De rechtbank Noord-Nederland heeft op 18 december 2025 uitspraak gedaan over zes samenhangende bestuursrechtelijke zaken betreffende de omgevingsvergunning voor de bouw van twee bouwblokken met in totaal 25 appartementen in Burgum. Eisers voerden diverse beroepsgronden aan, waaronder het niet betrekken van een contra-expertise bij de welstandstoets, de toepassing van de hardheidsclausule, de procedurele rechtmatigheid, strijd met de goede ruimtelijke ordening, privacy-inbreuk, en privaatrechtelijke beperkingen.
De rechtbank stelde vast dat het college bevoegd was de vergunning te verlenen en dat de reguliere voorbereidingsprocedure terecht was gevolgd. Hoewel het college de contra-expertise van Hûs & Hiem niet bij de besluitvorming had betrokken, werd dit gebrek gepasseerd op grond van artikel 6:22 AwbPro, omdat het college in het verweerschrift adequaat op de contra-expertise was ingegaan. De toepassing van de hardheidsclausule werd als zorgvuldig gemotiveerd beoordeeld.
De rechtbank oordeelde dat de beperkte afwijkingen van het bestemmingsplan, zoals hogere goot- en bouwhoogten en dakhellingen, niet leiden tot een onevenredige aantasting van belangen zoals privacy of gebruiksmogelijkheden. Ook de bezwaren over parkeren en overlast door hangjeugd werden verworpen. Privaatrechtelijke belemmeringen werden niet als evident aangemerkt en stonden de vergunningverlening niet in de weg.
De beroepen werden ongegrond verklaard, maar het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en reiskosten aan eisers vanwege de toepassing van artikel 6:22 AwbPro. De uitspraak kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de verlening van de omgevingsvergunning, met een proceskostenvergoeding aan eisers.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND RECTIFICATIE (P.15)
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/1670, 25/1671, 25/1672, 25/1673, 25/1626 en 25/1638
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaken tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: JEF Holding B.V. uit [plaatsnaam] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. F. Krol-Postma).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het realiseren van twee bouwblokken met totaal 25 appartementen in [plaatsnaam] . Eisers zijn het niet eens met die omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning mocht verlenen. De rechtbank laat de bestreden besluiten, ondanks enkele gebreken, met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3 staat het toetsingskader voor de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de vraag of alle eisers belanghebbende zijn bij de bestreden besluiten. Vervolgens beantwoordt de rechtbank eerst de beroepsgronden die alle eisers hebben aangevoerd. Ten slotte gaat de rechtbank in op de individuele beroepsgronden van eisers 1, 3, 4 en 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Het college heeft op 4 juni 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van twee bouwblokken met totaal 25 appartementen aan de [adres] in [plaatsnaam] . Het betreft een vergunning voor de activiteiten bouwen en afwijken van de regels van de ruimtelijke ordening.
2.1. Met de bestreden besluiten van 18 maart 2025 op de bezwaren van eisers is het college bij de verlening van de vergunning gebleven.
2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.3. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.4. De rechtbank heeft de beroepen op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers met [naam eigenaar eiser 4] , [naam eiser 1] , [eigenaar eiser 2] en [naam eiser 6] , en namens het college: F. de Jong. Namens vergunninghouder hebben de gemachtigde en B. Zantman (architect) deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het toetsingskader?
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een vergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
3.1. Het perceel ligt in het bestemmingsplan [plaatsnaam] 2016 en heeft daarin de bestemming Centrum. Het bouwplan is in strijd met de volgende onderdelen van het bestemmingsplan: - artikel 11.2.1 lid B: de toegestane maximale goothoogte is 7 meter. Het bouwplan heeft goothoogten van 10,4 meter en 7,5 meter. - artikel 11.2.1 lid C: de toegestane maximale bouwhoogte is 12 meter. Het bouwplan heeft incidenteel een bouwhoogte van 12,5 meter.
- artikel 11.2.1 lid E: de dakhelling mag binnen een afstand van 10 meter vanuit de voorbouwgrens ten minste 30º en ten hoogste 80º bedragen. Delen van het bouwplan hebben een dakhelling van 90º.
Wie mag er beroep instellen?
