Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen
[naam 1 uit plaats]
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Samenvatting
Procesverloop
Om welke uitlatingen gaat het?
lex certa-beginsel. Op de zitting heeft de gemachtigde van [naam 1] toegelicht dat het onvoldoende duidelijk was dat [naam 1] dat wat is gezegd, niet mocht zeggen in een kerkdienst.
lex certa-beginsel. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat geen sprake is van strijd met het
lex certa-beginsel als de betrokkene had moeten weten dat hij een reëel risico liep op vervolging/ beboeting. [4] , [5] In dit verband wijst de minister erop dat [naam 1] tijdens de Bijbelstudie het volgende heeft gezegd: [6]
lex certa-beginsel verlangt van de wetgever dat hij, met het oog op de rechtszekerheid, op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedragingen omschrijft. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, voortvloeiend uit het gebruik van algemene termen, verboden gedragingen omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van die omschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden. Soms is het nodig dat een verbodsbepaling of een gebodsbepaling ruimte laat voor ontwikkelingen in een bepaalde sector, zoals in dit geval in de gezondheidszorg. [7]
lex-certabeginsel is dan ook niet geschonden en de beroepsgrond slaagt niet.
chargein de zin van artikel 6 van Pro het EVRM. In dit geval is dat 21 juli 2022, de datum vermeld in de brief waarmee de minister aan [naam 1] heeft meegedeeld dat hij het voornemen heeft om aan [naam 1] een bestuurlijke boete op te leggen naar aanleiding van het boeterapport. Daaruit volgt dat de redelijke termijn is overschreden met één jaar en negen maanden.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 10 augustus 2023, DWJZ-2022000747, wat betreft de hoogte van de boete;
- herroept het besluit van 15 november
- stelt het bedrag van de opgelegde boete vast op € 3.000,00;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 10 augustus 2023;
- bepaalt dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het griffierecht van € 187,00 aan [naam 1] moet vergoeden.