ECLI:NL:RBNNE:2026:2766

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
K/4303/12253069
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:650 BWArt. 7:651 BWArt. 7:653 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op overtreding concurrentiebeding en staking bouwplaatsbeveiliging

De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland behandelde een kort geding tussen een beveiligingsbedrijf en voormalige werknemers die een eigen onderneming waren gestart. De werknemers hadden een concurrentiebeding in hun arbeidsovereenkomst en waren volgens de werkgever in strijd hiermee door bouwplaatsbeveiliging aan te bieden via hun eigen bedrijf.

De kantonrechter oordeelde dat de aanvullende afspraken over werkzaamheden niet schriftelijk waren overeengekomen en daarom niet zelfstandig konden worden afgedwongen. Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst bleef echter geldig. De levering van PIR-detectiesystemen door de ex-werknemers viel onder bouwplaatsbeveiliging en was daarmee verboden.

De kantonrechter beval de verwijdering van deze systemen binnen 24 uur en verbood de ex-werknemers om gedurende de looptijd van het concurrentiebeding concurrerende activiteiten te verrichten. Tevens werd een dwangsom opgelegd bij overtreding en werden de proceskosten aan de ex-werknemers opgelegd.

Uitkomst: Ex-werknemers worden verboden bouwplaatsbeveiliging aan te bieden in strijd met het concurrentiebeding en moeten binnen 24 uur PIR-detectiesystemen verwijderen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: 12253069 \ VV EXPL 26-44
Vonnis in kort geding van 6 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. G. Berghuis,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. M.P.R. van Dalen.
De kern van de zaak
[gedaagden] hebben tot de zomer van 2025 gewerkt in dienst van [eisende partij] . In hun arbeidsovereenkomst staat een concurrentiebeding. Tijdens hun dienstverband hebben [gedaagden] afspraken gemaakt met [eisende partij] over het opstarten van een eigen onderneming en bij uitdiensttreding is hier opnieuw over gesproken. Volgens [eisende partij] houden [gedaagden] zich niet aan het concurrentiebeding en de gemaakte afspraken. Zij vordert daarom dat [gedaagden] stoppen met de overtreding en dat zij zich voortaan houden aan het concurrentiebeding. [gedaagden] betwisten dat zij het concurrentiebeding en de afspraken overtreden. De kantonrechter geeft [eisende partij] grotendeels gelijk en legt hieronder uit waarom.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 13 producties
- de mondelinge behandeling van 22 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van [eisende partij] , waarin zij haar eis heeft vermeerderd en waarbij zij producties 14 en 15 heeft ingediend
- de spreekaantekeningen van [gedaagden] , waarbij zij een productie hebben ingediend.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is een onderneming die zich bezighoudt met het beveiligen van bouwplaatsen.
2.2.
[gedaagden] zijn op respectievelijk 1 juli 2019 en 9 januari 2020 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van [eisende partij] . In hun beide arbeidsovereenkomsten staat het volgende beding opgenomen:
Het is de werknemer zonder voorgaande schriftelijke toestemming van de werkgever verboden om binnen de Benelux, Duitsland, Frankrijk, Engeland, Schotland en Ierland, gedurende vijf jaren na het einde van de overeenkomst direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, tegen vergoeding of om niet, in enigerlei vorm werkzaam te zijn in of voor, of betrokken te zijn (financieel) belang te hebben bij enige onderneming met activiteiten die (soort)gelijk, aanverwant of concurrent zijn met die van werkgever. (…)
Indien de werknemer handelt in strijd met het in dit artikel bepaalde, verbeurt hij, zo nodig in afwijking van artikel 7:650 leden Pro 3, 4 5 BW overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:650 lid 1 BW Pro, aan de werknemer, zonder dat enige ingebrekestelling vereist is, voor iedere overtreding een boete ten bedrage van €15.000 , vermeerderd met €1.000 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van de werkgever om in plaats daarvan volledige schadevergoeding te vorderen, zulks met inachtneming van artikel 7:651 BW Pro en onverminderd het recht van de werkgever om nakoming van dit beding en stopzetting van (de) overtreding(en) te vorderen.
2.3.