4. Voordat de rechtbank het beroep inhoudelijk kan behandelen, toetst de rechtbank of aan de procedurele voorwaarden is voldaan. Eén van die voorwaarden is dat eisers belanghebbenden moeten zijn bij een bestreden besluit. Alleen een belanghebbende kan bezwaar maken en beroep instellen tegen een besluit. [1] Een belanghebbende is degene van wie het belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. [2] Volgens vaste rechtspraak [3] is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor zijn woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren: afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen - zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico - van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
4.1. Van eisers 1, 2, 3, 4 en 6 is duidelijk dat zij belanghebbende zijn. Zij zijn eigenaar van gronden naast of tegenover het bouwplan of hebben direct zicht op het bouwplan. Eiser 5 woont aan de [straatnaam] 86. Zijn woning ligt op ongeveer 65 meter van het bouwplan en tussen zijn woning en het bouwplan liggen meerdere panden. Op de zitting is door de gemachtigde van eisers gesteld dat eiser 5 enig zicht heeft op het bouwplan vanwege de bocht in de weg en het feit dat de voorgevelrooilijn van de woning van eiser 5 dichter bij de weg ligt dan de panden aan de [straatnaam] 84 en 82. De panden aan de [straatnaam] 84 en 82 liggen wat naar achteren. Door het college is dit niet gemotiveerd betwist. Daarom neemt de rechtbank aan dat eiser 5 belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning.
4.2. Verder is op de zitting toegelicht dat eiser 6 naast het bouwplan woont en als privépersoon (niet als bedrijf) partij is.
Gezamenlijke gronden LEE 25/1670, LEE 25/1671, LEE 25/1672, LEE 25/1673, LEE 25/1626 en LEE 25/1638
Moest het college de welstandcontra-expertise betrekken bij de bestreden besluiten?
5. Alle eisers voeren aan dat het college ten onrechte de contra-expertise die zij op hebben laten stellen over de toets aan de welstandscriteria, niet heeft betrokken bij de bestreden besluiten.
6. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo, wordt een omgevingsvergunning voor een bouwwerk verleend als het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Een omgevingsvergunning kan worden geweigerd als het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Volgens vaste rechtspraak [4] wordt het bouwplan getoetst aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand. Het college maakt geen gebruik van een welstandscommissie maar heeft op de zitting toegelicht dat het uiterlijk van bouwplannen aan de welstandscriteria uit de Welstandsnota van de gemeente Tytsjerksteradiel wordt getoetst door daartoe deskundige medewerkers; een stedenbouwkundige en een bouwkundig ingenieur.
6.1. Uit het dossier blijkt dat er op het moment van het primaire besluit een positief welstandsadvies lag; het bouwplan voldeed volgens het advies aan de Welstandsnota. Na het indienen van het bezwaarschrift is een nieuwe welstandsbeoordeling opgesteld. Die welstandsbeoordeling is van 13 november 2024. In die beoordeling wordt gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan de welstandscriteria maar dat een beroep kan worden gedaan op een hardheidsclausule. Eisers hebben na de hoorzitting op 10 december 2024 aan Hûs & Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg om een contra-expertise gevraagd. De beoordeling door Hûs & Hiem is op 7 februari 2025 ontvangen door het college. De commissie voor de bezwaarschriften heeft op 7 maart 2025 advies uitgebracht waarna het college op 18 maart 2025 de besluiten op de bezwaren heeft genomen. Het college heeft de contra-expertise van Hûs & Hiem niet bij de besluitvorming betrokken.
6.2. De rechtbank overweegt dat in bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Die heroverweging moet plaatsvinden aan de hand van het op het moment van de beslissing op bezwaar geldende recht en de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend zijn. Naar het oordeel van de rechtbank had het college de contra-expertise van Hûs & Hiem moeten betrekken bij de beslissingen op de bezwaren. Het enkele feit dat vergunninghouder heeft aangegeven dat de contra-expertise te laat is aangeleverd is onvoldoende reden om de contra-expertise niet te betrekken bij de besluitvorming. Het advies van Hûs & Hiem is slechts 1,5 pagina lang en ruim een maand voor de besluitvorming door het college ontvangen. De rechtbank ziet niet in waarom het college dit advies niet had kunnen betrekken bij zijn besluitvorming.
6.3. Omdat het college ten onrechte de contra-expertise niet bij de besluiten op bezwaar heeft betrokken, zijn de besluiten genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, en 7:12, van de Awb. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb omdat het college in het verweerschrift alsnog is ingegaan is op de contra-expertise en uit het verweer blijkt dat er geen besluiten met een andere uitkomst zouden zijn genomen als het college in de bestreden besluiten wél ingegaan was op de contra-expertise van Hûs & Hiem. Eisers hebben kunnen reageren op de motivering van het college. Het is daarom niet aannemelijk dat eisers in hun belangen zijn geschaad.
Voldoet het plan aan de redelijke eisen van welstand?
7. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte een beroep doet op de hardheidsclausule uit de Welstandsnota. Eisers zien de kleinschaligheid van het bouwplan niet en kennen bovendien geen gebouw in de [straatnaam] of de historische kern van [plaatsnaam] met drie bouwlagen. Zij hebben ter onderbouwing van hun standpunt een contra-expertise door Hûs & Hiem laten opstellen. Ook in de contra-expertise van Hûs & Hiem wordt geconcludeerd dat het bouwplan niet dusdanig uitzonderlijk is dat het in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule.
