AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet
De burgemeester van de gemeente Eemsdelta heeft een woning gesloten van 10 april 2026 tot en met 2 juli 2026 op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de vondst van een handelshoeveelheid softdrugs en vuurwerk. Verzoeker, eigenaar en bewoner van de woning, maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om de sluiting te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat de duur van drie maanden in overeenstemming is met het gemeentelijke Damoclesbeleid. Ondanks het tijdsverloop van vier maanden tussen constatering en sluiting, acht de rechter de maatregel nog geschikt en noodzakelijk, mede vanwege meldingen van drugshandel na de politie-inval.
Verzoeker stelde dat de drugs voor eigen gebruik waren en dat de sluiting onevenredige gevolgen had, zoals het verlies van woonrecht en omgang met zijn minderjarige dochter. De rechter achtte deze stellingen onvoldoende onderbouwd en vond dat de belangen van de burgemeester bij het tegengaan van drugscriminaliteit zwaarder wegen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de woningsluiting wordt afgewezen en de woning blijft gesloten tot 2 juli 2026.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1407
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam uit woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. F.H. Kappelhof),
en
de burgemeester van de gemeente Eemsdelta, de burgemeester
(gemachtigden: B.P. Koster en S. Abels).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de sluiting van een woning aan de [adres] (de woning). De burgemeester heeft de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten van 10 april 2026 tot en met 2 juli 2026. Verzoeker is eigenaar en bewoner van de woning. Hij is het niet eens met de sluiting. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 26 maart 2026 heeft de burgemeester gelast de woning drie maanden te sluiten en gesloten te houden, met ingang van 10 april 2026 om 15.00 uur tot en met 2 juli 2026 om 15.00 uur .Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. Gelet op de aard van de zaak is niet in geschil dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
Feiten
4. Op 11 december 2025 ontving de politie een anonieme melding over de woning. Daar zou illegaal vuurwerk liggen. Op 11 december 2025 heeft de politie de woning betreden. In de woning zijn 57 gram hennep, 232 gram hasjiesj, 2 hennepplanten en 7 Dumbums (categorie F4 vuurwerk) gevonden. Daarnaast zijn verpakkingsmaterialen zoals gripzakjes en een weegschaal aangetroffen. In een bestuurlijke rapportage van 4 februari 2026 heeft de politie de burgemeester hierover geïnformeerd.
Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
5. De bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten wordt door verzoeker niet betwist en staat vast.
Is de sluiting in overeenstemming met het gemeentelijke beleid?
6. Sluiting van de woning voor de duur van drie maanden is in overeenstemming met het ‘Damoclesbeleid gemeente Eemsdelta 2023’ (de beleidsregels). Volgens hoofdstuk drie van de beleidsregels gaat de burgemeester, wanneer het gaat om een eerste constatering, bij het aantreffen van een handelshoeveelheid softdrugs boven 100 gram over tot een sluiting van een woning voor een duur van drie maanden. Nu in de woning 57 gram hennep, 232 gram hasjiesj en 2 hennepplanten zijn aangetroffen komt een sluiting van drie maanden overeen met het beleid. Dat in het besluit staat dat de woning wordt gesloten van 2 april 2026 tot en met 2 juli 2026 (12 weken in plaats van 3 maanden) is volgens de burgemeester een vergissing en geen bewuste afwijking van het beleid.
Heeft de burgemeester gebruik kunnen maken van de sluitingsbevoegdheid?
7. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) overweegt in de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is. [1] Het doel van de maatregel omvat het beëindigen van de overtreding van de Opiumwet en de negatieve gevolgen daarvan, alsmede het voorkomen van herhaling van die overtreding. Wanneer de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet in een concreet geval bevoegd is om deze sanctie op te leggen zal hij moeten beoordelen of dat in de gegeven omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Hier zal hij telkens moeten beoordelen of het optreden evenredig is. Specifieker beantwoordt hij de vraag of de sluiting van een woning en de duur ervan, met het oog op de beoogde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de burgemeester, wat betekent dat hij bij zijn besluit alle betrokken belangen moet afwegen. Gelet op de forse inbreuk op (grond)rechten die een woningsluiting met zich mee kan brengen zal de rechterlijke toetsing van het besluit doorgaans indringend zijn.
