Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2290

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/2065
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:97 BWArt. 6:98 BWArt. 8:72 AwbArt. 3:2 AwbArt. 10 lid 2 TwG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging heffingsbesluit doorbelasting waardedaling onverkochte woningen NAM

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de doorbelasting aan NAM van waardedalingsschade die het Instituut Mijnbouwschade Groningen heeft vergoed voor woningen in het vierde kwartaal van 2020 en 2021. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de waardedaling van onverkochte woningen, begroot met peildatum 1 januari 2019, aan NAM kan worden doorbelast.

NAM betwist dit en verwijst naar een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 juli 2019, waarin is geoordeeld dat de waardedaling van onverkochte woningen nog niet abstract kan worden begroot vanwege het ontbreken van een geofysisch stabiele toestand. De rechtbank sluit zich hierbij aan en oordeelt dat de wijze van doorbelasting niet overeenstemt met deze prejudiciële beslissing. De Minister moet een nieuw besluit nemen, waarbij zij moet onderbouwen of inmiddels wel sprake is van een voldoende stabiele situatie.

Verder oordeelt de rechtbank dat de afbakening van het waardedalingsgebied en de toegepaste Atlas-methode voor verkochte woningen zorgvuldig en passend zijn. NAM's bezwaar tegen de gehanteerde methodiek voor verhuurde woningen wordt verworpen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het onverkochte woningen betreft en wijst de Minister op het motiveringsbeginsel en de noodzaak tot het overleggen van een sluitend overzicht van aanvragen en vergoedingen.

De rechtbank veroordeelt de Minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan NAM en draagt op tot het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van deze uitspraak.

Uitkomst: Het heffingsbesluit voor waardedaling van onverkochte woningen wordt vernietigd en de Minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2065

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., uit Assen, eiseres, NAM

(gemachtigden: mr. M.L. de Vries Lentsch, mr. J.E. van Uden, mr. W.L.J. Willemsen, mr. J.M. Vreeken en mr. V.M. Schippers),
en
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties(voorheen: de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), verweerder, de Minister
(gemachtigden: mr. T.W. Franssen, mr. M.T. Beumer en mr. F.T.A. Hutter).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan NAM opgelegde heffingsbesluiten waarmee de door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (het Instituut) vergoede waardedaling van woningen in Q4 (vierde kwartaal) 2020 en 2021 aan haar is doorbelast. De rechtbank zal in deze uitspraak ingaan op de verschillende punten die partijen verdeeld houden.
1.1.
NAM heeft van 2014 tot 2020 waardedalingsschade afgehandeld via de
Regeling waardedaling.Die regeling zag op verkochte woningen. Het belangrijkste geschilpunt in deze zaak gaat over de vraag of de door het Instituut gemaakte kosten in verband met vergoede waardedaling van onverkochte woningen kunnen worden doorbelast.
1.2.
Het Instituut heeft een regeling gemaakt voor het begroten van de waardedaling van woningen met als peildatum 1 januari 2019. Op basis van deze regeling is een vergoeding voor waardedaling uitgekeerd die in beginsel definitief is en niet kan worden teruggevorderd. De Minister vindt dat NAM dit moet betalen en wijst onder meer op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2018, waartegen door NAM niet in cassatie is gegaan.
1.3.
NAM vindt dat de minister deze kosten niet kan doorbelasten, omdat de regeling verder gaat dan de civielrechtelijke aansprakelijkheid van NAM. NAM verwijst hiervoor onder meer naar een door de Hoge Raad op 19 juli 2019 genomen prejudiciële beslissing.
1.4.
De rechtbank zoekt bij haar oordeel aansluiting bij de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 juli 2019 en is van oordeel dat de wijze waarop de waardedaling nu voor wat betreft onverkochte woningen is doorbelast daarmee niet overeenstemt. De Hoge Raad heeft op 19 juli 2019 overwogen dat er nog geen sprake is van een voldoende stabiele toestand om waardedaling van onverkochte woningen te begroten. Dit betekent dat het doorbelasten van kosten aan NAM niet kan als de waardedaling is begroot met als peildatum 1 januari 2019. De Minister moet een nieuw besluit nemen. Als de Minister vindt dat er inmiddels wel sprake is van een voldoende stabiele toestand om de waardedaling van onverkochte woningen te begroten, is het aan de Minister om dat uit te leggen en te onderbouwen.

Procesverloop

2. Met het besluit van 7 juni 2022 heeft de Minister een heffing aan NAM opgelegd voor door het Instituut vergoede waardedalingsschade in Q4 2020. Dit gaat om een bedrag van € 180.636.591,94. [1] NAM heeft op 18 juli 2022 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.1.
Met het besluit van 15 juli 2022 heeft de Minister een heffing aan NAM opgelegd voor door het Instituut vergoede waardedalingsschade in 2021. Dit gaat om een bedrag van € 314.326.740,17. [2] NAM heeft op 18 augustus 2022 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.2.
Op 15 februari 2024 heeft NAM het bezwaar tegen beide besluiten aangevuld. Op 13 september 2024 is een hoorzitting gehouden.
2.3.
Met het bestreden besluit van 28 april 2025 op het bezwaar van NAM heeft de Minister beide heffingsbesluiten in stand gelaten.
2.4.
NAM heeft op 2 juni 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft op 18 juni 2025 een regiezitting gehouden in de zaak met nummer 24/3332. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.L. de Vries Lentsch en mr. J.E. van Uden als gemachtigden van NAM, [naam] en [naam] namens NAM en mr. T.W. Franssen en mr. I.M. van der Heijden als gemachtigden van de Minister. Op de regiezitting zijn ook afspraken gemaakt over het aanleveren van processtukken in onderhavige procedure.
2.6.
Op 16 september 2025 zijn de beroepsgronden aangevuld.
2.7.