8. Globaal gezegd bestaat het bouwplan uit twee bouwblokken; een groot bouwblok met daarnaast een kleiner bouwblok. De bouwblokken zijn met elkaar verbonden door een loopbrug. Tussen de bouwblokken in zit een steeg. Voor beide gebouwen zijn in de onderste bouwlaag winkels gepland. Het grootste gebouw bevat twee bouwlagen (woonlagen) boven de winkelplint. De hoekappartementen van het grootste gebouw zijn aan de voorzijde (de [straatnaam] ) voorzien van zadeldaken. In de gedeelten tussen de zadeldaken is een dak met een helling van 90º gepland. Het kleinere gebouw heeft een dakhelling van 90º en bestaat uit een gedeelte met één en een gedeelte met twee woonlagen boven de winkelplint.
8.1. Tussen partijen staat vast dat het bouwplan niet voldoet aan de (gebiedsgerichte) criteria uit de Welstandsnota. In de toelichting van de Welstandsnota staat dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de Welstandsnota, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel mag bestaan aan de toepassing van de genoemde criteria. In dat geval kan het bestuursorgaan met een deugdelijke motivering afwijken van de beleidsregel. Dat is de zogenaamde hardheidsclausule. Als voorbeelden worden in de toelichting genoemd: een bouwwerk dat in strijd is met de gebiedsgerichte criteria maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor de bebouwde omgeving, en een bouwwerk dat voldoet aan de gebiedsgerichte criteria maar niet aanvaardbaar is.
8.2. Het college heeft de bestreden besluiten gebaseerd op een welstandsadvies van 13 november 2024. In dat advies wordt geconcludeerd dat het bouwplan niet volledig past binnen de redengevende beschrijving van de Welstandsnota en dat voor het plan de hardheidsclausule is toegepast. Volgens het advies kenmerkt het ontwerp zich door het toepassen van een verticale parcelering, wat aansluit bij de maat en schaal van de [straatnaam] . Ook het toepassen van verschillende materialen versterkt het beeld van kleinschaligheid. Daarnaast vormt dit gebouw, met het gebouw aan het begin van de [straatnaam] , een accentuering van het begin en het eind van het kernwinkelgebied. Tenslotte wordt in het welstandsadvies gesteld dat het ontwerp van buitengewone kwaliteit is.
8.3. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het college op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies hoeft niet nader te worden toegelicht. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd, of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. [5]
8.4. Bij het verweerschrift heeft het college nog een inhoudelijke reactie op het contra-advies van Hûs & Hiem gegeven. Het college stelt dat het ontwerp aansluit bij de ontwikkeling van de [straatnaam] als overgangsgebied tussen de historische dorpskern en het meer stedelijke [straatnaam] . Ook stelt het college dat er reeds bebouwing met drie lagen en een plat dak aanwezig is in de [straatnaam] . Het bouwplan houdt volgens het college rekening met de bestaande differentiatie in bebouwingshoogten. Daarnaast is het geen massaal complex maar een geparceleerd ontwerp. Het bouwplan heeft een duidelijke opdeling in volumes. Het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig nieuwbouwplan draagt bij aan de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de [straatnaam] en stimuleert economische activiteiten. Een te rigide interpretatie van de welstandscriteria kan de ruimtelijk en economische ontwikkeling onnodig beperken.
8.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd waarom het bouwplan, ondanks dat het niet voldoet aan de welstandscriteria, toch verleend kan worden. Hierbij heeft het college van belang kunnen achten dat het ontwerp aansluit bij het overgangsgebied richting het meer stedelijke [straatnaam] en het gebouw door de architectonische vormgeving en de opdeling in volumes niet oogt als een massaal complex. Ook mocht het college betrekken dat in hetzelfde welstandsgebied en aan de [straatnaam] meerdere panden aanwezig zijn (waaronder [straatnaam] 11 en 13) met een winkelplint en daarboven nog 2 bouwlagen en dat het pand samen met het (geparceleerde) complex aan de Tsjibbe Geartsstrjitte 5A een begin en eindpunt vormt van de winkelstraat.