Is sluiting van de woning een geschikt en noodzakelijk middel?
8. Volgens de Afdeling kan het tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding en het moment waarop de burgemeester werkelijk tot sluiting overgaat ertoe leiden dat een sluiting redelijkerwijs niet meer kan bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet worden gediend. [2] Wanneer de burgemeester de beoogde doelen niet langer kan bereiken, omdat de onrechtmatige situatie al is hersteld, is sluiting een ongeschikt middel. De burgemeester zal telkens moeten beoordelen of sluiting van de woning (nog) een geschikt middel is, waarbij hij het tijdsverloop in samenhang met de overige omstandigheden in aanmerking dient te nemen. Hierbij is irrelevant aan wie het tijdsverloop te wijten is.
9. Wat betreft de noodzaak van een woningsluiting gaat het volgens de Afdeling om de vraag of de burgemeester ook met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus moeten volstaan. [3] Dit is het geval wanneer de beoogde doelen ook hadden kunnen worden bereikt met het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing. De burgemeester bekijkt dit in het kader van de onder 7 genoemde doelen bij het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet, maar betrekt hierbij ook de overige effecten die de overtreding heeft op de omgeving. Verschillende omstandigheden zijn van belang, waaronder de aard en de hoeveelheid van de aangetroffen drugs, de risico’s daarvan op verdere criminaliteit, of het gaat om hard- of softdrugs, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, de feitelijke bekendheid als drugspand, de toeloop, overlast en (gevoelens van) onveiligheid bij omwonenden, of er in de nabije omgeving al vaker drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit hebben voorgedaan, of aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en of de woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Het tijdsverloop weegt ook mee bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting.
10. Verzoeker betoogt dat zich in dit geval geen van de omstandigheden voordoen die de Afdeling in de overzichtsuitspraak relevant acht bij de beoordeling van de noodzaak tot sluiting. Er is weliswaar sprake van een grotere dan gebruikelijke hoeveelheid softdrugs, maar er zijn geen klachten van buren, geen criminaliteit en geen eerdere drugsgerelateerde veroordelingen. Er zijn geen indicaties die erop wijzen dat de woning daadwerkelijk een plaats heeft in de keten van drugshandel. Verzoeker heeft de drugs aangeschaft voor eigen gebruik en heeft deze nooit verkocht aan anderen. Hij heeft, in strijd met de waarheid, bij de politie verklaard dat hij zelf geen drugs gebruikte, omdat hij bang was voor de gevolgen en zo snel mogelijk naar huis wilde. Daarnaast is de overtreding reeds beëindigd en de onrechtmatige situatie al lang hersteld. Nu de huiszoeking heeft plaatsgevonden op 11 december 2025 en de feitelijke sluiting pas op 10 april 2026 is ook sprake van een onredelijk tijdsverloop waardoor de sluiting niet kan worden aangemerkt als een geschikt en noodzakelijk middel.
11. Over de noodzaak zet de burgemeester in het bestreden besluit uiteen dat het sluiten van de woning meerdere doelen dient. Om te beginnen gaat het om het beëindigen van de overtreding en het voorkomen van recidive, het wegnemen van de bekendheid van het pand als drugspand en het (in het algemeen) verminderen van drugscriminaliteit. Daarnaast geeft de sluiting een duidelijk signaal aan criminelen en buurtbewoners dat de overheid resoluut optreedt tegen drugscriminaliteit. Deze doelen zouden met een minder ingrijpend middel niet worden bereikt nu sprake is van een zogenaamde ernstige situatie. De burgemeester verwijst hierbij naar de parlementaire geschiedenis van artikel 13b van de Opiumwet, de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 [4] , en naar zijn eigen beleid. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2019 [5] stelt de burgemeester dat hij mocht aannemen dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, nu de aangetroffen hoeveelheid softdrugs de grens voor een handelshoeveelheid ruim overschreden is. De burgemeester stelt dat verzoeker het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt en acht hierbij van belang dat het betoog in de zienswijze van (de vader van) verzoeker tegenstrijdig is met zijn verklaringen bij de politie. Gezien het geheel van omstandigheden meent de burgemeester dan een woningsluiting het aangewezen middel is, ongeacht de vraag of ter plaatse overlast of feitelijke handel is geconstateerd.
12. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het sluiting van de woning zowel een geschikt als noodzakelijk middel is om de beoogde doelen te bereiken. Hiertoe overweegt hij als volgt.
13. Tussen de constatering van de overtreding op 11 december 2025 en de feitelijke sluiting op 10 april 2026 liggen vier maanden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het tijdsverloop van vier maanden in dit geval niet zodanig lang is dat de beoogde doelen van een de woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet niet langer konden worden bereikt met dit middel. Daarbij is van belang dat er over een langere periode (vanaf 15 september 2025 tot 29 januari 2026) meldingen zijn van drugshandel vanuit en aanloop naar de woning. De laatste melding is van na de instap op 11 december 2025. Deze wijst erop dat de woning, ook na de instap nog altijd een rol vervulde in de keten van drugshandel. De burgemeester mocht ervan uitgaan dat de overtreding ten tijde van de sluiting nog niet was beëindigd en daarom mocht de burgemeester de sluiting van de woning een geschikt middel achten.
14. De voorzieningenrechter vindt voor de noodzaak tot sluiting allereerst van belang dat er in de woning in totaal 289 gram softdrugs en 2 hennepplanten zijn aangetroffen. Deze hoeveelheid overschrijdt de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik, waardoor de burgemeester er van uit mocht gaan dat sprake was van feitelijke handel en dit tevens kon kwalificeren als een ernstig geval. Dat deze hoeveelheid drugs is aangeschaft voor eigen gebruik acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Verzoeker en (namens hem) zijn vader hebben daarover verschillende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Bij de politie heeft verzoeker verklaard dat hij de drugs heeft aangeschaft om te gaan verkopen, omdat hij dat vroeger ook deed. Daarnaast zijn gripzakjes en een weegschaal aangetroffen. Deze attributen wijzen erop dat de drugs vanuit de woning werden verhandeld. Deze veronderstelling wordt versterkt door vier meldingen die bij de politie zijn gedaan, waarin wordt geschetst dat drugs werden verkocht vanuit de woning, dat er veel bezoekers in- en uitlopen en waarin verzoeker bij naam wordt genoemd. Dat in de bestuurlijke rapportage, zoals verzoeker opmerkt, veel aandacht wordt besteed aan het aangetroffen vuurwerk en de daaraan verbonden risico’s klopt wel, maar doet hier niet aan af. In de bestuurlijke rapportage worden namelijk ook duidelijk de soort en hoeveelheid aangetroffen softdrugs beschreven, alsmede de door de politie ontvangen meldingen. Ten slotte noemt de politie expliciet de grondslag van artikel 13b van de Opiumwet als optie om handhavend op te treden. Nu de juistheid van de bestuurlijke rapportage door verzoeker niet wordt betwist en de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om aan de juistheid te twijfelen mocht de burgemeester deze informatie ten grondslag leggen aan zijn besluit. Dit geheel van omstandigheden leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat ook aan het noodzakelijkheidscriterium is voldaan.
Is het sluiten van de woning evenwichtig?
15. Volgens de Afdeling moet de burgemeester in het kader van de evenwichtigheid de voor bewoners negatieve gevolgen afwegen tegen de met de sluiting te bereiken doelen. [6] Een woningsluiting heeft in de regel verstrekkende gevolgen voor de bewoner(s) nu deze per definitie een inmenging met artikel 8 vanPro het EVRM behelst. De burgemeester dient aan deze gevolgen dan ook een zwaar gewicht toe te kennen wanneer hij beoordeelt of hij gebruik mag maken van zijn bevoegdheid. Een sluiting met zware nadelige gevolgen is echter niet zonder meer onevenwichtig. Omstandigheden die van belang kunnen zijn in verband met de evenwichtigheid zijn onder meer de mate van verwijtbaarheid van de getroffenen, de aanwezigheid van minderjarige kinderen, of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben, het tijdsbestek waarin de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer gebruik van de woning kunnen maken.