Op 24 december 2025 heeft de Minister op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 18 en 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van NAM, [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam] namens NAM, de gemachtigden van de Minister, prof. dr. C.C. Koopmans als deskundige aan de zijde van NAM en dr. J.P. Poort als deskundige aan de zijde van de Minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. De rechtbank heeft in de uitspraak in zaaknummer LEE 24/3332 de achtergrond geschetst van schadeafhandeling door het Instituut per 1 juli 2020. Met betrekking tot het te toetsen heffingsbesluit over waardedaling slaat de rechtbank verder acht op het navolgende.
3.1.
Na de beving van Huizinge van 16 augustus 2012 (met een sterkte van 3.6 op de schaal van Richter) zijn er diverse onderzoeken opgestart, die hebben geresulteerd in een rapport van het KNMI en het SodM. Bij brief van 25 januari 2013 is door de Minister van Economische Zaken bericht dat het KNMI er steeds van uit is gegaan dat de maximale sterkte van door gaswinning geïnduceerde aardbevingen 3,9 op de schaal van Richter zou zijn, maar dat het KNMI nu heeft aangegeven dat de maximaal mogelijke sterkte niet te schatten is op basis van historische gegevens van de aardbevingen in het Groningenveld. Het SodM schatte de kans dat er binnen een jaar een beving van 3,9 of hoger plaats zou vinden op 7 procent. [3] In de als bijlage gevoegde brief van 22 januari 2013 is dit geclassificeerd als een hoog risico.
3.2.
Bij brief van 17 januari 2014 is door de Minister van Economische Zaken bericht dat onderzoek door Ortec Finance in het derde kwartaal van 2013 een statistisch significante waardedaling laat zien ten opzichte van de referentiegebieden en dat de aangekondigde regeling voor compensatie van waardedaling in werking zal treden. [4] In het bijgevoegde akkoord
“Vertrouwen op Herstel en Herstel van Vertrouwen”is op p. 4 het volgende vermeld:
“Voorzover er een directe of indirecte relatie bestaat tussen de aardschokken enerzijds en geleden waardedaling van huizen door bevingen bij gaswinning is een regeling ontwikkeld om individuele (ook nieuwe) huiseigenaren in Noordoost-Groningen te compenseren in geval van gerealiseerde waardedaling. De regeling sluit aan bij het moment van verkoop.”NAM heeft van maart 2014 tot juni 2020 de afhandeling van waardedalingsschade uitgevoerd via de
Regeling Waardedaling. [5]
3.3.
Op 24 januari 2014 is de Stichting Waardevermindering door Aardbevingen Groningen (WAG) bij de civiele kamer van deze rechtbank een zaak begonnen tegen NAM om ook waardedaling voor onverkochte woningen vergoed te krijgen. Deze rechtbank heeft op 2 september 2015 een vonnis gewezen en daarbij overwogen dat (abstracte) begroting van waardedalingsschade van onverkochte woningen mogelijk was. [6]
3.4.
NAM is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan. Op 23 januari 2018 heeft ook het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) geoordeeld dat begroting van waardedalingsschade van onverkochte woningen mogelijk was. Het Hof heeft daartoe overwogen dat:
“voor de toelaatbaarheid van abstracte schadebegroting in dit geval voldoende is dat de schade een voldoende structureel karakter heeft, dat begroting van de schade mogelijk is en niet op onoverkomelijke bezwaren vanuit het oogpunt van doelmatigheid stuit en dat de gelaedeerden belang hebben bij abstracte schadebegroting.” [7] Aan deze voorwaarden was volgens het Hof voldaan. Tegen dit arrest is geen cassatie ingesteld, waardoor dit arrest van het Hof onherroepelijk is geworden.
3.5.
Op 24 april 2018 heeft NAM een nieuwsbericht uitgebracht [8] , waarin het volgende is vermeld:
“NAM heeft besloten niet in beroep te gaan bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van het Hof Leeuwarden/Arnhem van 23 januari 2018 in de zaak over de vergoeding van waardevermindering van huizen door aardbevingen in Groningen. Deze zaak is in 2014 door de Stichting WAG en andere belanghebbenden aangespannen. (….)
NAM-Directeur Gerald Schotman: “NAM vergoedt alle schade die het gevolg is van aardbevingen; dat geldt ook voor waardedaling. De Minister heeft aangegeven te onderzoeken dat waardedaling onderdeel wordt van het publieke schadefonds. NAM ondersteunt dit initiatief omdat dit tegemoet komt aan een brede wens van de Groningers en andere betrokkenen om NAM uit het systeem van schadevergoeding te halen.”
3.6.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft vervolgens op 1 september 2018 de commissie Hammerstein ingesteld, met als opdracht advies uit te brengen over een publiekrechtelijke regeling voor de compensatie van waardedaling van woningen als gevolg van bevingen in het gaswinningsgebied in Groningen. Deze onafhankelijke adviescommissie bestaat uit mr. F. Hammerstein (voorzitter), onder meer voormalig raadsheer in de Hoge Raad, prof. dr. J. Rouwendal, hoogleraar vastgoedeconomie aan de Vrije Universiteit en prof. dr. P. Boelhouwer, hoogleraar huisvestingssystemen aan de TU Delft.
3.7.
Ten tijde van deze adviesaanvraag was bij de civiele kamer van deze rechtbank een zaak aanhangig, waarin in de dagvaarding onder meer schade door waardevermindering van de woning werd gevorderd. [9] Bij tussenvonnis van 10 oktober 2018 [10] heeft de rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. Eén van die vragen is: “
Kan waardedaling van een woning als gevolg van het risico op aardbevingen als gevolg van gaswinning aangemerkt worden als schade waarvoor de exploitant aansprakelijk is, ook als de schade zich nog niet heeft gemanifesteerd bij verkoop van die woning en, zo ja, wat is de peildatum voor de begroting voor dergelijke schade?”
3.8.
De commissie Hammerstein is nadien, in het eerste advies van 24 april 2019, tot de conclusie gekomen dat de methode van onderzoeksbureau “Atlas voor gemeenten” (hierna: Atlas) het beste paste bij de gehanteerde uitgangspunten en het meest geschikt is ter uitvoering van het arrest van het Hof. [11]
3.9.