8.6. Dat Hûs & Hiem een andere visie op het bouwplan heeft, brengt op zichzelf niet mee dat het door het college gebruikte advies niet deugdelijk is. [6] De criteria in de Welstandsnota en de mogelijkheid tot afwijking daarvan kunnen uiteenlopend worden gewaardeerd. Volgens Hûs & Hiem is het gebouw zorgvuldig ontworpen maar niet dusdanig uitzonderlijk dat het in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule. Hûs & Hiem motiveert dat verder niet. Bovendien werpt Hûs & Hiem een te hoge drempel op voor de toepassing van de hardheidsclausule door te stellen dat toepassing van de hardheidsclausule in principe uitsluitend ingezet wordt als een bouwplan van zeer uitzonderlijke kwaliteit is. In de toelichting van de Welstandsnota wordt niet zo’n strenge eis gesteld aan de toepassing van de hardheidsclausule. Er wordt slechts gesteld dat er deugdelijk gemotiveerd moet zijn dat er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel bestaat aan de toepassing van de genoemde criteria. Daarnaast heeft Hûs & Hiem het plan alleen beoordeeld aan de hand van de bij de aanvraag behorende tekeningen. Er is door de architect geen toelichting op het plan gegeven aan Hûs & Hiem. Op de zitting is toegelicht dat de architect wel meerdere keren heeft overlegd met de deskundige van het college en dat het plan ook is aangepast om het beter bij het straat- en bebouwingsbeeld te laten aansluiten.
8.7. De rechtbank is van oordeel dat het welstandsadvies dat aan de bestreden besluiten ten grondslag is gelegd op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Er is niet gebleken dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de hardheidsclausule toegepast kon worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het college bevoegd om de afwijking van het bestemmingsplan te verlenen en is de juiste procedure gevolgd?
9. Alle eisers voeren aan dat het college de verleende omgevingsvergunning ten onrechte heeft voorbereid met de reguliere procedure. Het college mocht de kruimelregeling niet gebruiken omdat er geen sprake is van een bijbehorend bouwwerk maar een volledig nieuw gebouw. De situatie in de uitspraak waar het college naar verwijst [7] is anders omdat het daar ging om een overschrijding veroorzaakt door installaties op de woontoren. In deze zaak betreft de overschrijding een volledige verdieping. De omgevingsvergunning had daarom volgens eisers alleen verleend kunnen worden met de procedure uit artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo.
10. Het college heeft aan het bouwplan meegewerkt door af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op grond van die artikelen kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan als er sprake is van (de uitbreiding van) een bijbehorend bouwwerk en het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor wordt onder bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
10.1. Uit vaste rechtspraak [8] volgt dat artikel 4, eerste lid, van bijlage II bij het Bor niet de beperking bevat dat het moet gaan om een uitbreiding van een reeds bestaand gebouw, dat de uitbreiding functioneel of bouwkundig moet zijn te onderscheiden van de rest van het gebouw of dat de uitbreiding aan de rest van het gebouw ondergeschikt moet zijn. Volgens de nota van toelichting bij artikel 4 vanPro bijlage II bij het Bor [9] mag een bijbehorend bouwwerk ook gedurende hetzelfde bouwproces (direct na, gelijktijdig of in hetzelfde bouwproces zelfs kort er voor) gebouwd worden als het hoofdgebouw.
10.2. Uit het voorgaande volgt dat de uitvoering van het appartementencomplex aan de [straatnaam] , met afwijkende goothoogte, bouwhoogte en dakhelling kan worden aangemerkt als een uitbreiding van een hoofdgebouw en daarmee een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, waarvoor vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo.
10.3. Anders dan eisers menen, volgt uit deze rechtspraak niet dat er een onbeperkte mogelijkheid is om uitbreidingen te realiseren. Artikel 2.12 van de Wabo vereist ook dat het aangevraagde plan in overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening. Of in dit geval het bouwplan ook voldoet aan de eisen van de goede ruimtelijke ordening, wordt hierna vanaf 12 beoordeeld aan de hand van de gronden van eisers.
10.4. Uit de artikelen 3.7 en 3.10 van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning die verleend wordt met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, voorbereid wordt met de reguliere voorbereidingsprocedure.
10.5. Naar het oordeel van de rechtbank was het college bevoegd om artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II bij het Bor toe te passen en heeft het college terecht de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet.
Is de activiteit in strijd met een goede ruimtelijke ordening?
11. Alle eisers voeren aan dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege de aspecten parkeren en overlast door hangjeugd. Volgens eisers mag het college bij de beoordeling van het aspect parkeren geen rekening houden met de fictieve mogelijkheden van het bestemmingplan. De behoefte aan parkeren neemt toe door de bouw van 25 appartementen en zonder deze appartementen is er al parkeeroverlast. Op basis van de parkeernorm uit het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2008-2016 moeten er 40-45 parkeerplaatsen zijn. Het ontbreken van voldoende parkeervoorzieningen is volgens eisers in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
11. De rechtbank overweegt dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank beoordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [10]
12.1. Naar het oordeel van de rechtbank is omgevingsvergunning verleend voor een beperkte afwijking. De strijd met het bestemmingsplan is dat het grootste gebouw op de hoeken bij de zadeldaken een goothoogte van 10,4 meter heeft en op andere punten een goothoogte van 7,5 meter, terwijl 7 meter is toegestaan. Verder is de bouwhoogte op de hoeken vanwege de zadeldaken 12,5 meter terwijl 12 meter is toegestaan en is de dakhelling op gedeelten 90º terwijl maximaal 80º is toegestaan.
