Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2023 en maakt bezwaar tegen de beschikking van de heffingsambtenaar van gemeente Midden-Groningen. De heffingsambtenaar heeft de waarde in bezwaar verlaagd van €426.000 naar €421.000 en onderbouwt dit met een taxatiematrix.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde voldoende aannemelijk heeft gemaakt met de taxatie en toelichting, ondanks enkele kritiekpunten van eiser. Echter heeft de heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekt, zoals het bijgebouwenmodel, grondstaffels, aangepaste KOUDV-factor correctiepercentages en eigen indexeringscijfers, waardoor artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden.
De rechtbank kan deze schending niet passeren omdat niet aannemelijk is dat de uitspraak op bezwaar dezelfde uitkomst zou hebben gehad indien de stukken wel waren verstrekt. Ook is artikel 8:42, eerste lid, van de Awb geschonden door het niet overleggen van relevante stukken. Desondanks handhaaft de rechtbank de WOZ-waarde omdat de heffingsambtenaar in beroep een nieuwe taxatie heeft overgelegd die de waarde ondersteunt.
Verder wijst de rechtbank het beroep van eiser af dat de proceskostenvergoeding onterecht met een factor 0,25 is verminderd. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd dat er geen sprake is van vergaande overdekking. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan blijven in stand. Eiser kan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar wegens schending van artikel 40 Wet WOZ, maar handhaaft de WOZ-waarde en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/23
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, de heffingsambtenaar.
(gemachtigde: [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 november 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 426.000 (de beschikking).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd naar € 421.000.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op 28 februari 2025 op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op 24 maart 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarbij heeft de heffingsambtenaar nadere stukken overgelegd.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam 3] .
Feiten
2. Eiser is eigenaar van de woning. Het gaat om een geschakelde twee-onder-een-kapwoning uit bouwjaar 2003 op een perceel van 295 m². De woning heeft een woonoppervlakte van 126 m² met een aanbouw van 10 m². De onroerende zaak omvat verder een overkapping van 10 m² en een garage uit bouwjaar 2003 van 25 m².
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar:
de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog heeft vastgesteld;
de informatieverplichting van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ heeft geschonden.
Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar:
de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog heeft vastgesteld;
de informatieverplichting van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ wel heeft geschonden.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
a. a) WOZ-waarde
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [1]
6. De heffingsambtenaar moet, in het licht van wat eiser heeft aangevoerd, aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
7. De heffingsambtenaar heeft in beroep ter onderbouwing van de vastgestelde WOZ-waarde een taxatiematrix overgelegd. Daarin wordt de waarde van de woning becijferd op € 421.000. Er wordt een vergelijking gemaakt met vier vergelijkingsobjecten:
[adres 2] . Dit is een geschakelde woning met een woonoppervlakte van 126 m² met een garage van 21 m² op een perceel van 295 m². Deze woning is verkocht op 2 augustus 2022 voor € 380.000. Geïndexeerd naar waardepeildatum is de verkoopprijs € 364.062.
[adres 3] in Hoogezand. Dit is een geschakelde woning met een woonoppervlakte van 129 m² op een perceel van 294 m², met verder een berging van 16 m² en een blokhut/overkapping. Deze woning is verkocht op 23 maart 2022 voor € 426.000. Geïndexeerd naar waardepeildatum is de verkoopprijs € 415.470.
[adres 4] in Hoogezand. Dit is een twee-onder-een-kapwoning met een woonoppervlakte van 128 m² met een garage van 17 m² op een perceel van 301 m², met verder een carport van 16 m² en een blokhut. Deze woning is verkocht op 14 april 2023 voor € 377.500. Geïndexeerd naar waardepeildatum is de verkoopprijs € 382.494.
[adres 5] . Dit is een twee-onder-een-kapwoning met een woonoppervlakte van 135 m² met een garage van 17 m² op een perceel van 331 m², met verder een berging van 10 m² en een overkapping van 14 m². Deze woning is verkocht op 6 maart 2023 voor € 390.000. Geïndexeerd naar waardepeildatum is de verkoopprijs € 390.000.
8. Eiser heeft in beroep het volgende naar voren gebracht:
De toegepaste indexering op de verkoopprijzen van [adres 4] en [adres 5] kunnen niet juist zijn. In een stijgende markt zal een geïndexeerde verkoopprijs van een verkoop naar waardepeildatum lager moeten zijn.
Er is geen toelichting gegeven op de m²-prijs die wordt gebruikt in de taxatiematrix. Dat moet wel op grond van de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 april 2013 en de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 16 maart 2017.
Het bijgebouwenmodel is nog steeds niet overgelegd. Daarom kan niet gecontroleerd worden of de bijgebouwen juist gewaardeerd zijn en zodoende ook niet of de waardering van het geheel juist is.