Op 10 mei 2019 heeft A-G Wattel een breed opgezette conclusie [12] uitgebracht naar aanleiding van de door deze rechtbank gestelde prejudiciële vragen. In zijn conclusie benoemt de A-G ten eerste het beleidsvoornemen van de Minister om het advies van de commissie Hammerstein te volgen en het daarop volgende beleid van het Instituut. Deze prejudiciële procedure is volgens de A-G daarom de gelegenheid voor de Hoge Raad om richting aan dit beleid te geven. De A-G heeft over de mogelijkheid om schade van onverkochte woningen te begroten verder het volgende geschreven:
“Ongerealiseerde en daardoor moeilijk of niet bepaalbare waardedaling van een woning als gevolg van het door potentiële kopers gepercipieerde risico van toekomstige aardbevingen door gaswinning zou mijns inziens (nog) niet moeten worden aangemerkt als schade waarvoor de exploitant (al) aansprakelijk is; daarvoor is realisering van de waardevermindering nodig doordat zij zich heeft gemanifesteerd door prijsvorming op de markt. De vele en grote bezwaren tegen abstraheren van realisatie van het gestelde nadeel acht ik overtuigend. Het gaat hier -zoals Hartkamp het verwoordt in zijn opinie voor NAM- niet om dogmatiek over concrete of abstracte schadeberekening, toekomstige of actuele schade, dan wel ingetreden of niet ingetreden schade, maar om de vraag of de schade naar haar aard (al) voor vergoeding in aanmerking komt. De betekenis van de gestelde schadefactoren kan door hun verband met toekomstige onzekere gebeurtenissen niet voldoende worden bepaald (net als in het geval [...] /EMI), zodat de schadebegroting uit te stellen ware tot realisering of, als realisering uitblijft, tot na afloop van een te bepalen effect-uitdooftermijn, bijvoorbeeld vijf jaar na volledige staking van de gaswinning in het Groningenveld.” [13]
3.10.
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van de gestelde vragen op 19 juli 2019 een prejudiciële beslissing genomen. [14] In die beslissing komt de Hoge Raad tot het oordeel dat begroting van waardedalingsschade van onverkochte woningen op dat moment niet mogelijk is. De Hoge Raad heeft daarover het volgende overwogen:
“2.11.4. Voor het begroten (…) is vereist dat sprake is van een – min of meer – stabiele situatie. Met betrekking tot de woningen die zich boven het Groningenveld bevinden, betekent dit dat een geofysisch voldoende stabiele toestand moet zijn bereikt. Alleen dan is immers voldoende zeker dat significante schommelingen in de waarde van de woning die samenhangen met het risico op bodembeweging, zullen uitblijven.
2.11.5.
In het Groningenveld is thans geen sprake van een geofysisch voldoende stabiele toestand. De omvang van de schade die bestaat in waardevermindering van de woningen is daarom afhankelijk van nog niet voldoende bepaalbare gebeurtenissen of omstandigheden in de toekomst. De gaswinning wordt afgebouwd, maar is nog niet gestaakt. (…).
2.11.8.
De Hoge Raad merkt op dat zijn in het antwoord (…) vervatte oordeel berust op de toepasselijke regels van burgerlijk recht. (…) Het laat (…) onverlet dat de Staat en NAM/EBN het initiatief kunnen nemen om met betrokken partijen (waaronder belangenorganisaties die benadeelden vertegenwoordigen) een regeling overeen te komen die, afhankelijk van wat passend is in een individueel geval, voorziet in een tegemoetkoming, voorschot, uitkoopregeling en/of garantie dat de schade vergoed wordt zodra deze kan worden begroot.”
3.11.
In oktober 2019 is door Atlas het onderzoek
“Zeven bewogen jaren”uitgebracht. [15] Dit onderzoek bouwt voort op de vier eerdere onderzoeken die Atlas sinds 2015 heeft uitgevoerd naar de gevolgen van bevingen op de huizenprijzen. [16]
3.12.
Op 14 november 2019 heeft de commissie Hammerstein een tweede advies uitgebracht. Dat advies is ingegaan op de geactualiseerde versie van het model van Atlas en op het antwoord van de Hoge Raad op de prejudiciële vragen. In het advies is onder meer het volgende vermeld:
“De adviescommissie merkt op dat de Hoge Raad de mogelijkheid van een bestuursrechtelijke regeling kennelijk heeft aanvaard. Naar het oordeel van de adviescommissie is een dergelijke regeling ook noodzakelijk met het oog op de aard van de schade en het grote aantal benadeelden.” [17]
3.13.
In het vierde kwartaal van 2020 is het Instituut begonnen vergoedingen uit te keren voor waardedaling van onverkochte woningen op basis van de waardedalingsregeling. Op grond van die waardedalingsregeling, opgenomen in de Procedure en Werkwijze van het Instituut, wordt naast een vergoeding voor verkochte woningen, ook een waardedalingsvergoeding voor onverkochte woningen in het vastgestelde waardedalingsgebied toegekend. [18] Die vergoeding wordt begroot aan de hand van de Atlas-methode “Zeven bewogen jaren” op basis van een modelmatige abstracte berekening. Hierbij wordt een vaste peildatum van 1 januari 2019 gehanteerd. De waarde van de onverkochte woning op die peildatum wordt vergeleken met de waarde die de woning op die peildatum volgens de abstracte, modelmatige berekening zou hebben gehad zonder het effect van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten.
Heffingsbevoegdheid
4. In de uitspraak over de heffingsbesluiten voor fysieke schade van Q3 en Q4 2020 (zaaknummer LEE 24/3332) heeft de rechtbank geoordeeld dat als het Instituut de taken en bevoegdheden overeenkomstig de in artikel 15 genoemde Pro artikelen uit de Tijdelijke wet Groningen (TwG) uitvoert, de Minister op grond van artikel 15 TwG Pro, dat een gebonden bevoegdheid betreft, voornoemde heffing oplegt. Het te nemen besluit volgt daarmee uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden. [19] De rechtbank verwijst voor verdere onderbouwing hiervan naar de uitspraak in zaaknummer LEE 24/3332.