12.2. Op de zitting is door de architect van vergunninghouder toegelicht dat de bouwhoogte van 12,5 meter op de hoeken is gekozen vanuit architectonisch oogpunt. Dit geeft volgens de architect een dorpser beeld. Een bouwhoogte van 12 meter zou voor de zadeldaken een te flauwe dakhelling geven. Verder is gekozen voor de hogere goothoogte om de winkelruimtes in de onderste laag van het gebouw en de appartementen op de eerste verdieping voldoende (leef)ruimte te bieden. Door een hogere goothoogte kunnen de woonlagen boven de winkelplint hoger worden. Dat bevordert het woongenot van de toekomstige bewoners. Ook de dakhelling van 90º is het gevolg van de architectonische keuze om afwisseling in het uiterlijk van het gebouw aan te brengen.
12.3. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eisers menen, het toestaan van een hogere bouwhoogte en goothoogte niet met zich meebrengt dat er een extra woonlaag kan worden gerealiseerd die zonder afwijking van het bestemmingsplan niet kan worden gerealiseerd. Bij recht is een bouwhoogte van 12 meter toegestaan en in het bestemmingsplan is een bouwvlak opgenomen dat de betrokken kadastrale percelen (vrijwel) geheel bedekt. Ook zonder afwijking van het bestemmingsplan is het mogelijk om een groot appartementencomplex te realiseren van 12 meter hoog met drie woonlagen.
12.4. De rechtbank begrijpt dat eisers zijn geschrokken van het bouwplan, mede gelet op het feit dat er nu minder en lagere bebouwing aanwezig is dan in het bouwplan van vergunninghouder is voorzien. Maar omdat er bij recht al een gebouw van 12 meter hoog is toegestaan, zonder beperking in het aantal woonlagen of aantal appartementen, is de rechtbank van oordeel dat de nu vergunde afwijkingen van het bestemmingsplan beperkt zijn.
12.5. Uit vaste rechtspraak [11] volgt dat een beperkte afwijking van het bestemmingsplan met zich brengt dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan minder uitvoerig hoeft te worden gemotiveerd dan wanneer sprake zou zijn van een grote afwijking van dat bestemmingsplan.
12.6. Ook volgt uit vaste rechtspraak [12] dat het college bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen mee mag wegen dat de negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Bij een beoordeling van de fictieve mogelijkheden van het bestemmingsplan is niet van belang dat in de Welstandsnota (overwegend) uit wordt gegaan van gebouwen met één bouwlaag of twee bouwlagen bij uitzondering. Welstandscriteria kunnen niet leiden tot belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan. [13]
Hangjeugd
12.7. Vergunninghouder heeft op de zitting toegelicht dat de binnenplaats op het dak van de winkels ligt en niet openbaar toegankelijk is. Eisers hebben daarop hun grond over vrees voor overlast door hangjeugd ingetrokken.
Parkeren
12.8. De rechtbank overweegt dat de strijdigheid van het vergunde bouwplan met het bestemmingsplan is beperkt tot een verhoging van de bouwhoogte, goothoogte en dakhelling. Het benodigde aantal parkeerplaatsen is niet van belang bij het beantwoorden van de vraag of die afwijking in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is. Zoals al eerder is overwogen, wordt met deze afwijking geen ander aantal appartementen vergund dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het aantal wooneenheden stemt overeen met de geldende bouwregels.
12.9. Ook stelt de rechtbank vast dat in het bestemmingsplan geen eisen zijn gesteld aan parkeren. Er geldt geen verplichting om te toetsen aan het gemeentelijke verkeers- en vervoersplan. Op de zitting is verder door het college toegelicht dat op het terrein van het bouwplan een aantal parkeerplaatsen aanwezig zijn. Voor het overige kunnen bewoners en bezoekers gebruik maken van het parkeerterrein op de Markt. Dat parkeerterrein ligt achter het gebouw en heeft volgens het college een overcapaciteit. De parkeerplaatsen aan de voorzijde van het gebouw, in de [straatnaam] , liggen in een blauwe zone. Daar mag niet langdurig geparkeerd worden.