De waardering van de aangebouwde woonruimte voor € 1.500 per m² is aan de hoge kant in vergelijking met de m²-prijs voor het hoofdgebouw. Normaliter wordt voor aangebouwde woonruimte een grotere afslag gehanteerd.
9. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar de volgende toelichting gegeven op zijn taxatiematrix:
De gemiddelde prijs per m² die uit de vergelijkingsobjecten volgt is € 1.917. Voor eisers woning is van een iets lagere m²-prijs uitgegaan, namelijk € 1.851, omdat de m²prijs van het vergelijkingsobject [adres 3] een uitschieter is ten opzichte van de andere vergelijkingsobjecten.
Bij het maken van de taxatiematrix gebruik gemaakt is van openbare CBS-cijfers. Die cijfers laten rond de waardepeildatum een dip in de ontwikkeling van de huizenprijzen zien. Daarom leidt indexering van de verkoopprijzen van [adres 4] en [adres 5] naar waardepeildatum tot respectievelijk een (iets) hogere en een gelijkblijvende prijs.
Een inpandige opname is in het verleden geweigerd. Uit de verzorgde staat aan de buitenkant en de aanwezigheid van een airco-unit is afgeleid dat in de woning wordt geïnvesteerd. Daarom zijn de voorzieningen op gemiddeld gesteld.
De aangebouwde woonruimte is niet gewaardeerd middels een afslag op de m²-prijs. De waardering van de aangebouwde woonruimte is een individuele beoordeling. In dit geval is op grond van kennis en ervaring tot een waardering van € 15.000 gekomen.
10. De rechtbank overweegt als volgt. De heffingsambtenaar heeft ter zitting onbetwist gesteld dat de ontwikkeling van de huizenprijzen rondom de waardepeildatum een dip liet zien. De indexering van de verkoopprijzen is daarmee in lijn. Omdat - anders dan eiser stelt - geen sprake was van een stijgende markt, mist zijn beroepsgrond ter zake van de onjuiste indexering feitelijke grondslag.
11. In de taxatiematrix is de heffingsambtenaar voor eisers woning niet uitgegaan van de gemiddelde m²prijs van de vergelijkingsobjecten, maar hij is daar onder gaan zitten. De rechtbank kan de toelichting van de heffingsambtenaar ter zitting – dat [adres 3] iets minder meegewogen is omdat het een uitschieter is – goed volgen. Daarmee heeft de heffingsambtenaar de in de taxatiematrix gehanteerde m²-prijs voldoende onderbouwd.
12. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft ter zitting gesteld dat hij bij het opstellen van de taxatiematrix geen bijgebouwenmodel heeft gebruikt. De bijgebouwen zijn op basis van zijn eigen kennis en ervaring als taxateur gewaardeerd. Eiser heeft dit niet betwist. Eisers beroepsgrond ter zake van de oncontroleerbaarheid van de taxatiematrix wegens het ontbreken van het bijgebouwenmodel mist daarom feitelijke grondslag.
13. Voor wat betreft de waardering van de aangebouwde woonruimte is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op wat eiser heeft aangevoerd, de heffingsambtenaar met zijn toelichting ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat de waardering daarvan op € 15.000 (oftewel € 1.500 per m²) niet te hoog is.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de (in de bezwaarfase verlaagde) WOZwaarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.
15. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar het bepaalde in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden, omdat de heffingsambtenaar de volgende stukken in de bezwaarfase niet heeft verstrekt, terwijl daartoe wel een voldoende duidelijk verzoek is gedaan:
de correctiepercentages die toegepast worden wanneer de KOUDV-factoren afwijken van het gemiddelde;
de indexeringscijfers die gebruikt zijn voor het indexeren van de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten naar de waardepeildatum;
het bijgebouwenmodel waarmee de waarde van bijgebouwen wordt becijferd;
de grondstaffels gebruikt voor het waarderen van de grond bij de woning en de vergelijkingsobjecten;
de bouwtekeningen van de woning.
16. De heffingsambtenaar meent dat geen sprake is van een schending van de informatieverplichting. Ter onderbouwing voert de heffingsambtenaar het volgende aan:
Er zijn geen vaste correctiepercentages voor de KOUDV-factoren. De op het taxatieverslag toegekende sterren zijn slechts een hulpmiddel. Een taxateur maakt steeds op basis van zijn ervaring en kennis een eigen inschatting van de invloed van de KOUDV-factoren. Dat de in beroep overgelegde taxatiematrix wel een staffel bevat doet daar niet aan af.