In april 2021 hebben [gedaagden] een voorstel aan [eisende partij] gedaan dat inhield dat zij, naast hun werkzaamheden voor [eisende partij] , met een eigen onderneming timelapse video’s zouden gaan aanbieden aan klanten. In dit voorstel staat, voor zover van belang:
Wat?Losse camera’s leveren die elke 15 minuten tussen 7:00 en 17:00 een foto opslaan. Na het project zal van deze beelden een video worden gemaakt die te gebruiken is voor marketingdoeleinden. (…)
Het verschil tussen een timelapse camera en de UFO?De timelapse camera heeft als functie om beelden op te slaan om hier een video van de maken. ’s avonds zal je geen beeld hebben omdat het donker is. De UFO heeft als doel om het terrein buiten werktijden in de gaten te houden en hier actie op te ondernemen waar nodig.
Waarom denken wij dat dit een aanvulling is op de verhuur van UFOs?Naast het verhuren van een UFO kan het verhuren van een webcam ervoor zorgen dat we in contact komen met verschillende personen binnen een bedrijf en hierdoor klanten aan ons binden. Uit ervaring blijkt dat er bepaalde klanten zijn die het niet noodzakelijk vinden om bouwplaatsbeveiliging toe te passen maar wel hun projecten willen delen met de eindklant (…)
Hoe gaan we ervoor zorgen dat dit niet bots met werkzaamheden voor [eisende partij] ?We zullen duidelijk moeten aangeven dat het geen dienst is voor [eisende partij] om miscommunicatie te voorkomen. Hierom is het ook de bedoeling dat de communicatie los staat van [eisende partij] . (…)
2.4.
[gedaagden] zijn vervolgens gestart met hun eigen onderneming onder de naam [bedrijf] .
2.5.
Op 27 september 2022 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden over de werkzaamheden van [gedaagden] voor [bedrijf] . In het hiervan door [eisende partij] opgemaakte gespreksverslag staat dat het op dat moment gemiddeld 10 à 20 plaatsingen per jaar betreft, waarvan een groot gedeelte wordt uitbesteed, en dat er afspraken zijn gemaakt over de arbeidsomvang voor [eisende partij] om te waarborgen dat er een goede balans blijft tussen de werkzaamheden voor zowel [eisende partij] als [bedrijf] .
2.6.
Op 31 juli 2025 is [gedaagde sub 2] uit dienst getreden en op 31 augustus 2025 is [gedaagde sub 1] uit dienst getreden bij [eisende partij] .
2.7.
Rond de datum van uitdiensttreding hebben partijen opnieuw met elkaar gesproken over de werkzaamheden van [gedaagden] voor [bedrijf] . Per e-mail van 21 augustus 2025 is namens [eisende partij] een gespreksverslag aan [gedaagden] gestuurd. Hierin staat:
UITGANGSPUNTEN:
 [bedrijf] houdt zich bezig met Time-Laps (webcam) oplossingen, geen bouwplaats beveiliging
 In het verleden gemaakte afspraken in de arbeidscontracten zijn bekend
Verder staat in de e-mail dat partijen afspraken hebben gemaakt over de toekomstige samenwerking, die erop neer komt dat partijen potentiële klanten naar elkaar doorsturen tegen een financiële vergoeding. [eisende partij] heeft [gedaagden] verzocht om te laten weten of de afspraken helder en afdoende staan beschreven. [gedaagden] hebben hier niet op gereageerd.
2.8.
Omstreeks april 2026 heeft [eisende partij] vastgesteld dat [bedrijf] systemen met PIR-detectie (Passief Infrarood) aan een klant ter beschikking heeft gesteld. Dit is een systeem voor bewegingsdetectie, waarbij automatisch een reeks foto’s (snapshots) wordt gemaakt indien binnen bepaalde tijdstippen beweging wordt gedetecteerd. De meldingen en beelden kunnen worden doorgestuurd naar een mobiele telefoon of een meldkamer.
2.9.
Per brieven van 23 april 2026 heeft [eisende partij] aan [gedaagden] geschreven dat zij de gemaakte afspraken en het concurrentiebeding overtreden. [eisende partij] heeft hen gesommeerd met onmiddellijke ingang iedere vorm van mobiele camerabewaking met bewegingsdetectie via [bedrijf] te staken en gestaakt te houden.
2.10.