12.10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd dat, voor zover voor de beoordeling van deze afwijking van belang, sprake is van een goede ruimtelijke ordening als het gaat om parkeren. Voor zover eisers vrezen dat toekomstige bewoners langdurig gaan parkeren aan de [straatnaam] is dat een kwestie van handhaving van de regels die daar gelden voor het parkeren. Of al dan niet aan die regels wordt voldaan, valt buiten de beoordeling van deze omgevingsvergunning. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet.
Individuele gronden 26/1670 en 26/1672
Maakt het bouwplan een onevenredige inbreuk op de privacy van eisers 1 en 3?
13. Eiser 1 vreest een forse inbreuk op zijn privacy omdat het bouwwerk is gelegen tegenover zijn perceel en de afstand tussen de percelen ongeveer acht meter is. Ook eiser 3 doet hier een beroep op omdat het bouwwerk is gelegen tegenover zijn perceel en de afstand tussen de percelen ongeveer 10 meter is. De appartementen zullen direct zicht hebben op zijn tuin. Het bouwplan maakt volgens beide eisers een inbreuk op het grondrecht uit artikel 8 vanPro het EVRM. De fictieve mogelijkheden van het bestemmingsplan moeten volgens eisers in verband worden gezien met de welstandscriteria waarin is opgenomen dat sprake mag zijn van maximaal één bouwlaag of bij uitzondering twee.
13. De rechtbank overweegt dat een zekere mate van inbreuk op privacy inherent is aan het wonen in een stedelijke omgeving. [14] Enige aantasting van de privacy betekent niet dat het college een vergunning voor afwijking van een bestemmingsplan moet weigeren. Artikel 8, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) luidt: “ Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie”. Artikel 8, tweede lid, van het EVRM luidt: “ Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Voor een geslaagd beroep op artikel 8 vanPro het EVRM moet sprake zijn van een situatie waarin eisers direct worden geraakt in hun privéleven. Ook moeten de negatieve effecten voldoende ernstig zijn. Daarbij wordt gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval, zoals de intensiteit en duur van de overlast, de effecten op de fysieke en psychische gezondheid, en de aard van de omgeving.
14.1.
Zoals al eerder is overwogen, is de strijdigheid van het vergunde bouwplan met het bestemmingsplan beperkt tot een verhoging van de bouwhoogte, goothoogte en dakhelling. Met deze afwijking wordt geen ander aantal appartementen of meer bouwlagen vergund dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het college heeft bij de besluitvorming mogen betrekken dat binnen het omgevingsplan al een bouwwerk met drie woonlagen mogelijk is, zodat dan ook al woningen zouden kunnen worden gerealiseerd die uitkijken op eisers woningen en tuin. Het college mocht concluderen dat het woon- en leefklimaat van eisers 1 en 3 voor wat betreft de inbreuk op hun privacy, door de nu vergunde afwijkingen niet onevenredig wordt aangetast.
14.2.
Eisers 1 en 3 hebben naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat verleende omgevingsvergunning een zodanige invloed heeft op hun privéleven dat hiermee een inmenging in de rechten neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft plaatsgevonden. Het is de rechtbank duidelijk dat het bouwplan van invloed zal zijn op eisers woon- en leefklimaat. Maar dat is onvoldoende om te oordelen dat de beperkte afwijking waarvoor vergunning is verleend een zodanige negatieve invloed zal hebben op hun woonsituatie of hun leven zo ingrijpend zal beïnvloeden dat sprake is van schending van artikel 8 EVRMPro. Deze grond van eisers 1 en 3 slaagt niet.
Individuele gronden 26/1673
Maakt het bouwplan een onevenredige inbreuk op de gebruiksmogelijkheden van het bedrijf van eiser 4?
15. Eiser 4 voert aan dat het bouwplan inbreuk maakt op de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. Hij exploiteert een restaurant en evenementenlocatie. Door het bouwplan zal het zonlicht dat ’s middags en ’s avonds op het terras valt, grotendeels worden weggenomen. De fictieve mogelijkheden van het bestemmingsplan moeten volgens eiser 4 in verband worden gezien met de welstandscriteria waarin is opgenomen dat sprake mag zijn van maximaal één bouwlaag of bij uitzondering twee.
16. In het bestreden besluit is het advies van de commissie bezwaarschriften overgenomen. Daarin is overwogen dat rekening moet worden gehouden met de fictieve mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, dat de terraslocatie nu is omsloten door grote bomen die ook voor schaduwwerking zorgen en dat er ook gasten kunnen zijn die juist de verkoelende schaduw waarderen.
16.1.