16. Verzoeker betoogt dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen met zich meebrengt. Zo wordt om te beginnen zijn woonrecht en eigendomsrecht geschonden, wat een forse inbreuk op zijn rechten inhoudt. Daarnaast dreigt verzoeker, zoals eerder genoemd, op straat terecht te komen. Het sociale gevolg is voor verzoeker dat hij ten onrechte een stempel van drugshandelaar krijgt. De situatie heeft er ook toe geleid dat hij momenteel geen omgang met zijn minderjarige dochter kan hebben, omdat de moeder dit niet toestaat zo lang verzoeker geen eigen woning heeft. Hierom vreest verzoeker voor de toekomst en in het bijzonder voor vervreemding van zijn dochter. Deze omstandigheden staan volgens verzoeker niet in een evenredige verhouding met de aangetroffen hoeveelheid softdrugs.
17. De burgemeester merkt in het algemeen op dat een sluiting met veel nadelige gevolgen niet per definitie onevenwichtig is. Ook verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 [7] , waarin een woningsluiting van zes maanden niet onevenwichtig wordt geacht in een geval waar geen feitelijke handel werd geconstateerd, maar wel andere indicatoren in het kader van de noodzaak aanwezig waren. Vervolgens gaat hij in op de door de vader van verzoeker ingediende zienswijze. Hierin staat dat de softdrugs voor eigen gebruik zijn aangeschaft, maar dit is tegenstrijdig met wat door verzoeker bij de politie is verklaard. De burgemeester is, gelet op de hoeveelheid en de aangetroffen attributen, niet overtuigd van dit standpunt. Van een bijzondere binding met de woning is volgens de burgemeester ook niet gebleken.
18. Ten aanzien van de evenwichtigheid van het besluit overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat het feit dat verzoeker de woning moet verlaten gedurende de sluiting inherent is aan de maatregel. Dat dit een inmenging in het woon- en eigendomsrecht van verzoeker vormt, is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid die maakt dat de gevolgen van de maatregel onevenwichtig zijn. De voorzieningenrechter acht van belang dat verzoeker eigenaar is van de woning. Dit betekent dat verzoeker op 2 juli 2026 naar zijn woning kan terugkeren. Het betoog van verzoeker dat de sluiting de omgang met zijn dochter belemmert leidt niet tot de conclusie dat de sluiting onevenwichtig is. De dochter van verzoeker woont bij haar moeder en niet in de woning. Ter zitting is gebleken dat verzoeker momenteel geen omgangsregeling heeft. Nu er geen kinderen op het adres staan ingeschreven en verzoeker ter zitting heeft verklaard dat zijn dochter haar hoofdverblijf bij de moeder heeft is het belang van het kind reeds veiliggesteld. Daarnaast heeft verzoeker niet onderbouwd, afgezien van de kale stelling dat moeder dit weigert, waarom hij niet op een andere locatie omgang met zijn dochter kan hebben. Verzoeker heeft aangegeven dat hij sinds de sluiting bij een kennis met drie kinderen logeert in een klein appartement. Ter zitting heeft hij nogmaals verklaard dat daar te weinig ruimte is en dat de kennis deze constructie ook onhoudbaar acht. De voorzieningenrechter heeft oog voor het feit dat dit geen ideale situatie is. Maar gesteld noch gebleken is dat daardoor daadwerkelijk problemen zijn ontstaan. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat hij niet bij zijn vriendin kan verblijven, maar niet is gebleken dat hij anderszins heeft gezocht naar vervangende woonruimte om de resterende zes weken te overbruggen. Tot slot weegt mee dat verzoeker pas ongeveer zes weken na het besluit van 26 maart 2026 en ongeveer drie weken na de ingang van de sluiting heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Kennelijk was de urgentie niet heel hoog. Als gevolg daarvan duurt de sluiting, te rekenen vanaf de dag van deze uitspraak, nog vijf weken. Tegenover de genoemde belangen van verzoeker staat het belang van de burgemeester bij het beëindigen van de overtreding en het in bredere zin optreden tegen drugscriminaliteit. Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester dit belang heeft mogen laten prevaleren en acht de voorzieningenrechter het sluiten van de woning evenwichtig.
Conclusie en gevolgen
19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat hij het besluit van de burgemeester niet zal schorsen en de woning gesloten blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van V.M. de Koning, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.