Partijen hebben vervolgens over en weer gecorrespondeerd en zijn met elkaar in gesprek gegaan, maar dit heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert (na vermeerdering van eis) dat de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk, althans ieder voor zich, beveelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis iedere vorm van bouwplaatsbeveiliging, mobiele camerabewaking, bouwplaatsdetectie, mobiele detectiesystemen, observatiesystemen en andere vormen van cameratoezicht met een beveiligend, detecterend, signalerend of afschrikwekkend karakter al dan niet via [bedrijf] of enige daarmee verbonden onderneming te staken en gestaakt te houden, waaronder in ieder geval het aanbieden, plaatsen, exploiteren, verhuren, onderhouden of voortzetten van mobiele detectiesystemen, mobiele detectietorens, systemen voorzien van PIR-detectie, observatiesystemen en/of andere systemen die zijn gericht op het detecteren van personen, bewegingen en/of aanwezigheid op bouwplaatsen,
II. [gedaagden] hoofdelijk, althans ieder voor zich, beveelt tot nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken van 27 september 2022 en 21 augustus 2025 en zich, al dan niet via [bedrijf] , te onthouden van het verrichten van activiteiten op het gebied van beveiligings-, detectie-, observatie- en bouwplaats-bewakingsactiviteiten, een en ander ongeacht de benaming die [gedaagden] aan dergelijke systemen, producten of diensten geven,
III. subsidiair, voor zover de kantonrechter van oordeel is dat de hiervoor genoemde activiteiten tevens onder het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding vallen, [gedaagden] hoofdelijk, althans ieder voor zich, verbiedt gedurende de looptijd van het concurrentiebeding direct of indirect werkzaamheden te verrichten, diensten aan te bieden of betrokken te zijn bij activiteiten die gelijk zijn aan, aanverwant zijn aan of concurreren met de kernactiviteiten van [eisende partij] ,
IV. bepaalt dat [gedaagden] hoofdelijk, althans ieder voor zich, een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeuren van € 5.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij handelen in strijd met het onder I, II en/of III gevorderde, zulks ter keuze van [eisende partij] , met een maximum van € 500.000,00,
V. [gedaagden] veroordeelt tot betaling aan [eisende partij] van een voorschot van € 50.000,00 per persoon op de inmiddels verbeurde boetes,
VI. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten. Subsidiair verzoeken [gedaagden] de kantonrechter om een eventueel verbod nauwkeurig te beperken:
  • tot actieve acquisitie van nieuwe opdrachten voor mobiele realtime-videobewaking met live opvolging die rechtstreeks vergelijkbaar is met de kernactiviteiten van [eisende partij] ,
  • met uitsluiting van timelapse, webcams, marketing, projectmonitoring, vaste niet-realtimecameraopstellingen en het reeds lopende TenneT-project met detectoren zonder doorlopende live videobeelden,
  • door [gedaagde sub 2] uiterlijk tot en met 31 juli 2026 en voor [gedaagde sub 1] uiterlijk tot en met 31 augustus 2026,
  • uitsluitend ten aanzien van concrete relaties waarmee de betreffende gedaagde in de laatste twaalf maanden van zijn dienstverband substantieel contact had,
  • met een nalevingstermijn van zeven dagen en een gematigde dwangsom.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[eisende partij] heeft een spoedeisend belang bij een deel van haar vorderingen
4.1.
[eisende partij] heeft een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen tot het staken van de inbreuk die [gedaagden] volgens haar maken op de gemaakte afspraken en het concurrentiebeding, tot naleving van die afspraken en het concurrentiebeding en de daaraan verbonden dwangsom. [eisende partij] heeft namelijk gesteld dat sprake is van ongeoorloofde concurrentie en zij heeft een spoedeisend belang om die concurrentie te beëindigen.
4.2.
[eisende partij] heeft echter geen voldoende spoedeisend belang bij haar vordering tot betaling van een voorschot van € 50.000,00 per persoon op de volgens [eisende partij] inmiddels verbeurde boetes. [eisende partij] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij deze vordering, omdat [gedaagden] de gewraakte activiteiten gedurende lange tijd hebben doorgezet en het overeengekomen boetebeding een tandeloze tijger zou worden als een financiële consequentie uitblijft. De kantonrechter ziet dit anders. De volgens [eisende partij] verbeurde boetes zien namelijk op het verleden. Er is geen reden waarom deze vordering niet kan wachten tot een bodemprocedure. Voor het optreden tegen eventuele toekomstige overtredingen, waarvoor [eisende partij] wel een spoedeisend belang heeft, heeft zij een dwangsom gevorderd in deze procedure. Hierna zal blijken dat deze dwangsom zal worden toegewezen. [eisende partij] heeft daarom geen spoedeisend belang bij een andere financiële prikkel, die ook nog eens ziet op het verleden. Dit betekent dat [eisende partij] niet-ontvankelijk wordt verklaard in deze vordering.