Op de zitting is door het college erkend dat er geen onderzoek is gedaan naar de mogelijke schaduw van het gebouw op het terras van eiser 4 en dat het college de redenering die de commissie bezwaarschriften aanvoerde over schaduw van de aanwezige bomen, zonder verdere aanvulling of onderbouwing heeft gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarmee onvoldoende onderzoek gedaan naar de vraag of de komst van het gebouw gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van eiser 4. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 vanPro de Awb. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb omdat het college op de zitting een toelichting heeft gegeven op de gevolgen van de komst van het gebouw voor de bedrijfsvoering van eiser 4. Eiser 4 heeft kunnen reageren op de motivering van het college. Het is daarom niet aannemelijk dat eiser in zijn belangen is geschaad.
16.2.
Het college heeft op de zitting toegelicht dat het terras van eiser 4 naast het gedeelte van het gebouw ligt dat 10 meter hoog is. Gelet op de ligging van het gebouw en de draaiing van de aarde om de zon, kan de vergunde afwijking van de maximale hoogte van 12 meter volgens het college niet tot meer schaduw op het terras van eiser leiden.
16.3.
Op de zitting heeft eiser 4 aan de hand van de tekeningen bevestigd dat hij schaduwwerking vreest te ervaren van het gedeelte van het gebouw aan de zijde van de Markt dat 10 meter hoog wordt.
16.4.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college bij de afweging van de belangen van eiser 4 meewegen dat de negatieve gevolgen van het bouwplan op het terras ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Dat eiser 4 op basis van de welstandscriteria meende dat er slechts een gebouw van maximaal twee bouwlagen zou komen, is niet doorslaggevend. De bouwhoogte van 10 meter is bij recht toegestaan en de welstandscriteria kunnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet belemmeren. Het college mocht oordelen dat de gebruiksmogelijkheden van het terras niet onevenredig worden aangetast door de vergunde afwijkingen van de bouwhoogte, goothoogte en dakhelling.
Deze grond van eiser 4 slaagt niet.
Individuele gronden 26/1626
Maakt het bouwplan een onevenredige inbreuk op de privacy van eiser 6?
17. Eiser 6 vreest een forse inbreuk op zijn privacy omdat het bouwwerk is gelegen direct naast zijn perceel. De appartementen zullen direct zicht hebben op zijn dakterras. Het bouwplan maakt een inbreuk op het grondrecht uit artikel 8 vanPro het EVRM. De fictieve mogelijkheden van het bestemmingsplan moeten volgens eiser in verband worden gezien met de welstandscriteria waarin is opgenomen dat sprake mag zijn van maximaal één bouwlaag of bij uitzondering twee.
18. Zoals de rechtbank onder 14 al heeft overwogen mocht het college bij de besluitvorming betrekken dat binnen het bestemmingsplan al een bouwwerk met drie woonlagen mogelijk is, zodat ook zonder de nu verleende afwijking woningen zouden kunnen worden gerealiseerd die uitkijken op eisers dakterras. Het college mocht concluderen dat het woon- en leefklimaat van eiser 6 voor wat betreft de inbreuk op zijn privacy, door de nu vergunde afwijkingen, niet onevenredig wordt aangetast.
18.1.
Eiser 6 heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat verleende omgevingsvergunning een zodanige invloed op het privéleven van eiser heeft dat hiermee een inmenging in de rechten neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft plaatsgevonden. Hoewel het bouwplan van invloed zal zijn op eisers woon- en leefklimaat, is dat onvoldoende om te oordelen dat de beperkte afwijking waarvoor vergunning is verleend een zodanige negatieve invloed zal hebben op zijn woonsituatie of zijn leven zo ingrijpend zal beïnvloeden dat sprake is van schending van artikel 8 EVRMPro. Deze grond van eiser 6 slaagt niet.
Moest de vergunning geweigerd vanwege privaatrechtelijke beperkingen?
19. Verder zijn er volgens eiser 6 twee evidente privaatrechtelijke beperkingen. Door de hoogte en grootte van het bouwwerk wordt in de ochtend het zonlicht weggenomen waardoor de ochtendopbrengst van zijn zonnepanelen aanzienlijk lager zal zijn dan nu het geval is. Eiser is van mening dat door het wegnemen van zon-/daglicht onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt veroorzaakt. Verder zullen in de westgevel van het bouwwerk diverse ramen en balkons worden geplaatst in strijd met artikel 5:50, eerste lid van het BW. Gelet op die privaatrechtelijke beperkingen had de omgevingsvergunning niet kunnen worden verleend.
19. Uit vaste rechtspraak [15] volgt dat niet snel sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de verlening van een omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Dat is alleen aan de orde als deze belemmering een evident karakter heeft. Met ‘evident karakter’ wordt bedoeld dat er geen ruimte is voor twijfel aan het bestaan van de belemmering: de belemmering moet overduidelijk zijn. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een bouwplan. Dit is alleen anders als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat realisering van het bouwplan leidt tot een strijd met (zakelijke) rechten en ook vaststaat dat die privaatrechtelijke belemmering niet (door een wijziging) zal kunnen worden opgeheven.