Indexeringscijfers zijn openbare cijfers. Eiser had die zelf op kunnen zoeken. Eiser had ook zelf de toegepaste indexering kunnen berekenen. De gebruikte indexeringscijfers worden berekend door taxatiesoftware. Daarom zijn het geen gegevens als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ.
Het bijgebouwenmodel en de grondstaffels zijn in de bezwaarprocedure aan de gemachtigde van eiser toegezonden.
De bouwtekeningen zijn geen gegevens als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ. Bouwtekeningen hoeven alleen overgelegd te worden als eerst aannemelijk wordt gemaakt dat de gehanteerde objectkenmerken onjuist zijn. Verder zijn de bouwtekeningen in procedures over eerdere jaren wel al eens overgelegd.
17. De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van het bijgebouwenmodel en de grondstaffels is tussen partijen (terecht) niet in geschil dat dit gegevens zijn die de heffingsambtenaar uiterlijk bij uitspraak op bezwaar aan eiser had moeten verstrekken. Wel is in geschil of de heffingsambtenaar die verstrekt heeft. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk moet maken dat hij deze stukken verstrekt heeft. Met enkel de stelling dat deze stukken verstrekt zijn, slaagt de heffingsambtenaar niet in die bewijslast. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de heffingsambtenaar deze stukken niet heeft verstrekt. Dat betekent dan ook dat de heffingsambtenaar artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ in zoverre heeft geschonden.
18. Ten aanzien van de correctiepercentages voor de KOUDV-factoren overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat het mogelijk is dat een taxateur voorafgaande aan de vaststelling van de WOZ-waarde van een woning handmatig de correctiepercentages voor de KOUDV-factoren aanpast. Naar het oordeel van de rechtbank had, indien dat in dit geval gebeurd is, de heffingsambtenaar dan de door de taxateur aangepaste correctiecijfers moeten overleggen. Helemaal niets overleggen ten aanzien van de invloed die de KOUDV-factoren hebben gehad op de waardering is ook een schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ.
19. Ten aanzien van de indexeringscijfers overweegt de rechtbank als volgt. De heffingsambtenaar heeft in deze procedure het Verantwoordingsdocument Wet WOZ van de gemeente Midden-Groningen overgelegd. Daarin staat dat voor de indexering gebruik gemaakt wordt van eigen cijfers, niet van CBS-cijfers. De verwijzing van de heffingsambtenaar naar de openbaar raadpleegbare cijfers van het CBS gaat daarom niet op. Ook is het niet mogelijk om vanuit het taxatieverslag de indexering zelf terug te rekenen, nu enkel de overdrachtsdatums en niet de verkoopdatums op het taxatieverslag staan. De heffingsambtenaar had daarom de indexeringscijfers moeten overleggen. [3] Door dat niet te doen heeft hij ook op dit punt artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ geschonden.
20. Ten aanzien van de bouwtekeningen overweegt de rechtbank als volgt. De bouwtekeningen zijn enkel gegevens als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ indien die rechtstreeks zijn gebruikt voor het vaststellen van de in geschil zijnde WOZ-beschikking. Het dossier geeft geen aanwijzingen dat dat het geval is geweest. Het is goed mogelijk dat in het verleden gegevens van bouwtekeningen zijn gebruikt om primaire objectkenmerken te registreren in de systemen waarmee de WOZ-waarderingen worden gemaakt. Voor latere WOZ-beschikkingen is dan gebruik gemaakt van die geregistreerde gegevens. De bouwtekeningen zijn dan enkel nog een bron waaraan de heffingsambtenaar de gegevens heeft ontleend. Dergelijke bronnen hoeven niet overgelegd te worden. [4] Omdat gesteld noch gebleken is dat de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de WOZ-waarde de bouwtekeningen rechtstreeks heeft gebruikt, hoefde hij die gegevens niet op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ over te leggen.
21. Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ heeft geschonden waar het gaat om de door de taxateur aangepaste KOUDVfactor correctiepercentages, de (eigen) indexeringscijfers, het bijgebouwenmodel en de grondstaffels.
22. Een schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb indien aannemelijk is dat de uitspraak op bezwaar dezelfde uitkomst zou hebben gehad indien de heffingsambtenaar wel tijdig alle gegevens als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ zou hebben verstrekt en eiser zijn inbreng (mede) op die gegevens zou hebben gebaseerd. [5]
23. De heffingsambtenaar heeft nog steeds veel van de door eiser in de bezwaarprocedure verzochte gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde niet overgelegd. Ook in de beroepsprocedure heeft de heffingsambtenaar nagelaten de door de taxateur aangepaste KOUDV-factor correctiepercentages, de (eigen) indexeringscijfers, het bijgebouwenmodel en de grondstaffels over te leggen. Daarom kan niet gezegd worden dat aannemelijk is dat de uitspraak op bezwaar dezelfde uitkomst – zijnde een verlaging van de WOZ-waarde met € 4.000 – zou hebben gehad indien hij die gegevens tijdig had overgelegd. De rechtbank ziet daarom geen ruimte om de schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ te passeren met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb.
24. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigen, doch - gezien het oordeel over onderdeel a) WOZ-waarde - met instandlating van de (in de bezwaarfase verminderde) WOZ-waarde.
Schending van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb
25. Eiser heeft ter zitting gesteld dat de heffingsambtenaar de stukken die op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ overgelegd hadden moeten worden, ook in beroep niet heeft overgelegd. Volgens eiser is daarmee ook sprake van schending van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.
26. De rechtbank is van oordeel dat inderdaad sprake is van schending van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Tot de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. [6] De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de heffingsambtenaar een aantal stukken ter beschikking hebben gestaan, die hij (ook) in beroep niet heeft overgelegd (zie overwegingen 17 t/m 19 en 23). Zonder kennis te nemen van die stukken kan niet op voorhand gezegd worden dat die stukken niet van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. Daarom acht de rechtbank het niet overleggen van die stukken een schending van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.
27. De conclusie dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd zou in beginsel moeten leiden tot heropening van het onderzoek en het opdragen van de heffingsambtenaar om de missende stukken alsnog te overleggen. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om dat niet te doen. De rechtbank motiveert dat als volgt.
28. Bij een geschil over de WOZ-waarde rust in eerste instantie de bewijslast op de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Om invulling te geven aan die bewijslast mag de heffingsambtenaar in elke fase van de procedure een nieuwe onderbouwing geven van de vastgestelde waarde. In dit geval heeft de heffingsambtenaar dat ook gedaan. Geheel los van de eerdere waardering is ten behoeve van de beroepsprocedure de woning opnieuw getaxeerd. De missende op de zaak betrekking hebbende stukken zijn daarbij niet gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat met die nieuwe taxatie, en de toelichting daarop ter zitting, de heffingsambtenaar in zijn bewijslast is geslaagd (zie overwegingen 7 t/m 14). Gelet hierop laat het zich zeer moeilijk indenken dat de missende stukken, die zien op de waardering voorafgaand aan de vaststelling van de WOZ-beschikking, het oordeel van de rechtbank anders kunnen laten uitvallen. De rechtbank gaat daarom – uit overwegingen van proceseconomie – voorbij aan de schending van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.
In bezwaar toegekende proceskostenvergoeding
29. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar op de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding ten onrechte de in artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ (tekst 2024) opgenomen vermenigvuldigingsfactor van 0,25 heeft toegepast. Eiser stelt dat het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 zo gelezen moet worden dat hij in het kader van het derde door de Hoge Raad geformuleerde kenmerk pas hoeft te bewijzen dat zijn gemachtigde procedures niet op een zodanige wijze voert dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen (vergaande overdekking), als door zijn gemachtigde geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken. [7] Omdat geen gebruik gemaakt is van gestandaardiseerde tekstblokken, hoeft volgens eiser ook niet bewezen te worden dat er geen sprake is van vergaande overdekking. Eiser heeft ter zitting gesteld dat het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde wel de eerste twee door de Hoge Raad geformuleerde kenmerken heeft.
30. De rechtbank overweegt als volgt. Enkel de stelling over het niet werken met gestandaardiseerde tekstblokken is onvoldoende om aannemelijk te maken dat geen sprake is van vergaande overdekking. Ook als een gemachtigde niet met gestandaardiseerde tekstblokken werkt, rust nog steeds de stelplicht en bewijslast dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, tweede volzin, van de Wet WOZ op eiser. [8] Eiser moet dus, ook al werkt zijn gemachtigde niet met gestandaardiseerde tekstblokken, nog steeds bewijzen dat geen sprake is van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. [9]
31. Eiser heeft geen gegevens overgelegd op grond waarvan beoordeeld kan worden of geen sprake is van een vergaande overdekking bij zijn gemachtigde. Gelet daarop maakt eiser niet aannemelijk dat zijn gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, tweede volzin, van de Wet WOZ. De heffingsambtenaar heeft daarom terecht de factor 0,25 van artikel 30a, eerste lid, Wet WOZ toegepast.
Conclusie en gevolgen
32. Het beroep is gegrond omdat de heffingsambtenaar artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ heeft geschonden. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar, maar laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand. De heffingsambtenaar heeft immers in beroep aannemelijk gemaakt dat de in bezwaar verlaagde WOZ-waarde niet te hoog is.
33. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, tegen een waarde per punt van € 934, vermenigvuldigd met factor 0,25 op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand blijven;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiser, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 12 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.