Atlas-methode
5. De rechtbank stelt vast dat ook de door NAM ingeschakelde deskundigen het model van Atlas het meest geschikt achten om de hoogte van financiële compensatie voor waardedaling te bepalen en opschrijven dat het
“uitermate helder en gedetailleerd is als het aankomt op de gemaakte afwegingen, de gehanteerde dataselectie en de verschillende modelspecificaties”en
“de resultaten robuust zijn.” [20] In het verslag van de hoorzitting in bezwaar van 13 september 2024 leest de rechtbank verder terug dat
“NAM het niet oneens is met de keuze voor het Atlas-model”. [21]
(On)verkochte woningen
6. NAM stelt in beroep wel dat het Instituut ten onrechte heeft besloten om waardedaling bij onverkochte woningen te begroten en te vergoeden. Verder bestrijdt NAM (in deel C van het beroepschrift) een aantal door het Instituut gemaakte (beleids)keuzes ten aanzien van de wijze waarop de waardedalingsschade is begroot voor zowel verkochte als onverkochte woningen.
De rechtbank zal onder 7 en 8 die (beleids)keuzes bespreken voor zover die, behalve voor onverkochte woningen, ook van belang zijn voor verkochte woningen. Eerst zal namelijk worden ingegaan op verkochte woningen. Daarna zal worden ingegaan op het geschil over onverkochte woningen.
Afbakening waardedalingsgebied
7. Het Instituut heeft voor de afbakening van het waardedalingsgebied in 2020 en 2021 gebruikgemaakt van het hiervoor (onder 3.11) genoemde onderzoek van Atlas. Het risicogebied in dat rapport is bepaald door eerst alle vierpositiepostcodegebieden vast te stellen waar minimaal éénmaal fysieke mijnbouwschade is vergoed. De waardeontwikkeling van woningen in dit gebied is vergeleken met de waardeontwikkeling van vergelijkbare referentiewoningen buiten het potentiële risicogebied. Op basis van die vergelijking is vastgesteld in welke vierpostcodegebieden met statistische zekerheid sprake is van waardedaling van woningen door de ligging in een gebied met risico op aardbevingen. De uitkomst van het onderzoek is geweest dat in gebieden met 40% of meer geaccepteerde schadeclaims, een statistisch significant prijseffect werd gevonden. In gebieden met tussen de 20% en 40% geaccepteerde schadeclaims was het effect statistisch niet significant in positieve of negatieve zin, en kon een negatief prijseffect niet worden uitgesloten. In gebieden met minder dan 20% geaccepteerde schadeclaims kon een significant prijseffect wel worden uitgesloten, daar wordt juist een statistisch positief effect gevonden. [22]
Figuur 1. Percentage geaccepteerde schadeclaims, “Zeven bewogen jaren”, p. 24.
Figuur 2. Mogelijke afbakeningsgebieden genoemd in “Zeven bewogen jaren”, p. 26.
7.1.
Op advies van de commissie Hammerstein heeft het Instituut het risicogebied afgebakend op het gebied waarin sprake was van een schade-intensiteit van 20% of meer (inclusief de eilanden), plus de enclaves.
7.2.
NAM stelt kortgezegd dat het Instituut een te ruime afbakening heeft gekozen door het waardedalingsgebied af te bakenen als het aaneengesloten 20%-gebied. Het Instituut had volgens NAM moeten kiezen voor een afbakening op het 40%-gebied, omdat alleen daar een significant negatief prijseffect kon worden gevonden. Ook hadden de enclaves, met een schade-intensiteit van minder dan 20%, volgens NAM niet aan het gebied toegevoegd mogen worden.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat het Instituut het waardedalingsgebied kon afbakenen op het zogenaamde aaneengesloten 20%-gebied. Daartoe overweegt de rechtbank ten eerste dat in het rapport van Atlas aanleiding kon worden gevonden om het risicogebied af te bakenen op het 20%-gebied en niet op het 40%-gebied. Atlas concludeert immers:
“deze grens geeft de meest ruime afbakening van het risicogebied die in overeenstemming is met de empirie.” [23] In het gebied met een schade-intensiteit van 20% en meer kon een negatief prijseffect op woningen namelijk niet worden uitgesloten, zoals Poort ook schrijft in zijn deskundigenbericht van 22 december 2025 bij het verweerschrift.
7.4.
Ook kon het Instituut in het rapport van Atlas aanleiding vinden de enclaves tot het risicogebied te laten behoren. Deze zes enclaves zijn postcodegebieden met een schade-intensiteit van minder dan 20%, die geheel omsloten worden door postcodegebieden met een schade-intensiteit van meer dan 20%. Twee van deze enclaves betreffen nieuwe postcodegebieden die pas sinds 2017 bestaan en waar dus ook pas sinds 2017 schademeldingen konden worden geregistreerd. [24] Verder zag Atlas aanleiding om de enclaves bij het risicogebied te betrekken, omdat
“Een deel van één van de enclaves één maal een grondsnelheid van meer dan 5 mm/s [heeft] ervaren (kaart 3.1) en twee maal een grondsnelheid van meer dan 2,9 mm/s (kaart 3.3), terwijl ook de andere enclaves een grondsnelheid boven 2,9 mm/s hebben ervaren.” [25] In het deskundigenbericht bij het verweerschrift schrijft Poort verder dat het “
het niet plausibel en moeilijk uitlegbaar is, dat op een locatie geen waardedaling is, terwijl deze volledig ingesloten ligt tussen locaties waar wel waardedaling is.” [26]
7.5.