Zonnepanelen
20.1.
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit, gelezen in samenhang met het advies van de commissie niet is ingegaan op de gevolgen van de verleende omgevingsvergunning voor de zonnepanelen van eiser 6. Het college heeft op de zitting toegelicht dat er wel een beoordeling is gedaan naar de gevolgen van de schaduwwerking op de zonnepanelen van eiser 6 maar die beoordeling zit niet in het procesdossier. Volgens het college is met behulp van de website Suncalc.org uitgerekend wat de schaduwwerking zal zijn van dat gedeelte van het gebouw dat 50 centimeter hoger zou worden dan toegestaan. Volgens het college staan de panelen in een zuid opstelling. Omdat de zon van oost via zuid naar west draait, zullen de panelen het grootste deel van de dag kunnen functioneren en mogelijk alleen in de ochtend een belemmering hebben.
20.2.
De rechtbank overweegt dat niet valt uit te sluiten dat een beroep op onrechtmatige hinder door de zonnepanelen in een civiele procedure doel zal treffen. Er is echter een beperkte toename van schaduw door het bestreden besluit en er bestaat geen recht op blijvend optimale bezonning van zonnepanelen. Voor zover de burgerlijke rechter tot het oordeel zou komen dat de belemmering van de zonnepanelen onrechtmatig is, zou eiser daar ook voor gecompenseerd kunnen worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat er ten aanzien van de gevolgen voor de zonnepanelen geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, die aan vergunningverlening in de weg staat.
Ramen westgevel
20.3.
Vergunninghouder heeft op de zitting aan de hand van de bouwtekeningen toegelicht dat in de westelijke zijgevel van het pand dat direct naast de woning van eiser 6 ligt, geen gevelopeningen zijn voorzien. Eiser 6 heeft daarop dit argument ingetrokken.
Balkons
20.4.
Op grond van artikel 5:50 vanPro het Burgerlijk wetboek is het niet geoorloofd om zonder toestemming van de eigenaar van het naburige erf binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.
20.5.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat er balkons worden gerealiseerd op de eerste en tweede verdieping op een afstand van minder dan twee meter van de grens met eiser 6. Op de zitting is door vergunninghouder aangegeven dat er nog aanpassingen kunnen worden gedaan waardoor er vanaf de balkons geen rechtstreeks zicht op het erf van eiser 6 zal zijn.
20.6.
De rechtbank overweegt dat deze omgevingsvergunning is verleend voor een verhoging van de bouwhoogte, goothoogte en dakhelling. Ook zonder de nu verleende afwijking zouden balkons kunnen worden gerealiseerd die uitkijken op eisers erf. Daarnaast is aan het wonen in een stedelijke omgeving inherent dat er enige inkijk en een zekere beperking van privacy is. De rechtbank is van oordeel dat voor zover moet worden aangenomen dat sprake is van strijd met artikel 5:50 vanPro het Burgerlijk wetboek, deze kan worden weggenomen door veranderingen aan te brengen aan of bij deze balkons. De balkons zijn dan ook geen evidente privaatrechtelijke belemmering, die aan vergunningverlening in de weg staat. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.
20.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan, voor zover van het omgevingsplan wordt afgeweken door de bouwhoogte, goothoogte en dakhelling, voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.
Conclusie en gevolgen
21. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Het college moet wel het griffierecht aan eisers vergoeden. Dit omdat eisers een aantal beroepsgronden terecht hebben voorgedragen en de rechtbank toepassing geeft aan artikel 6:22 vanPro de Awb. Eisers krijgen daarom ook een vergoeding van hun proceskosten.Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Vanwege de samenhang in de zes zaken, blijft de hoogte van de proceskostenveroordeling beperkt tot het bedrag dat in één zaak wordt toegekend, vermenigvuldigd met een factor 1,5. [16] Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Vanwege de samenhang tussen de zes zaken, is op de waarde een factor van 1,5 toegepast. [17] De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.721,-.
21.1.
Het college moet ook de reiskosten die eisers 1, 2, 4 en 6 hebben gemaakt voor het bijwonen van de zitting vergoeden. De vergoeding bedraagt op basis van de kosten van het openbaar vervoer laagste klasse voor een retour van [plaatsnaam] naar Groningen per eiser € 23,10.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan alle individuele eisersde eisers zijnde natuurlijke personen en € 385,- aan de eisers zijnde rechtspersonen(totaal € 1.164,-€ 1737,-)moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eisers
- veroordeelt college tot betaling van € 23,10 (totaal € 92,40) aan reiskosten aan eisers 1, 2, 4 en 6.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr.S. G. Steenbergen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Artikel 7:1 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1099.