[eisende partij] kan zich niet rechtstreeks beroepen op de aanvullende aanspraken
4.3.
[eisende partij] heeft primair aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagden] zich moeten houden aan de afspraken die zij tijdens het dienstverband en rondom de uitdiensttreding met elkaar hebben gemaakt. Volgens [eisende partij] is afgesproken dat [gedaagden] zich (via [bedrijf] ) alleen zouden richten op het maken van timelapses en webcambeelden voor marketingdoeleinden. Zij zouden zich nadrukkelijk niet mogen richten op bouwplaatsbeveiliging. Deze afspraken zijn volgens [eisende partij] vastgelegd in het schriftelijke voorstel van [gedaagden] van april 2021 en de e-mails van 27 september 2022 en 21 augustus 2025.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat de gestelde afspraken over welke werkzaamheden [gedaagden] wel of niet zouden mogen doen, moeten worden gezien als een beding waarbij de werknemer wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de arbeidsovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn. Dat valt onder de wettelijke regeling van een concurrentiebeding. [1] Zo’n beding is alleen geldig als het schriftelijk is overeengekomen. Dat is niet het geval voor de afspraken waar [eisende partij] zich op beroept. Dit betekent dat [eisende partij] zich hier niet rechtstreeks op kan beroepen als grondslag voor het verbieden van bepaalde werkzaamheden door [gedaagden] . De hierop gerichte vorderingen van [eisende partij] worden daarom afgewezen.
De concurrentiebedingen zijn geldig
4.5.
Tussen partijen geldt echter wel een concurrentiebeding dat voldoet aan de vereisten uit de wet, namelijk het concurrentiebeding dat in de arbeidsovereenkomsten van [gedaagden] staat. [gedaagden] hebben gesuggereerd dat deze bedingen mogelijk niet meer gelden, omdat zij beide van een commerciële functie naar de zwaardere functie van teamleider zijn gegaan. Indien sprake is van een ingrijpende wijziging in de arbeidsverhouding waardoor het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken, moet het beding inderdaad opnieuw schriftelijk worden overeengekomen. [2] [gedaagden] hebben echter onvoldoende gesteld dat sprake is van een ingrijpende wijziging van de arbeidsrelatie en dat het concurrentiebeding daardoor aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. De kantonrechter verwerpt daarom dit verweer van [gedaagden] . Dat betekent dat het concurrentiebeding dat in de arbeidsovereenkomsten van [gedaagden] staat nog steeds geldig is.
De door [bedrijf] geleverde PIR-detectie valt onder het concurrentiebeding
4.6.
[eisende partij] heeft gesteld dat [gedaagden] PIR-detectiesystemen hebben geleverd aan een klant en dat dit niet is toegestaan, omdat het onder het concurrentiebeding valt. In dat beding is het [gedaagden] verboden om - kort gezegd - activiteiten te ondernemen die (soort)gelijk, aanverwant of concurrent zijn met die van [eisende partij] . Hoewel de kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld dat [eisende partij] de aanvullende afspraken tussen partijen niet zelfstandig ten grondslag kan leggen aan haar vorderingen, zijn deze aanvullende afspraken wel van belang in het kader van de uitleg van het concurrentiebeding. In de e-mail van 21 augustus 2025 staat dat is afgesproken dat [bedrijf] zich bezighoudt met timelapse (webcam) oplossingen, niet met bouwplaatsbeveiliging. [gedaagden] hebben weliswaar aangevoerd dat dit een eenzijdige e-mail is vanuit [eisende partij] en dat zij de inhoud niet hebben bevestigd of ondertekend, maar [gedaagden] hebben niet betwist dat zij deze afspraak met [eisende partij] hebben gemaakt. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat het concurrentiebeding zo moeten worden uitgelegd dat het [gedaagden] niet is toegestaan om bouwplaatsbeveiliging aan te bieden.
4.7.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de PIR-detectiesystemen vallen onder bouwplaatsbeveiliging. Volgens [eisende partij] is dat het geval. De detectietorens staan namelijk bij de inritten van de betreffende bouwplaats, maken snapshots als er binnen bepaalde tijdstippen beweging wordt gedetecteerd en versturen daarvan een melding. Dat maakt dat sprake is van beveiliging, aldus [eisende partij] . [gedaagden] hebben op zichzelf niet betwist dat sprake is van beveiliging, maar volgens hen ligt de situatie meer genuanceerd. Er is namelijk geen sprake van live cameratoezicht. De waarde van de snapshots is bovendien beperkt, omdat er niet veel op te zien is. Het gaat alleen om beelden bij de inritten. Als iemand vervolgens verder het terrein op gaat, zijn daar geen beelden van.