Artikel 6:97 BW Pro geeft de rechter de bevoegdheid om de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat. Aan het Instituut komt als instantie met een semi-rechterlijke taak een vergelijkbare bevoegdheid toe. Het Instituut heeft zich bij de afbakening van het gebied laten adviseren door onderzoeksbureau Atlas en een multidisciplinair samengestelde commissie, de commissie Hammerstein. Het heeft aan de hand daarvan het gebied afgebakend op een grens waarbuiten geen schade is te verwachten. Deze wijze van afbakening is naar het oordeel van de rechtbank daarmee op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut wat betreft de verkochte woningen ook binnen de toepasselijke civielrechtelijke en bestuursrechtelijke kaders is gebleven en invulling heeft gegeven aan de opdracht om bij de afwikkeling van mijnbouwschade ruimhartigheid te betrachten zoals die is neergelegd in artikel 10 lid 2 TwG Pro. Voor toepassing van ruimhartigheid kan ook grondslag in het BW worden gevonden via de ruime toerekening op grond van artikel 6:98 BW Pro. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de Minister door het Instituut uitgekeerde waardedalingsvergoedingen voor verkochte woningen in het aaneengesloten 20%-gebied kon doorbelasten.
7.6.
NAM heeft in het beroepschrift verder naar voren gebracht dat bij verhuurde woningen een andere methode van schadebegroting dient te worden toegepast, die rekening houdt met de beperkingen en kasstromen die voortvloeien uit verhuur. Volgens NAM dient de waardedaling te worden berekend op basis van de
discounted cash flow-methodeen heeft de Atlas-methode tot een significante overcompensatie geleid. Bij dit alles is benadrukt dat (primair) geldt dat ook bij verhuurde woningen alleen waardedalingsschade kan worden vergoed bij de verkoop van de woning.
De Minister heeft in het bestreden besluit naar voren gebracht dat het model overzichtelijk en toepasbaar blijft door geen uitzondering te maken voor woningen in verhuurde staat. Daarbij is gewezen op de verschillende varianten van verhuur of andere rechten van gebruik en bewoning en dat er geen forfaitaire afslag op de WOZ-waarde kan worden toegepast. Ook is er op gewezen dat een verhuurder de keuze heeft om zijn woning pas te verkopen na afloop van een huurovereenkomst of om de woning met of aan de huurder te verkopen. In het verweerschrift is dit nader uitgewerkt en is gewezen op de diverse praktische bezwaren bij de methode die NAM voorstelt.
7.7.
De rechtbank leest in het beroepschrift dat de
discounted cash flow-methodedoor taxateurs, hypotheekverstrekkers en de Belastingdienst gebruikt worden om de waarde vast te stellen. Wat Atlas evenwel heeft gedaan is iets anders; namelijk onderzoeken waar zich prijseffecten (gebiedseffect en bevingseffect) met betrekking tot woningen voordoen in een gebied waar geïnduceerde aardbevingen voorkomen. De Minister wijst er daarbij terecht op dat de commissie Hammerstein in het uitgebrachte advies van 24 april 2019 op p. 25-26 onder het kopje
“Uitzonderingen/bijzondere categorieën”niet de particuliere verhuurder heeft geschaard. Het Instituut stond vervolgens voor een keuze en heeft Atlas de meest geschikte methode geacht om, ongeacht de vraag of een woning (tijdelijk) is verhuurd, waardedaling van woningen te begroten. [27] Als het gaat om
“het ideale model”leest de rechtbank op p. 63 van eerder (in noot 19) genoemd rapport van SEO:
“In praktijk gelden praktische beperkingen en moeten keuzes gemaakt worden. Hierdoor ontstaan afwijkingen van dit theoretische ideaal.”
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat het Instituut op grond van artikel 6:97 BW Pro de ruimte heeft om bij de wijze van begroting ook bij verhuurde woningen aan te sluiten bij de wetenschappelijk gevalideerde Atlas-methode. De rechtbank volgt NAM dan ook niet in -het door de Minister bestreden- standpunt dat anders had moeten worden begroot.
7.8.
Daarmee komt de rechtbank toe aan het standpunt van NAM dat ten onrechte “gemiddelde” coëfficiënten worden toegepast op de periode van 16 augustus 2012 tot de verkoopdatum. Dit sluit volgens NAM niet aan bij de werkelijke situatie van de individuele woningeigenaar. De uitwerking van de beroepsgrond is verder voornamelijk gericht op onverkochte woningen. Voor zover de beroepsgrond ook wordt aangevoerd ten opzichte van verkochte woningen ziet de rechtbank in de uitgewisselde standpunten, en de overgelegde deskundigenberichten, geen grond voor het oordeel dat er een te hoog percentage is gehanteerd voor de verkochte woningen. Ook hier moest een keuze worden gemaakt. Atlas heeft ook in eerdere rapporten gemiddelde prijseffecten gebruikt. [28] Voor zover NAM -met het in de pleitnota (onder 24) gegeven voorbeeld- meent dat dit voor verkochte woningen geen juiste keuze (meer) kan zijn, heeft Poort in de reactie van onder meer 22 december 2025 en de daarin op p. 10 weergegeven tabel [29] voldoende laten zien dat dit voorbeeld zich niet voordeed bij de (toen) meest bekende recente data. Zo is geschetst dat de waardedaling (gebiedseffect + bevingsbelasting) voor 2018 wat negatiever uitvalt dan voor andere jaren, maar overlapt met de bandbreedte van het één-periode-model. Voor zover de beroepsgrond ziet op verkochte woningen slaagt deze dan ook niet.
Onzekerheidstoeslag
8. In het model van Atlas wordt de waardedaling geschat. In het model zijn de mediane waarden van de twee prijseffecten (gebiedseffect en bevingseffect) weergegeven, die ook wel de puntschatting worden genoemd. Dit gaat om een schatting, niet om de werkelijke omvang van de waardedaling. De commissie Hammerstein heeft geadviseerd het percentage waardedaling volgens de puntschatting te verhogen met eenmaal de standaardfout, omdat volgens de commissie bij het vaststellen van de waardedaling de onzekerheidsmarge in het voordeel van de benadeelde dient te zijn. Het Instituut heeft dit advies gevolgd. NAM stelt dat voor het ophogen van de puntschatting met eenmaal de standaardfout geen econometrische of andere wetenschappelijke basis bestaat en ook geen juridische grondslag kan worden gevonden.
8.1.
