Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Daarbij komen de volgende vragen aan de orde:
- Is de navorderingsaanslag tijdig opgelegd?
- Was de inspecteur bevoegd om de navorderingsaanslag op te leggen?
- Heeft eiser op grond van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag met Zwitserland (het Verdrag) recht heeft op een voorkoming van dubbele belasting.
4. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd, dat de inspecteur bevoegd was om de navorderingsaanslag op te leggen, en dat de navorderingsaanslag niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen is gekomen en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Is de navorderingsaanslag op tijd opgelegd?
5. Eiser stelt dat de navorderingsaanslag te laat is opgelegd. Volgens eiser is het jaar 2020 al definitief afgerond en kan de inspecteur daar niet meer op terugkomen.
6. De inspecteur stelt dat de navorderingsaanslag op tijd is opgelegd. Ter zitting heeft de inspecteur gesteld dat in dit geval de navorderingstermijn twee jaar na het opleggen van de definitieve aanslag eindigt, en dat de navorderingsaanslag binnen die termijn is opgelegd.
7. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur baseert zijn navorderingsbevoegdheid op artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). De navorderingstermijn is dan beperkt tot 2 jaar na het vaststellen van de belastingaanslag (de zogenaamde definitieve aanslag).De definitieve aanslag is vastgesteld op 10 februari 2023. Een navorderingsaanslag op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Awr kan dan opgelegd worden tot 10 februari 2025. Omdat de navorderingsaanslag voor die datum is opgelegd, namelijk op 30 november 2024, is die tijdig opgelegd.
Mocht de inspecteur een navorderingsaanslag opleggen?
8. De inspecteur stelt dat sprake is van een kenbare fout waardoor de definitieve aanslag tot een te laag bedrag is opgelegd. De fout is het niet blokkeren van de automatische afdoening en verwerking van de aangifte. Voor een dergelijk fout is navordering op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Awr volgens de inspecteur mogelijk.Dat de fout kenbaar is volgt volgens de inspecteur uit het feit dat de nagevorderde belasting ten minste 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. De kenbaarheid van de fout volgt volgens de inspecteur ook uit de communicatie over aangiften over andere belastingjaren. De inspecteur wijst specifiek op de brief van 10 september 2020 en de e-mail van 2 augustus 2021 (zie 2.9 en 2.10), waarin hij eiser al meedeelde dat hij van mening was dat eiser niet in aanmerking kwam voor aftrek elders belast voor de looninkomsten van [bedrijf] .
9. Eiser stelt dat geen sprake is van een kenbare fout. Volgens eiser moet het geautomatiseerd afdoen van zijn aangifte voor rekening van de inspecteur blijven.
10. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur stelt dat hij bevoegd was om na te vorderen op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Awr. Op grond van die bepaling kan nagevorderd worden als voldaan is aan twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat er sprake moet zijn van een fout waardoor een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of een tot een te laag bedrag is vastgesteld. De tweede voorwaarde is dat het voorgaande – dat door een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld – de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Met ‘redelijkerwijs’ wordt bedoeld dat het niet persé voor eiser kenbaar hoefde te zijn, maar dat het voor een gemiddelde belastingplichtige kenbaar moest zijn. Op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Awr is sowieso sprake van ‘redelijkerwijs kenbaar’ indien de door de fout te weinig geheven belasting ten minste 30 percent bedraagt van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting. De inspecteur moet feiten en omstandigheden stellen op grond waarvan geoordeeld kan worden dat voldaan wordt aan deze voorwaarden, en bij betwisting die feiten aannemelijk maken.
11. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat sprake is geweest van automatische afdoening en verwerking van de aangifte, en dat dat niet de bedoeling was omdat destijds nog werd geprocedeerd over de vraag of personeel van [bedrijf] op grond van artikel 15, derde lid, van het Verdrag recht heeft op een voorkoming van dubbele belasting. In deze omstandigheden is de automatische afdoening en verwerking van een aangifte naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Awr.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de fout ook redelijkerwijs kenbaar was voor eiser. Gelet op de correspondentie over het afwijken van de aangiften over eerdere jaren was het eiser redelijkerwijs kenbaar dat de inspecteur van mening was dat eiser geen recht had op de (ook in de aangifte IB/PVV 2020) opgevoerde aftrek elders belast voor zijn loon van [bedrijf] (zie 2.9. en 2.10.). De inspecteur heeft verder in zijn verweerschrift een uiteenzetting gegeven van rechtspraak over andere werknemers van [bedrijf] , waarin steeds geoordeeld is dat artikel 15, derde lid, van het Verdrag niet van toepassing is.Daarbij heeft de inspecteur er op gewezen dat hetgeen eiser stelt ten aanzien van zijn werkzaamheden, en de wijze waarop het schip waarop hij werkzaam was geëxploiteerd werd, onvoldoende is om tot toepassing van artikel 15, derde lid, van het Verdrag te komen. Daarmee maakt de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat hij niet de bedoeling had om de aftrek elders belast toe te passen. Zonder de aftrek elders belast is de verschuldigde belasting € 54.512. Volgens de definitieve aanslag is slechts € 300 belasting verschuldigd (enkel box 3). De te weinig geheven belasting bedraagt dan (afgerond) 99% van de verschuldigde belasting. De fout is dus ook redelijkerwijs kenbaar omdat de te weinig geheven belasting meer dan 30% bedraagt.
13. Gelet op het voorgaande was de inspecteur bevoegd om de navorderingsaanslag op te leggen.
Is de navorderingsaanslag te hoog vastgesteld?
14. Eiser stelt dat voor zijn loon van [bedrijf] op grond van artikel 15, derde lid, van het Verdrag aftrek ter voorkoming van dubbele belasting gegeven moet worden. De navorderingsaanslag is daarom te hoog. Eiser stelt dat hij in 2020 heeft gewerkt op het schip [naam schip] . Dat schip is een vrachtschip en legt geen pijpleidingen op de zeebodem. De rechtspraak waar de inspecteur naar verwijst is daarom niet van toepassing. Eiser heeft bij zijn beroepschrift een op 17 februari 2017 afgegeven ‘certificate of Malta registry’ overgelegd waarop onder andere staat dat de [naam schip] een vrachtschip is, en de eigenaar van het schip [eigenaar schip] is.
15. De inspecteur stelt dat de navorderingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. De inspecteur stelt dat eiser moet bewijzen dat hij recht heeft op de geclaimde aftrek elders belast op grond van artikel 15, derde lid, van het Verdrag. Eiser heeft daarvoor onvoldoende aangevoerd. Hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft hij niet onderbouwd met stukken. De inspecteur wijst verder op de rechtspraak over andere werknemers van [bedrijf] , waarin steeds geoordeeld is dat artikel 15, derde lid, van het Verdrag niet van toepassing was.
16. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 15, derde lid, van het Verdrag mag de beloning die een inwoner van één van de verdragsluitende staten verkrijgt ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, worden belast in de verdragsluitende staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen. De woonstaat van de werknemer moet voor deze inkomsten voorkoming van dubbele belasting verlenen op grond van artikel 22, tweede lid, van het Verdrag.
17. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 volgt dat voor toepassing van artikel 15, derde lid, van het Verdrag vereist is dat sprake is van een dienstverband dat wordt uitgeoefend aan boord van een schip dat zo geëxploiteerd wordt dat de resultaten die daarmee worden behaald rechtstreeks verband houden met commercieel vervoer van personen en goederen per schip in internationaal verkeer, en daarmee samenhangende en bijkomstige activiteiten.
18. Eiser doet een beroep op een voor hem gunstige bepaling, namelijk artikel 15, derde lid, van het Verdrag. Daarom moet hij de feiten en omstandigheden stellen, en gelet op de betwisting door de inspecteur aannemelijk maken, op grond waarvan die bepaling toepassing vindt.
19. Eiser heeft alleen gesteld dat hij op een vrachtschip werkte dat geen pijpleidingen op de zeebodem legde. Dat is onvoldoende om tot toepassing van artikel 15, derde lid, van het Verdrag te kunnen komen. Uit de stellingen van eiser kan de rechtbank niet afleiden dat het schip zo wordt geëxploiteerd dat de resultaten daarvan rechtstreeks verband houden met commercieel vervoer van personen en goederen per schip in internationaal verkeer, of daarmee samenhangende en bijkomstige activiteiten. Eisers beroepsgrond kan niet slagen.
Belastingrente
20. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.