4.8.
Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter moeten de PIR-detectiesystemen worden aangemerkt als bouwplaatsbeveiliging. [eisende partij] heeft namelijk terecht opgemerkt dat deze systemen niets te maken hebben met het maken van een timelapse of andere beelden voor marketingdoeleinden. Het doel van de PIR-detectiesystemen is om vast te stellen of er - buiten werktijd - beweging is bij de bouwplaats. Daarbij vindt de kantonrechter ook van belang dat het systeem meldingen en beelden doorstuurt als er beweging is gedetecteerd, zodat de situatie in de gaten gehouden kan worden en er eventueel kan worden ingegrepen. Dit maakt dat er sprake is van een beveiligingsmaatregel.
4.9.
Het voorgaande betekent dat [gedaagden] bouwplaatsbeveiliging hebben geleverd aan een klant, terwijl dit op grond van het concurrentiebeding niet was toegestaan. [gedaagden] hebben nog aangevoerd dat [eisende partij] hier in dit specifieke geval geen nadeel van heeft gehad. Volgens hen biedt [eisende partij] dergelijke systemen niet aan. [eisende partij] begeeft zich in het hogere segment van de beveiligingsmarkt en [gedaagden] bieden de goedkopere alternatieven. Zij zitten daarom niet in elkaars vaarwater, aldus [gedaagden] . Dit maakt het voorlopige oordeel van de kantonrechter echter niet anders. Feit blijft namelijk dat [gedaagden] zich bezig houden met bouwplaatsbeveiliging, terwijl dit niet is toegestaan. [eisende partij] heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat het betreffende project onderdeel is van een veel groter project, waarbij verschillende beveiligingsbedrijven elkaar beconcurreren. Als [gedaagden] zich ook in die concurrentiestrijd gaan begeven, ook al is dat door het aanbieden van een iets andere dienst, dan kan dit nadelig zijn voor [eisende partij] .
[gedaagden] moeten de PIR-detectiesystemen verwijderen
4.10.
De conclusie in dit kort geding is dat het [gedaagden] niet is toegestaan om PIR-detectiesystemen ter beschikking te stellen aan hun klanten. Zij moeten de systemen daarom binnen 24 uur na betekening van dit vonnis verwijderen en verwijderd houden. [gedaagden] hebben weliswaar verzocht om een termijn van zeven dagen, maar zij hebben niet uitgelegd waarom zij meer tijd nodig hebben dan 24 uur. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat 24 uur na betekening van dit vonnis voldoende is. Daarnaast wordt de vordering van [eisende partij] onder III. toegewezen, die - kort gezegd - inhoudt dat [gedaagden] worden veroordeeld om zich aan de concurrentiebedingen te houden.
4.11.
De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als volgt.
De kantonrechter gaat niet in op de verzoeken van [gedaagden]
4.12.
[gedaagden] hebben de kantonrechter verzocht om het verbod op een aantal manieren te beperken, onder andere voor wat betreft de duur en de inhoud van het concurrentiebeding en de relaties ten aanzien van wie het beding volgens hen zou moeten gelden. Naar het oordeel van de kantonrechter moet dit verzoek worden gezien als een vordering tot gedeeltelijke schorsing van het concurrentiebeding. Zo’n (reconventionele) vordering moet uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling aan de wederpartij en de kantonrechter worden toegestuurd. Dat hebben [gedaagden] niet gedaan. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan dit verzoek van [gedaagden] .
[gedaagden] moeten de proceskosten betalen
4.13.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
125,57
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.273,57
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.15.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart [eisende partij] niet-ontvankelijk in haar onder V. genoemde vordering,
5.2.
beveelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de PIR-detectiesystemen (al dan niet van [bedrijf] ) te verwijderen en verwijderd te houden,
5.3.
verbiedt het [gedaagden] om gedurende de looptijd van het concurrentiebeding direct of indirect werkzaamheden te verrichten, diensten aan te bieden of betrokken te zijn bij activiteiten die gelijk zijn aan, aanverwant zijn aan of concurreren met de kernactiviteit van [eisende partij] ,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.2 en/of 5.3 voldoen, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
5.5.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.273,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.K. Hoogslag en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
57910

Voetnoten

1.Artikel 7:653 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Hoge Raad 5 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2221 en ECLI:NL:HR:2007:AZ2224.