De rechtbank overweegt als volgt. NAM bestrijdt niet dat de puntschatting een mediane waarde betreft. Dit betekent dat de kans 50% is dat de werkelijke waarde hoger ligt en er 50% kans is dat de werkelijke waarde lager ligt. Dat betekent dat er een kans van 50% op ondercompensatie is bij gebruik van de puntschatting. Toepassing van de onzekerheidstoeslag, door de puntschatting met eenmaal de standaardfout te verhogen, verkleint het risico op ondercompensatie tot 16%. Ook dat is door NAM niet bestreden. Bovendien was de standaardfout in het model van Atlas niet groot. Verder is niet bestreden dat het, zo staat in het verweerschrift op p. 146, om een relatief kleine extra uitkering gaat.
Gelet hierop kon het Instituut naar het oordeel van de rechtbank de keuze maken om de onzekerheidstoeslag toe te passen om het risico te verkleinen dat benadeelden een te lage compensatie zouden krijgen. Hetgeen hiervoor in 7.5. is overwogen met betrekking tot de afbakening van het gebied, geldt ook hier. De rechtbank is van oordeel dat de Minister de waardedaling die voor wat betreft verkochte woningen is toegekend met toepassing van de onzekerheidstoeslag terecht heeft doorbelast aan NAM. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Onverkochte woningen
9. Onder 3.13 is beschreven dat het Instituut in het vierde kwartaal van 2020 is begonnen vergoedingen uit te keren voor waardedaling van onverkochte woningen. Tussen partijen is in geschil of de waardedaling van onverkochte woningen op de door het Instituut gehanteerde peildatum van 1 januari 2019 abstract kon worden begroot.
9.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat dat niet het geval is, omdat de Hoge Raad op 19 juli 2019 in antwoord op de gestelde prejudiciële vragen tot de beslissing is gekomen dat de omvang van de schade die bestaat in waardevermindering van de onverkochte woningen die zich boven het Groningenveld bevinden, in het algemeen -op dat moment- nog niet abstract kon worden begroot. Het was op dat moment niet
“voldoende zeker dat significante schommelingen in de waarde van de woning die samenhangen met het risico op bodembeweging zullen uitblijven.” [30]
9.2.
De Hoge Raad heeft over (verdere) daling in r.o. 2.11.5. het volgende overwogen:
“De gaswinning wordt afgebouwd maar is nog niet gestaakt. In mei en juni 2019 hebben zich nog aardbevingen voorgedaan met een kracht van 2 of hoger op de schaal van Richter. In ieder geval zolang een voldoende stabiele toestand uitblijft, zullen deze omstandigheden een (verdere) negatieve invloed kunnen hebben op het bedrag dat potentiële kopers voor een woning gelegen boven het Groningenveld willen betalen. Hierbij kan ook een rol spelen dat burgers, onder wie potentiële kopers, (nog) geen groot vertrouwen hebben in een snelle en correcte afwikkeling door NAM/EBN en de Staat van de met bodembeweging gepaard gaande schade.”
9.3.
De Hoge Raad heeft daar in dezelfde r.o. 2.11.5. tegenover gezet dat de waarde ook weer kan stijgen:
“Hier staat tegenover dat niet is uit te sluiten dat als gevolg van de afbouw van de gaswinning in de nabije toekomst de bodembewegingen in aantal en zwaarte afnemen, en dat de woningen boven het Groningenveld ten opzichte van de huidige situatie, los van de algemene marktontwikkelingen, weer in waarde zullen toenemen.”
9.4.
De rechtbank volgt de Minister niet in het standpunt dat de Hoge Raad onvoldoende informatie had om een goed oordeel over het vraagstuk te geven omdat voorafgaand aan het arrest van het Hof van 23 januari 2018 een veel uitvoerigere en met stukken van deskundigen omklede discussie was gevoerd. Het arrest van het Hof was immers bij de Hoge Raad bekend [31] en daaraan is ook aandacht besteed in de uitvoerige conclusie van A-G Wattel. Het standpunt van de Minister dat de Hoge Raad geen feitenrechter is en daarom niet kan vaststellen of sprake is van een geofysisch stabiele toestand maakt dit niet anders. De rechtbank leest de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad zo dat de Hoge Raad daarmee handvatten heeft willen bieden om te bepalen wanneer waardedalingsschade voor onverkochte woningen kan worden begroot. Aan de hand van die handvatten zou op een later moment in een concrete zaak kunnen worden vastgesteld dat op dat moment wél voldoende zeker is dat significante schommelingen in de waarde van de woning die samenhangen met het risico op bodembeweging zullen uitblijven. Op 19 juli 2019, en daarmee ook op 1 januari 2019, welke datum in de regeling als peildatum wordt gehanteerd, was die mate van zekerheid er echter niet.
10. Deze uitspraak komt er -kort gezegd- op neer dat de wijze waarop nu voor de onverkochte woningen is doorbelast niet overeenstemt met de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad. De rechtbank overweegt in dat kader nog het volgende.
10.1.
De bevoegdheid om beleid te ontwikkelen is het Instituut expliciet toegekend in artikel 10 TwG Pro. Ook de Hoge Raad biedt in de prejudiciële beslissing ruimte voor het treffen van een regeling op het gebied van waardedaling bij onverkochte woningen, die voorziet in een tegemoetkoming of het toekennen van een voorschot, zodra die kan worden begroot. [32]
10.2.
De rechtbank begrijpt de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad zo dat het afzien van een definitieve, abstracte, begroting van waardedaling bij onverkochte woningen is ingegeven omdat zowel in het voordeel van de benadeelde (verdere daling), als in het voordeel van de exploitant (vanwege stijging) zich veranderingen in de waarde kunnen voordoen.
10.3.
