De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van een woning in Stadskanaal, waar handel in drugs en een illegale horecagelegenheid werden vastgesteld. De burgemeester had de woning gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en artikel 174a van de Gemeentewet, met een sluitingsduur van zes maanden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting vanwege de aangetroffen handelshoeveelheden cocaïne en hasj, en dat de maatregel noodzakelijk was gezien de ernst van de situatie, waaronder de aanwezigheid van grote hoeveelheden drugs, wapens en handelsattributen. Ook de sociale problematiek en overlast in de wijk werden meegewogen.
De evenwichtigheid van de maatregel werd bevestigd, waarbij werd meegewogen dat verzoekers bewust het risico van sluiting hebben genomen, geen bijzondere binding met de woning hebben en dat de sluiting het doel dient om de buurt te beschermen tegen drugsgerelateerde overlast. De voorzieningenrechter verwierp het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de stelling dat de spoedeisendheid niet was aangetoond.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, waarmee de sluiting van de woning gehandhaafd blijft. De buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder blijft eveneens van kracht.