiseres binnen de begunstigingstermijn laten weten dat zij aan de last zou gaan voldoen door het pand dicht te timmeren. Het college heeft daarop niet binnen de begunstigingstermijn laten weten dat dit niet voldoende zou zijn om de overtreding te beëindigen.
Met de reactie van de gemeente van 20 januari 2023 heeft het college daarnaast de oude begunstigingstermijn laten vervallen en heeft het college aan eiseres overgelaten wanneer zij aan de last zou kunnen voldoen. Daar heeft eiseres daarom op mogen vertrouwen.
Tot slot is het volgens eiseres onevenredig dat het college nu overgaat tot invordering. Eiseres heeft altijd in goed overleg met de gemeente samengewerkt en naar oplossingen gezocht. De gemeente is vervolgens nalatig geweest in de communicatie richting eiseres, waardoor zij erop heeft mogen vertrouwen dat haar aanpak om aan de last te voldoen goedgekeurd werd en dat de termijn om aan deze last te voldoen een ‘open termijn’ was. Onder die omstandigheden is het onevenredig om tot invordering over te gaan.
De omstandigheden die eiseres verder naar voren brengt, kunnen tot slot niet aangemerkt worden als bijzondere omstandigheden waardoor van invordering afgezien had moeten worden. De argumenten dat het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel genomen is, overtuigen niet. Het betoog van eiseres dat de begunstigingstermijn met het bericht van 20 januari 2024 verlengd was, volgt de bezwaarcommissie niet. Op die datum was de begunstigingstermijn al verlopen en kon niet meer verlengd worden. In datzelfde bericht is bovendien vermeld dat een rapport uiterlijk 31 januari 2024 verwacht wordt. Op 6 februari 2024 is eiseres nogmaals bericht dat het dichttimmeren van het pand geen optie was en dat de overtreding niet beëindigd was.
In een procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking kan een belanghebbende in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als overduidelijk is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.
Verder stelt eiseres dat niet vastgesteld is dat artikel 2.90, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 is overtreden, omdat niet duidelijk is hoe de toezichthouder heeft geconstateerd dat de brandwerendheid niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiseres naar een uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1050. Ook is niet duidelijk hoe de toezichthouder geconstateerd heeft dat er sprake zou zijn van een overtreding van artikel 6.8, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. In de eerste plaats is het maar de vraag of de toegepaste NEN-norm, NEN 1010:1962 van toepassing is, omdat het oorspronkelijke bouwjaar van het pand 1850 is. Daarnaast schrijft de toezichthouder voor dat de installatie gekeurd moet worden door een vakbekwaam en deskundig persoon. Hieruit volgt dat de toezichthouder zelf niet vast heeft kunnen stellen of de norm is overtreden.
Volgens het college is in dit geval wel vastgesteld dat de brandwerendheid niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Daarbij is van belang dat het gaat om een systeemplafond en houten vloer. Aangezien de toezichthouder op meerdere plaatsen, verspreid over deze vloer, feitelijk gaten heeft aangetroffen – en hier ook foto’s van heeft gemaakt – heeft het college vast kunnen stellen dat de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie van de vloerconstructie niet voldoet. Deze situatie verschilt van de door eiser aangehaalde situatie in de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2023. Daar was het probleem dat niet feitelijk vastgesteld kon worden of de vloer voldoende brandwerend was, omdat de constructie was uitgevoerd met Perfora stenen. Testgegevens daarover ontbraken.
Het college stelt zich tot slot op het standpunt dat de toezichthouder wel zelfstandig heeft vastgesteld dat de elektrische installatie niet voldeed aan de veiligheidsvoorschriften van NEN 1010. De toezichthouder heeft immers vastgesteld dat de elektrische installatie ‘op enkele plaatsen loshangt’ en ‘dat de bedrading niet op de juiste wijze is gekoppeld.
Ook over de elektrische installatie heeft het college voldoende gemotiveerd waarom er sprake is van een overtreding van artikel 6.8, eerste lid, van het Bouwbesluit. In artikel 1.2, eerste lid, van de Regeling Bouwbesluit wordt verwezen naar bijlage I bij de regeling om te bepalen welke NEN-norm precies moet worden toegepast. In bijlage I wordt vervolgens NEN 1010:1962 als toepasselijke norm voor bestaande bouw aangewezen. Deze norm is ook toegepast, blijkens het rapport van de toezichthouder. Uit het rapport van de toezichthouder blijkt ook duidelijk wat er mis was met de installatie, namelijk losse bedrading en een onjuiste manier van aansluiten van de bedrading. Dat de toezichthouder heeft voorgeschreven dat eiseres de installatie moet laten keuren door een vakbekwaam en deskundig persoon doet hier niet aan af, omdat dit naar het oordeel van de rechtbank een opdracht is aan eiseres om de geconstateerde gebreken te laten herstellen.
de eigenaarer zorg voor te dragen dat er, als gevolg van de staat van een bouwwerk, geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat.
Hierboven heeft de rechtbank al geoordeeld dat er sprake is van een overtreding, waarbij eiseres als overtreder aangemerkt kan worden en dat eiseres er niet op heeft mogen vertrouwen dat de begunstigingstermijn verlengd was. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college af had moeten zien van invordering.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
bijlage I (https://wetten.overheid.nl/BWBR0031022/2023-07-01)en voor zover het een in de
afdelingen 2.1en
2.2van het besluit aangewezen NEN-EN betreft in
bijlage II (https://wetten.overheid.nl/BWBR0031022/2023-07-01)bij deze regeling bepaald welke uitgave daarvan van toepassing is.