Als het gaat om verdere daling heeft de Hoge Raad gewezen op bevingen in mei en juni (waarbij zich op 22 mei 2019 een beving voordeed met een sterkte van 3.4 op de schaal van Richter) en het gebrek aan vertrouwen in een snelle en correcte afwikkeling door NAM/EBN en de Staat van de met bodembeweging gepaard gaande schade. Het Instituut heeft dit in de beleidsregel ondervangen door in art. 3.5 lid 4 de volgende uitzondering te maken op het finale karakter van de vergoeding [33] :
“Het Instituut is van oordeel dat bevingen en de daaruit voortvloeiende prijseffecten als voorzienbaar moeten worden beschouwd, en dus geen aanleiding vormen om de toegekende vergoeding voor waardedaling te heroverwegen, indien deze bevingen een magnitude hebben van minder dan 4, tenzij binnen een periode van 365 aaneengesloten kalenderdagen ten minste twee bevingen optreden met een magnitude van 3,6 op de schaal van Richter of meer.”
10.4.
Het Instituut heeft aan de regeling geen voorwaarden verbonden die ertoe kunnen leiden dat de uitgekeerde waardevermindering kan worden teruggevorderd als de waarde van de woning weer stijgt. Deze beleidskeuze, die duidelijkheid biedt aan woningeigenaren, is vanuit beleidsmatige en maatschappelijke overwegingen begrijpelijk en past ook binnen het door de commissie Hammerstein gegeven advies. NAM heeft in dit kader ook gewezen op Kamerstukken [34] waarin is benadrukt dat de afhandeling zo is ingericht dat de discussie tussen de Staat en Shell en ExxonMobil of NAM geen gevolgen heeft voor gedupeerden. Dit betekent, in lijn met hetgeen de rechtbank al onder 9.1 heeft overwogen, evenwel niet dat de door het Instituut gemaakte kosten die zien op de omvang van de waardedaling bij onverkochte woningen onverkort kunnen worden doorbelast aan NAM. Hier speelt het door NAM gemaakte onderscheid tussen een regeling aan de
“voordeur”en de civielrechtelijke aansprakelijkheid van NAM aan de
“achterdeur”.
10.5.
Artikel 2 lid 6 TwG Pro staat eraan in de weg dat toegekende vergoedingen op basis van een dergelijke beleidskeuze, voor zover die niet binnen de toepasselijke kaders van het BW passen, op grond van artikel 15 TwG Pro kunnen worden doorbelast aan NAM. In artikel 2 lid 6 TwG Pro staat -voor zover hier van belang- namelijk dat het Instituut deze taken en verantwoordelijkheden uitvoert met toepassing van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Dit omvat mede de jurisprudentie waarin uitleg is gegeven aan deze bepalingen. [35] De door de Hoge Raad op 19 juli 2019 gegeven beslissing berust op de toepasselijke regels van burgerlijk recht. Deze beslissing houdt in dat op 19 juli 2019, en daarmee dus ook per
1 januari 2019 (de gehanteerde peildatum), de omvang van de schade die bestaat uit waardevermindering van de onverkochte woningen op het Groningenveld, nog niet abstract kon worden begroot. Ook het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest van 11 juni 2024 geoordeeld geen reden te zien om af te wijken van het oordeel van de Hoge Raad en daarbij overwogen dat de Hoge Raad bekend was met het arrest van 23 januari 2018, maar bewust een andere keuze had gemaakt dan het Hof. [36] Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is één-op-één doorbelasting van de door het Instituut in Q4 2020 en 2021 toegekende waardedalingsvergoedingen voor onverkochte woningen om die reden niet mogelijk.
10.6.
Het bestreden besluit komt ten aanzien van de onverkochte woningen dan ook voor vernietiging in aanmerking.
11. De rechtbank ziet zich, gelet op artikel 8:72 lid 3 sub a van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor de vraag gesteld of de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Om deze vraag te beantwoorden is, gelet op de onder 9.3. opgenomen overweging over mogelijke waardestijging, allereerst inzicht nodig in de algemene marktontwikkelingen na afbouw van de gaswinning. De rechtbank heeft daarover onvoldoende informatie. Zo is er geen rapport van Atlas waaruit blijkt hoe de waarde ten aanzien van de woningen waar de doorbelasting op ziet zich na
19 juli 2019 heeft ontwikkeld en of het thans doorbelaste bedrag aan waardevermindering (dat tot stand komt door op een gekozen peildatum een percentage waardevermindering te vermenigvuldigen met de WOZ-waarde) in de loop der tijd niet is gedaald. Zo stelt NAM terecht dat de nu gebruikte peildatum niet de effecten meeweegt van het besluit om de productie in Groningen eerder te beëindigen. Er is verder geen berekening die inzicht biedt in de hoogte van de waardedalingsschade van de in de heffingsbesluiten betrokken onverkochte woningen als gebruik wordt gemaakt van de meest recente beschikbare WOZ-waarden. Ook is niet duidelijk wat het tijdsverloop betekent voor de gemaakte beleidskeuzes voor onverkochte woningen. Er is in deze procedure door de Minister immers betoogd dat 1 januari 2019 al een juiste peildatum is. Reeds daarom kan niet beslist worden dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.
12. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om het primaire besluit te herroepen, zoals NAM heeft verzocht. Dat de waardedalingsschade van onverkochte woningen niet op de peildatum van 1 januari 2019 (finaal) kon worden begroot, betekent namelijk niet dat begroting van waardedalingsschade van onverkochte woningen in het geheel niet mogelijk is. Zoals ook de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing onder verwijzing naar jurisprudentie benoemt, is het mogelijk geacht om bij de vaststelling van schade die bestaat uit waardevermindering van een woning, buiten beschouwing te laten dat de eigenaar de woning niet heeft verkocht. [37] Het is dus mogelijk de schade abstract te begroten, maar pas als voldoende zeker is dat significante schommelingen in de waarde van de woning die samenhangen met het risico op bodembeweging zullen uitblijven. Op dat moment kan de omvang van de begrote waardedalingsschade voor onverkochte woningen wél aan NAM worden doorbelast. Voor zover het dan begrote bedrag lager ligt dan de door het Instituut in Q4 2020 en 2021 toegekende waardedalingsvergoedingen, kan het verschil tussen die twee bedragen niet aan NAM worden doorbelast.
13. De rechtbank ziet in dat een finale beslechting van het geschil geholpen zou zijn met het bepalen van een peildatum waarop wél abstract kan worden begroot. Niet voor niets vroeg de rechtbank al op 10 oktober 2018 -in de onder overweging 3.7. aangehaalde prejudiciële vraag- aan de Hoge Raad:
“wat is de peildatum voor de begroting voor dergelijke schade?”Gelet op de bestuursrechtelijke context van het geschil is het evenwel eerst aan de Minister om hierover een gemotiveerd standpunt in te nemen.
14. Nu de rechtbank van oordeel is dat de waardedalingsschade ten aanzien van onverkochte woningen nog niet kon worden begroot, komt de rechtbank niet toe aan het bespreken van de overige beroepsgronden voor zover die de onverkochte woningen betreffen.
Motiveringsbeginsel (informatievoorziening)
15. De rechtbank volgt NAM verder in haar standpunt dat een sluitend overzicht van het aantal aanvragen, het aantal afwijzingen en het aantal vergoedingen ontbreekt. Daartoe overweegt de rechtbank dat in elk geval een overzicht van de onverkochte en verkochte woningen noodzakelijk is om te overleggen, nu de rechtbank hiervoor tot het oordeel is gekomen dat het bestreden besluit moet worden vernietigd ten aanzien van de onverkochte woningen. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 Awb Pro. De Minister dient deze informatie in het nieuw te nemen besluit op bezwaar alsnog te overleggen en te betrekken.
Overige beroepsgronden
16. Nu de rechtbank het bestreden besluit ten aanzien van de onverkochte woningen heeft vernietigd, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden over de berekening van waardedaling van (onverkochte) woningen, de uitvoeringskosten van de vergoeding van de waardedaling van onverkochte woningen en artikel 1 EP Pro EVRM. Daartoe overweegt de rechtbank dat wat zij hiervoor heeft overwogen mogelijk aanleiding kan zijn voor de Minister om een nieuw onderzoek door Atlas te laten uitvoeren. Op voorhand is niet duidelijk of een dergelijk onderzoek ook invloed zou kunnen hebben op de vraag of er waardedaling is en de eventuele hoogte daarvan.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is gegrond, omdat de waardedalingsschade voor onverkochte woningen, die is doorbelast aan NAM, niet op de peildatum van 1 januari 2019 begroot kon worden. Daarnaast heeft de Minister onvoldoende informatie overgelegd en daarmee in strijd met het motiveringsbeginsel gehandeld. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
17.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72 lid 4 Awb Pro dat de Minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
17.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de Minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
De Minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), op de regiezitting van 18 juni 2025 is over de voortgang van deze procedure gesproken (0,5 punt) en op de zitting van 18 maart (1 punt) en 19 maart 2026 (0,5 punt) is de zaak inhoudelijk behandeld. Omdat de zaak een zeer zwaar gewicht heeft, is op de waarde een factor van 2 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 5.604,- (6 punten x € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 april 2025;
- draagt de Minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de Minister het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de Minister tot betaling van € 5.604,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, mr. M.A.B. Faber-Siermann en mr. D.M. Schuiling, leden, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie in dit kader ook de Regeling van 1 juni 2022,
2.Zie in dit kader ook de Regeling van 28 juni 2022,
5.Aanvullend beroepschrift, § 13, p. 11.
6.Rb. Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185.
7.Hof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618, r.o. 8.111.
8.Welke als bijlage 22 bij het verweerschrift is gevoegd.
9.Deze dagvaarding en schriftelijke opmerkingen van partijen (in de zaak tussen eisers en de Staat, NAM, EBN en Maatschap Groningen) op de prejudiciële vragen zijn als bijlagen overgelegd in onderhavige procedure.
10.Rb. Noord-Nederland, 10 oktober 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:4009.
11.Bijlage 23 bij het verweerschrift.
12.Concl. A-G P.J. Wattel 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496.
13.Concl. A-G P.J. Wattel 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496, par. 1.3.7a.
14.HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.
15.Bijlage 21 bij het verweerschrift.
16.In noot 21 van het aanvullend beroepschrift verwijst NAM als volgt naar deze onderzoeken: (i) M. Bosker e.a., "Schokken de prijzen? Relatieve huizenprijsontwikkeling in het aardbevingsgebied in Groningen en de invloed van aardbevingen en aardbevingsrisico", 25 mei 2015, Atlas/Rijksuniversiteit Groningen, (ii) M. Bosker e.a., "Met angst en beven. Verklaringen voor dalende huizenprijzen in het Groningse aardbevingsgebied", 14 april 2016, Atlas, (iii) M. Bosker e.a., "Vijf jaar na Huizinge. Het effect van aardbevingen op de huizenprijzen in Groningen", 16 oktober 2017, Atlas, (iv) M. Bosker e.a., "Nog altijd in beweging. Het effect van aardbevingen op de huizenprijzen in Groningen per 1-1-2018", december 2018, Atlas.
17.Bijlage 24 bij het verweerschrift, p. 7. Zie ook
18.Bijlage 4 en 5 bij het aanvullend beroepschrift.
19.Vgl. ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:334.
20.SEO-rapport 2020-56, p. 35 en p. 63-64 (bijlage 1 bij aanvullend bezwaarschrift 15 februari 2024).
21.Bijlage 11 van de gedingstukken, p. 4.
22.J. Poort e.a.,
23.J. Poort e.a.,
24.J. Poort e.a.,
25.J. Poort e.a.,
26.Bijlage 40 bij het verweerschrift, p. 19.
27.Zie ook: de door de Minister in het verweerschrift aangehaalde arresten (voetnoot 126): HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0707; HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5651, r.o. 3.4.2.
28.Vgl. stuk NAM in de prejudiciële procedure, bijlage 38 bij het verweerschrift, p. 111.
29.Bijlage 40 bij het verweerschrift.
30.HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.
31.Zie ook: schriftelijke opmerkingen eisers over vraag 7 (bijlage 37, p. 62 t/m 67).
32.HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, onder 2.11.5.
33.Bijlage 4 bij het aanvullend beroepschrift.
36.Hof 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3857, r.o. 4.4.
37.HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.11.3.